Verlangen naar God

`Dat verhaal, een engel die een jonge vrouw iets komt zeggen, en dan al dat andere, dat natuurlijk  helemaal niet mogelijk is. Ik denk dat die vrouw een soort wensdroom had. Of een soort psychose toen ze ontdekte dat ze zwanger was, en zich geen raad wist. Dat zie je toch vaker bij mensen dat ze in het nauw zitten en dan met allerlei fantasieën naar buiten komen. Een op waan gestoeld feest, Kerst. Ik kan niet begrijpen dat de hele wereld hier aan meedoet. Een God die ingrijpt, een God die spreekt, ha, waar dan? Hoop? Projectie van mensenverlangen, angst we volstrekt eenzaam zijn en dat we het daarmee moeten doen. Ik doe niet meer aan mee aan Kerst, ik koop dit jaar geen kerstboom, ik ben er klaar mee.’

Projectie van mensenverlangen. Ik ga hem niet tegenspreken, ik houd niet van debat, van gelijkhalerij. Ik houd van verhalen, die houden het hart open. Ik vertel er u twee, een voor de debaters, en een voor alle anderen.

Het eerste is een denkverhaal, ik hoorde het van een filosoof. `Stel, ik heb dorst. Ik verlang naar water. Het is even niet voorhanden, mijn dorst wordt erger, mijn verlangen naar water wordt steeds erger. Is nu mijn dorst een projectie van mijn verlangen naar water? Met andere woorden: bestaat water alleen in mijn verbeelding, omdat ik dorst heb? Of zegt mijn dorst, mijn verlangen naar water ook iets over het bestaan van water?

Zou het mensenverlangen dat dit leven ergens op toe gaat, dat er Iemand is die boven en onder onze voorstelling doorgaat, Iemand die zin en duur en doel geeft aan ons leven, Iemand die ons kent en ziet, misschien verwijzen naar Iemand die er is? Iemand die dat verlangen naar Hem juist in ons geplant heeft, als naar water? `Steeds als ik roep `o God!’ is dat een wenk van God zelf naar zijn aanwezigheid,’ zei een oude rabbi in de 13e eeuw.

Een God die er is en die spreekt. Mensen hebben daar al eeuwenlang verhalen over. Een vrouw die in de zorg werkt, laat ik haar Christina noemen, vertelt me hoe lastig ze onze tijd vindt. `ik vind het zo raar dat ik wel naar het wel en wee vraag van anderen, maar dat er zo zelden belangstelling terug komt. Op het werk lijkt het steeds meer te gaan over productie en targets, managers zitten ons op de huid om dingen te doen die wel in hun belang en in het belang van papieren statistieken zijn, maar niet in het belang van kwetsbare mensen voor wie ze in dienst zijn. Bestuurders zitten achter hun bureau plannen uit te denken, op de werkvloer komen ze niet kijken. Het voelt alsof de samenhang en het samenleven op het spel staat. Het is zo onrustig in de wereld, de angst en de woede regeren. Maar nu overkwam me iets, ik heb er eigenlijk geen woorden voor, iets moois, troostends, iets dat me weer op een goed spoor brengt. Ik sliep en werd wakker van een stem, ik werd erdoor gewekt. Eerst dacht ik dat ik droomde, ik ging rechtop zitten in bed, maar ik hoorde echt een stem, niet in mij, maar buiten mij. “Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn kruis op zich nemen en mij volgen.”

Het was prachtig. Het kwam uit het niets tot mij, ik werd herinnerd aan iets buiten mij, iets dat groter is dan ik ben, en ik voelde de moed en de kracht en de hoop weer terugstromen. Alles veranderede erdoor. Mijn teleurstelling in mensen, mijn boosheid over wat op het werk gebeurt, mijn onrust over de wereld, het heeft me ineens niet meer zo te pakken. Ik keer me ervan af, ik keer me om naar iets dat leven geeft.’

Een God die spreekt. Talloze mensen hebben daar al eeuwen verhalen over. Christina herinnert me aan Maria, de jonge vrouw van tweeduizend jaar geleden. Zij beiden vertellen erover hoe ze een stem hoorden waar ze niet op rekenden, maar waardoor ze moed vatten om beschikbaar te zijn voor de hoop. Ze gingen ervan zingen. Sandro Botticelli drukte Maria’s vreugde uit door haar ontmoeting met de engel zo te schilderen dat het lijkt of ze zich laat uitnodigen om te dansen. Ik zag zoiets toen Christien mijn kamer verliet: haar tred was licht, alsof ze wegdanste, een meisje van de hoop.

 

Margriet van der Kooi