psychiatrische stoornissen

Hoe beïnvloedt een depressie je geloof? Kunnen je godsdienstige overtuigingen helpen als je verslaafd bent? Dit soort vragen en nog veel meer zijn het terrein van de klinische godsdienstpsychologie. Maar ook compassie en hoop spelen een belangrijke rol.

 

tekst Hanneke Schaap-Jonker, beeld Jaco Hoeve Fotografie, Phere

 

In het paradijs staan twee bomen. De ene boom is de boom van het oordeel: de boom van kennis van goed en kwaad, de boom van het onderscheid.
De andere boom is de boom van de aanvaarding: de boom van het leven, van vrijheid en verbondenheid. God zegt tegen de mensen: van die boom van het oordeel en het onderscheid word je niet gelukkig. Ik ben de Enige die tegelijkertijd volmaakt kan liefhebben en volmaakt kan oordelen.
Maar er wordt toch gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad. Vanaf dat moment zuchten mensen onder het oordeel, veroordelen ze elkaar en zichzelf, zijn ze slecht in staat tot onvoorwaardelijke aanvaarding en onvoorwaardelijke liefde.
Het leven is geen paradijs. Mensen hebben te maken met ziekte en psychiatrische stoornissen. We worstelen met angsten, somberheid, verslavingen, psychose, agressie, trauma’s, verslaving, zelfveroor- deling.
Fundamentele vragen
Al deze zaken raken ons mensen in wie we zijn. Ze schudden aan onze levensboom en rammelen aan de fundamenten van onze existentie. Ze roepen fundamentele vragen op naar zin en betekenis, en ze hebben invloed op de manier waarop we kijken naar onszelf, naar anderen, de wereld en God.
Dit staat centraal in het vakgebied van de klinische godsdienstpsychologie. In de klinische godsdienstpsychologie staan de relaties tussen psychische problemen en geloof of zingeving centraal.
Het gaat er niet alleen om hoe religie en spiritualiteit invloed uitoefenen op het psychisch functioneren, maar ook om hoe psychologische processen een rol spelen in geloof en ongeloof, in zin en zinloosheid, in twijfel en religieuze worstelingen.
Maakt geloof ziek, of helpt het bij herstel? En wat doet het met de religieuze overtuigingen en praktijken, het ervaren van zin en betekenis, wanneer mensen een psychiatrische stoornis hebben?

Ter illustratie een casus van een jonge vrouw die ik Anna noem.

 

Anna is 20 jaar als zij zich bij de ggz meldt met angst- en stressklachten, paniekaanvallen en problematisch eetgedrag. Ze volgt een hbo-opleiding, maar heeft daar haar handen vol aan.
Anna stelt hoge eisen aan zichzelf: het is nooit goed genoeg. In relaties is ze onzeker. Ze probeert altijd het anderen zo aangenaam mogelijk te maken. Anna raakt in paniek wanneer vrienden bijvoorbeeld niet reageren op een berichtje. Eetbuien dempen de onderliggende pijn maar resulteren ook in een nieuw gevoel van falen.
Over geloof en zingeving wil Anna niet te veel nadenken. Bidden doet ze niet meer. Het blijft toch stil, God hoort haar blijkbaar niet. Haar hoofd zit zo vol angst en stress, dat er weinig ruimte is voor reflectie.
Met zingeving houdt ze zich niet bezig. Ze wil alle zeilen bijzetten om haar opleiding te halen.
Eigenlijk heeft ze helemaal geen tijd voor therapeutische gesprekken. Het is sowieso al stom dat die nodig zijn.

Kennis van religie
Anna vertelt weinig over religie en zingeving. Toch wil een klinisch godsdienstpsycholoog - en een goede hulpverlener ook - weten hoe zij in het leven staat, hoe ze zich verhoudt tot zichzelf, tot anderen, de wereld en God. 
Daarvoor moet de hulpverlener kennis hebben van de inhoud van religie en zingeving: dat is van wezenlijk belang voor het begrijpen van de functie ervan. Weten of iemand zin in het leven ervaart, is onvoldoende. Wélke zin is dat?
Dat geldt evenzeer voor de ‘klassieke’ vragen over religieus gedrag: je kunt wel weten dat iemand bidt of mediteert, maar pas wanneer je weet wat dit betekent voor deze persoon, wat en tot wie hij bidt, wat iemand gelooft over gebed, kom je verder in het begrijpen van die functie voor het psychische leven.


Hoop
Klinische godsdienstpsychologie houdt zich niet uitsluitend bezig met psychopathologie, psychiatrie en verslavingszorg. Het gaat ook om existentiële factoren in bredere zin.
Hoop is zo’n cruciale existentiële factor, die weliswaar religieus van aard kan zijn maar niet per se. Hoop op een nieuwe fase in je leven bijvoorbeeld, het gevoel dat je ertoe doet.
Bij existentiële crises kunnen de worsteling en het gevecht om zin en betekenis verergeren, maar er kan ook herstel optreden. Existentieel herstel omvat hoop en zingeving, geloof en geloofsbeleving, en gaat over identiteit en de wijze waarop je je verhoudt tot jezelf en je klachten.
Herstel betekent dat het beter gaat dan eerst, maar ook dat je een zinvol en betekenisvol leven kunt leiden. Juist hier heeft de klinische godsdienstpsychologie veel te bieden.
Het is opvallend dat patiënten in hun denken over gezondheid en herstel de nadruk leggen op persoonlijk herstel en zingeving - meer dan zorgverleners, die herstel vooral medisch duiden.
Existentieel herstel is richtinggevend voor klinisch herstel. Immers, waarom zou je moeite doen van je verslaving af te komen, als je het leven als zinloos ervaart? Als je ontdekt waar je het voor doet, als je hoop krijgt dat het goed kan komen, geeft dat ook vechtlust, kracht om het vol te houden.
Het ingewikkelde is alleen dat psychische ziekte dat vermogen tot hopen en zingeving kan ondermijnen. De manier waarop mensen zich dan verhouden tot hun ziekte of stoornis wordt gekenmerkt door onmacht en uitzichtloosheid. Juist dan is aandacht voor existentieel herstel essentieel.

 

Bij Anna wordt een kleine verandering zichtbaar in de relatie met haar behandelaar. Langzaam maar zeker komt er ruimte voor vertrouwen, haar verlangen naar erkenning mag er zijn.
Er ontstaat hoop op dieper contact met anderen, op relaties die niet bepaald worden door beoordeling, maar door onvoorwaardelijke aanvaarding. Voorzichtig ontstaat er ook iets van hoop in het religieuze domein.

Zelfkritiek
Eerder heb ik existentieel herstel uiteengelegd in drie aspecten: hoop en zingeving, geloofsbeleving en identiteit. Toegespitst op het aspect van identiteit gaat dat over de vraag wie je bent, hoe je naar jezelf kijkt en je tot je eigen levensgeschiedenis verhoudt. Hier komt de dynamiek van oordeel en aanvaarding opnieuw naar voren.
Zelfkritiek kan heel gemakkelijk een rol spelen in de manier waarop je je verhoudt tot jezelf. Vaak gaat het hierbij om de geïnternaliseerde veroordeling en kritiek van anderen.
Bij veel psychopathologie zoals eetstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en verslaving spelen zelfkritiek en zelfveroordeling een rol.
Als tegenhanger van zelfkritiek kan zelfcompassie een rol spelen. Dat is geen zelfmedelijden, maar een aanvaardende, niet-veroordelende en vriendelijke houding naar jezelf, je eigen tekort en lijden.
Zelfcompassie omvat een niet-veroordelend begrijpen van je pijn en mislukkingen, zodat je je ervaring ziet als deel van menselijke ervaring die we allemaal delen. Menszijn betekent dat je sterfelijk, kwetsbaar en onvolmaakt bent. En frustraties of lijden hoeven dus geen isolement te betekenen
Zelfcompassie beschouw ik als een existentieel proces, als een manier van je verhouden tot jezelf en je stoornis, en niet slechts als een strategie voor emotieregulatie. 

 

Voor Anna blijkt meer zelfcompassie niet eenvoudig. Ze is gewend zichzelf voortdurend te beoordelen en bekritiseren, en dat geeft haar in zekere zin houvast en controle.
Tegelijk is deze zelfkritische houding geworteld in existentiële overtuigingen over goed en kwaad. De angst voor een oordelende God blijkt een grotere rol te spelen dan ze zelf vermoedde.
Pas wanneer deze existentiële aspecten bespreekbaar worden en in verband gebracht met haar problematiek, lukt het Anna meer compassie voor zichzelf te hebben.
Helpend is dat falen en tekortkomingen bekeken kunnen worden vanuit het perspectief van algemene menselijkheid: we leven niet meer in het paradijs, daarom wordt ons bestaan gekenmerkt door tekort en lijden.
 
Trage processen
Is de huidige ggz met haar nadruk op efficiency en kostenbesparing wel de juiste plek voor existentieel herstel? Het gaat immers vaak om ‘trage vragen’ en trage processen. Ik denk van wel. Er zijn meerdere lagen te onderscheiden in existentieel herstel,
er zijn in elke situatie aspecten van existentieel herstel die geïntegreerd kunnen worden in behandeling en begeleiding.
Denk bijvoorbeeld aan psycho-educatie over de verhouding tussen psychische stoornissen, geloof en zingeving, of aan interventies met betrekking tot zelfcompassie, die kortdurend en effectief zijn.
Tegelijk overstijgt existentieel herstel het niveau van de interventies en gaat het ook om presentie en bejegening. Wanneer hoop een centrale notie is in herstel, dan is het belangrijk dat hulpverleners een context creëren waarin die hoop kan opbloeien en gekoesterd worden.
Compassie is een voorwaarde hiervoor,  acceptatie van de ander, erkenning dat we allemaal mensen zijn met deuken en barsten. Het vraagt om het verdragen van lijden en frustratie in combinatie met warmte en vriendelijkheid.
Geestelijk verzorgers, predikanten en pastores zijn professionals die van grote waarde kunnen zijn voor het existentieel herstel van mensen met een psychiatrische stoornis. Vanuit hun eigen professionele kader - dat is een ander kader dan dat van de ggz-professional - kunnen zij het gesprek voeren over levensvragen en zingevingsproblemen, twijfels en geloofsworstelingen.


Veiligheid
Samenwerking en afstemming tussen pastoraat of geestelijke verzorging en de geestelijke gezondheidszorg zijn daarbij essentieel. Nog steeds gebeurt het dat een hulpverlener bepaalde angsten in het religieuze domein als pathologisch ziet, terwijl de pastor ze als positief en heilzaam waardeert. Daar wordt de persoon die ermee worstelt niet beter van.
Geestelijk verzorgers, predikanten en pastores zijn om nog een reden van belang. Recent onderzoek wijst uit dat de meerderheid van de ruim 2500 respondenten zich niet veilig voelt om binnen de geloofsgemeenschap te spreken over psychische problemen of verslaving. Dat betekent huiswerk voor de kerken. Geestelijk leiders hebben hier een belangrijke taak te vervullen.
Een focus op existentieel herstel impliceert aandacht voor de mens achter de klachten, waarbij iemand niet gereduceerd wordt tot zijn of haar stoornis of beperkingen, maar gezien wordt als een mens met potentie.
Empowerment is daarbij van groot belang, evenals eigen regie. Op dit individuele niveau wil ik het belang van wederkerigheid en de verbondenheid van mens tot mens benadrukken, in het professionele contact en ondanks de (machts)ongelijkheid die in elke vorm van hulpverlening aanwezig is.

Die wederkerigheid en verbondenheid krijgen gestalte in de dynamiek van vertrouwen geven en compassie ontvangen, van het samen uithouden van gebrokenheid en wanhoop, van samen zoeken naar hoop en herstel.
Zo krijgen we meer zicht op leven ondanks gebrokenheid, op aanvaarding en verbondenheid, op vrijheid die beperkingen overstijgt.
Zo verkeren we niet langer in de donkere schaduw van de boom van het oordeel, maar in de verfrissende koelte die de schaduw van de boom van de aanvaarding brengt.

Dit artikel is een samenvatting van de oratie van prof. dr. Hanneke Schaap-Jonker bij de aanvaarding van de bijzondere leerstoel klinische godsdienstpsychologie aan de vrije universiteit in Amsterdam