Secularisatie, of opnieuw onbevangen zoeken

Nederland seculariseert. Alleen de gereformeerde bolwerken houden nog stand, is het algemene idee. Maar ook de Gereformeerde Bond is niet meer het fort waarvoor het altijd gehouden werd. Dat biedt gelegenheid voor een gezamenlijke zoektocht. En voor eerlijkheid.


tekst Matthijs Schuurman, beeld Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed


Lange tijd leek de secularisatie aan de Gereformeerde Bond voorbij te gaan. Dat leek in ieder geval zo voor andere delen binnen de Protestantse Kerk in Nederland, bij wie de Bond als heel stellig en robuust overkwam.
Maar binnen de Gereformeerde Bond zelf wordt over het thema secularisatie al enige tijd wel degelijk intensief nagedacht.
Alle conferenties voor predikanten binnen de Gereformeerde Bond die ik in de afgelopen jaren heb meegemaakt, zijn te verbinden met het thema
secularisatie.
De ene keer ligt de nadruk op wat er van de kerk wordt verwacht in een geseculariseerde omgeving. De andere keer ligt de nadruk op een missionaire houding. Op de onlangs gehouden predikantenconferentie lag de nadruk op de verlegenheid, die de secularisatie oplevert.
Die verlegenheid werd nog wel keurig verpakt in mooie lezingen, waarin aandacht werd gevraagd voor de ontwikkelingen die in de cultuur plaatsvinden. Maar tussen de regels door, in de nabespreking en in de wandelgangen, was voor een goede verstaander de verlegenheid te merken.
Er is sprake van afnemend kerkbezoek. In de meeste gevallen gaat het dan om de middagdienst, die minder bezocht wordt.
Predikanten spreken gemeenteleden van wie de kinderen afscheid hebben genomen van het geloof. Of ze spreken gemeenteleden die zelf aan het afhaken zijn, of die niet meer in de kerk komen omdat het geloof hen niets meer zegt.


Verwarring en onzekerheid
Vooral deze laatste ervaring zorgt voor veel verwarring en onzekerheid. De preken die ze voorbereiden, de diensten die ze houden, de bijeenkomsten die georganiseerd zijn, ze slaan dood op de onverschilligheid. God is niet meer nodig.
Als je met die onverschilligheid geconfronteerd wordt, heb je niets meer aan de gebruikelijke antwoorden. De vraag naar een genadig God is een veel dieper gravende vraag dan de vraag of God bestaat. Maar als je spreekt met mensen voor wie God geen issue is, dan hoef je ook niet aan te komen met de vraag of je wel voor God kunt bestaan. God doet er niet toe. Op de conferentie zou het niet alleen gaan over de verlegenheid. De aandacht zou ook uitgaan naar wat uit onze traditie ons als predikanten op de been houdt. Dat is geen eenvoudige overgang: van de verlegenheid zelf, naar iets uit je traditie dat je helpt om te gaan met die verlegenheid, bij jezelf en bij anderen.
Dat vraagt allereerst om het toelaten van die verlegenheid. Dat vraagt ook te accepteren dat de tot dan toe gevolgde strategie om de gevolgen van de secularisatie te negeren - omdat ze vooral in andere delen van de kerk spelen - niet helpt. 
Zulke ervaringen stemmen wel tot nadenken. In mijn huidige werkomgeving kom ik het niet direct tegen. Ik ben wel begonnen in een omgeving waarin voor de meeste mensen die niet meer naar de kerk gaan,  God er niet toe doet.


Cultuurschok
Dat was voor mijzelf niet altijd eenvoudig. Het was allereerst een cultuurschok toen ik vanuit Veenendaal, waar de kerk er nog redelijk vanzelfsprekend bij hoorde, terechtkwam in een omgeving waar de kerk slechts door enkelen werd bezocht.
Ook voor de gemeenten die ik daar diende was dat niet makkelijk. Ze waren al wel gewend om als een van de weinigen uit hun eigen omgeving met geloof bezig te zijn. Maar ze waren zelf opgegroeid in een tijd waarin geloof er nog gewoon was. En ze hadden meegemaakt dat vrienden en familie de kerk vaarwel zeiden.
Het is mij altijd bijgebleven dat ik niet was voorbereid op het werken in een omgeving waar geloof er niet meer bijhoort. Ik had er ook niet over nagedacht wat het betekent voor de kerk. Ik kwam er in die tijd ook nog niet aan toe, omdat ik nog volop bezig was te ontdekken wat mijn taak en rol was als predikant.
Terugkijkend op die periode kan ik een paar thema’s noemen, die van belang zijn om op te pakken als het geloof nietszeggend aan het worden is.
Het vraagt om nadenken over de eredienst en de preek: hoe kunnen de eredienst en de preek zo worden vormgegeven dat de kerkganger in het geloof gevoed wordt, ook als je maar met weinigen bij elkaar bent? Daarnaast moet de inhoud van de preek er niet op gericht zijn nostalgie te voeden, maar om de onbevangen manier van geloven te herontdekken. Daarvoor moet je accepteren dat het geloof lang niet iedereen iets zegt. Tegelijkertijd vraagt het ook om je vertrouwen op God niet te laten ondergraven door je eigen verlegenheid.
Zoals ik al zei, ik was er niet op voorbereid. De cultuurschok bracht mij enorm aan het twijfelen en ik slaagde er niet in die twijfel buiten mijn preken te houden.
Ik wil niet beweren dat twijfel niet in preken verwerkt mag worden, maar wel dat de twijfel geen eindresultaat moet zijn. Twijfel bouwt de gemeente alleen op, als daarmee de weg naar God gevonden wordt.


Geblokkeerd
Bij mij raakte die weg juist geblokkeerd. Terugkijkend had ik mensen om mij heen nodig, zoals collega’s met wie je ervaringen deelt, die je begrijpen maar er ook in slagen je uit de twijfel te leiden naar een nieuwe onbevangenheid. 
Door de predikantenconferentie besefte ik dat die zoektocht naar een nieuwe onbevangenheid, waarbij de verlegenheid toegelaten wordt, een gezamenlijke zoektocht is geworden. Daarin kunnen we elkaar van dienst zijn. Door te luisteren naar elkaars onmacht en verlegenheid. Door samen te zoeken naar Gods wil en Gods aanwezigheid in deze tijd.
Niet alleen in eigen kring, maar ook samen met andere delen van de kerk, waarin deze ervaring herkenbaar is en waar wellicht al wegen gevonden zijn naar die nieuwe onbevangenheid.