Sam Wells: ‘Problemen oplossen is een grote valkuil’

De kerk is al 2000 jaar bezig met goede werken doen en problemen oplossen. Dat kan goed gaan - zie de ziekenhuizen en de scholen - maar ook wat minder goed uitpakken - zie de beruchte reputatie van de diaconie in de 19e en 20e eeuw. De kerk had niet zoveel moeten werken voor de armen, maar veel meer moeten leven mét de armen, zegt Sam Wells. Of weten wij het beter dan Christus?

 

tekst Ineke Evink, beeld CWN

 

Sam Wells, te gast op de conferentie van de Charismatische Werkgemeenschap Nederland de afgelopen dagen, heeft uitgesproken ideeën over de kerk, over genezing en vergeving, en over de praktijk van het christelijke leven. Wij zijn geobsedeerd door genezing, doen te veel voor de armen en zijn te weinig bíj hen.

Uw eerste lezing op de conferentie van CWN gaat over genezing. U zegt ergens dat genezing tussen vergeving en het eeuwige leven in zit, als een sandwich. Hoe bedoelt u dat?
“Het lijden en sterven van Christus voor onze zonden, refereert aan het verleden. Jezus vergeeft het kwaad dat wij hebben gedaan en het kwaad dat ons is aangedaan. En het lijden van Jezus brengt ons ook het eeuwige leven, zodat we niet bang hoeven te zijn voor het onbekende. Dat ligt in de toekomst. Genezing is een mix van die twee dingen: onze pijn uit het verleden en onze angst voor de toekomst worden zo weggenomen.
Maar als de genezing niet plaatsvindt in de context van de vergeving, dan is het de moeite niet waard. Als je wel genezen wordt door dokters maar omringd blijft door gebroken relaties, dan voelt de genezing niet echt als genezing. Omgekeerd ken ik het verhaal van iemand die niet genezen werd, maar waar de gemeenschap, en vooral zijn familie, helemaal veranderde door alles wat ze meemaakten rond de zieke. Dan zie je al iets van het eeuwige leven. In het Nieuwe Testament is er maar één woord voor redding en genezing. We hebben niet zoveel aan genezing zonder redding.”  

Zijn wij geobsedeerd door genezing?
“In onze samenleving hebben we het idee dat er iets verkeerd is als we beperkingen ervaren, zoals ziekte, handicaps en dood. Daarom steken we al onze energie en tijd in het wegnemen daarvan. Maar ons echte probleem is isolement: van God, van elkaar, van onszelf en van de schepping. Als we dat probleem niet aanpakken, maakt het overwinnen van onze beperkingen ons isolement alleen maar groter. Als we echter het isolement overwinnen en goede relaties krijgen, hoeven we ons niet meer zulke zorgen te maken over die beperkingen.
De technologie geeft ons daarbij ook nog eens het idee dat we al onze beperkingen te boven kunnen komen. Alsof je altijd een hamer op zak hebt en je elk probleem als een spijker beschouwt waar je op moet slaan. Technische oplossingen belemmeren het zicht op ons echte probleem.”


Uw tweede lezing gaat over ‘being with’ in plaats van ‘working for’. De grens tussen ‘samen zijn met’ en ‘werken voor’ lijkt echter vaag. Hoe maak je onderscheid?
“Stel, je loopt over een plein en je ziet een dakloze persoon zitten. Je hebt dan vier opties: je gaat een liefdadigheidsorganisatie opzetten die zich met het probleem van dakloosheid bezighoudt. De tweede optie is dat je de gemeente, zakenlui, non-profitorganisaties en dakloze mensen bij elkaar brengt en gaat samenwerken. De derde optie is naar huis gaan en een blog schrijven over waarom je niet ‘daklozen’ moet zeggen, maar ‘dakloze mensen’. En de vierde is dat je een kop kop koffie voor hem koopt en naast  hem gaat zitten om de laatste voetbalwedstrijd te bespreken.  
De eerste en de derde opties zijn ‘werken voor’, de tweede is ‘werken met’, en de laatste is ‘er zijn voor’. Bij de eerste en de derde hoef je niet eens werkelijk met een dakloos mens te maken  te hebben. Het probleem van de tweede optie is dat je uitgaat van hun beperkingen en niet van hun mogelijkheden.
Maar als je ‘met iemand bent’, zie je ook wat die persoon te bieden heeft. Inzichten over de scheidsrechter van de voetbalwedstrijd bijvoorbeeld. Je leert hem kennen en waarderen. De vierde optie is de enige manier waarmee je om iemand geeft vanwege hemzelf. In alle andere gevallen gebruik je die dakloze mens voor je eigen doelen.”

Critici zullen zeggen dat diegene dan nog steeds dakloos is.
“Misschien vindt hij die dakloosheid niet het belangrijkste onderwerp in zijn leven. Als je problemen oplossen het belangrijkste vindt, zul je problemen gaan oplossen van mensen die niet vinden dat er een probleem is. Als je haarknippen het belangrijkste vindt, zul je tenslotte ook het haar gaan knippen van mensen die lang haar prima vinden.”
 
De kerk staat al eeuwen bekend om haar goede werken. En de apostel Jacobus schrijft dat geloof zonder werken dood is. Begrijpen we niet goed wat goede werken zijn?
“Dat zou inderdaad zomaar kunnen. Vooral als je niet vraagt wat mensen willen, maar ervan uitgaat dat je dat al weet. Door Jezus’ menswording laat hij zien hoe God met ons verbonden is. Percentages zijn daarbij belangrijk. Jezus heeft van zijn hele leven een week in Jeruzalem doorgebracht, waarin hij voor ons werkte en onze redding tot stand bracht. Dat is ‘working for’. Hij heeft drie jaar in Galilea doorgebracht en mét ons gewerkt. En hij heeft dertig jaar in Nazareth mét ons doorgebracht: ‘being with’.
Dat hij iets voor ons deed, klopt dus helemaal, maar dat maakte maar 1 procent uit van zijn leven. 9 procent van zijn tijd op aarde werkte hij met ons, en in 90 procent was hij met ons samen. Maar wij doen alsof wij het met onze 2000 jaar ervaring beter weten dan God. Waarom zouden wij niet diezelfde percentages gebruiken als Jezus deed?
Het gaat er daarnaast om hoe wij anticiperen op het eeuwige leven. Daar hoeven we geen problemen meer op te lossen, maar zullen we de eeuwigheid doorbrengen met anderen en met God. Als we ons hele leven vóór mensen hebben gewerkt, dan wordt de hemel een ernstige teleurstelling.”
 
Maar het christendom heeft juist door al dat werk ook veel gebracht.
“Het belangrijke van het christendom is dat het plaats heeft voor iedereen. Hun ziekenhuizen en scholen zijn er voor iedereen. ‘Being with’ maakt geen onderscheid. Wat verschil maakt, is niet dat het christendom betere dokters voortbrengt, maar dat we - als het goed is - mensen niet apart zetten. Je kunt iemands gebroken voet genezen, maar als je nooit met hem praat, dan heb je je werk niet goed gedaan. Mensen niet in de steek laten, daar begint het mee. De voet verbinden komt daaruit voort.
Of voedselbanken nu wel of niet goed zijn voor de armen, ze zijn altijd goed voor de kerk. De kerk traint vrijwilligers zodat ze nog beter worden in vrijwilligerswerk doen, maar ze lossen niets op. Zoals een dokter net zo goed voor zijn patiënten werkt als voor zichzelf, zo doet de kerk het evengoed voor de armen als voor zichzelf. ‘De armen zullen altijd bij u zijn’, zegt Jezus tegen zijn discipelen. Daarmee bedoelt hij dat wij altijd bij de armen zullen zijn omdat we altijd bij hem wíllen zijn. Je rol is dus dat je bíj hen bent, niet dat je hun problemen oplost. Wij kunnen dat vaak ook helemaal niet. Je kunt wel ontdekken dat zij de veerkracht hebben om hun eigen problemen op te lossen. Als mensen dat zelf doen, blíjven ze ook opgelost.”

We zouden onze manier waarop we naar het evangelie leven in de etalage moeten zetten, zegt u in een les ethiek.
“Toon oprechte belangstelling, doormiddel van oogcontact bijvoorbeeld. Een herstelde relatie is wederzijds, dus je moet ook kunnen ontvangen. Sommige mensen die veel doen voor anderen vinden het wel eens moeilijk dat ze zelden bedankt worden. Maar waarom zou iemand jou bedanken als je alleen maar hebt laten zien dat jij getalenteerd en rijk bent, en hij arm en dom? Gelijkwaardige relaties tot stand brengen waarin ieder iets in te brengen heeft en iets ontvangt, daar gaat het om.”

Gaat het christendom om het veranderen van je karakter, je persoonlijkheid? Over wedergeboren worden, om een besmette term te gebruiken?   
“Opnieuw geboren worden is het begin. Over je wedergeboorte praten, is als op het vliegveld blijven hangen als je op vakantie gaat. De plek die er het minste toe doet. Karaktervorming is het werk van de heilige Geest en dat merk je niet eens altijd.
Neem de vreselijke schietpartij van een paar jaar geleden waarbij Amish-kinderen omkwamen. De Amish-gemeenschap ging naar de weduwe van de schutter. Daar hoefden ze niet eens een beslissing over te nemen, dat sprak vanzelf. Dat is wat Amish-zijn inhoudt, wat christen-zijn is. De heilige Geest kan slechte karaktereigenschappen veranderen in gaven. Iemand die snel van gemoedstoestand verandert en dus snel boos wordt, kan iemand worden die meteen toesnelt naar iemand die pijn lijdt.”

De meeste problemen komen voort uit niet geloven dat Jezus God is, én zijn menswording negeren. Hoe bedoelt u dat?
“Een van de moeilijkste dingen voor christenen om te geloven, is dat hij opsteeg naar de hemel toen hij hier klaar was. En dus om te accepteren dat dat ook echt voldoende was. Veel christenen willen daarom zijn werk hier op aarde nog afmaken. En dat is tot mislukken gedoemd.
Nog een probleem is dat we steeds maar verlangen naar dat waar de aarde niet genoeg van heeft, in plaats van verlangen naar wat God in overvoed geeft, zoals de vruchten van de Geest: wijsheid, vreugde, geduld, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Daar is altijd genoeg van. Als we daarnaar gaan verlangen, zullen we gelukkig worden.”

Sam Wells is predikant van St Martin-in-the-Fields in London (Church of England) en gasthoogleraar Christelijke Ethiek aan King’s College London.