Hoeden en hoofddoeken (column)

“Mijn moeder heeft nergens meer belangstelling voor,” gromt een man tegen me. “Dat is altijd al zo geweest, maar nu is het enige belangrijke haar ziekte en klachten en pijntjes en eenzaamheid, en dat wij daar weer niets van begrijpen. Is dat altijd zo bij zieke mensen? Leuke baan hebt u dan!”

Nee, dat is niet altijd zo bij zieke mensen. Dat ga ik hem op dit moment niet zeggen, zijn vraag vraagt niet om antwoord maar om begrip.

Op Prinsjesdag gaan de gesprekken in het ziekenhuis onder medewerkers en patiënten over de glazen koets en hoeden, over het hoedje van de kleindochter van een collega die met haar moeder mee mocht naar de opening van de Staten Generaal. Over zorgen in de zorg, over bestuurders die andere dingen aan hun hoofd hebben dan de patiënten die hopen op dokters die aandacht hebben,  op verpleegkundigen die even echte tijd hebben. Het gaat over vluchtelingen en bombardementen, over mensen die hun leven verliezen, zonder hoop op hulp. Het valt me opnieuw op dat wie zelf kwetsbaar is dikwijls een fijne antenne heeft voor anderen die moesten ontdekken hoe weinig regie over het leven ze hebben.

Zieke mensen weten dat. Zo kan het gebeuren dat er een wonderschoon gesprek ontstaat tussen een oude dame, een veel jongere kamergenote met een hoofddoek en mij. We zitten bij een tafel bij een raam. De oude dame vertelt hoe ze de avond tevoren een lang gesprek had met de jonge moslima, allebei aan een infuus die hun leven moet redden. “Bij ons op het dorp zijn geen vrouwen met hoofddoeken op. Wel met hoeden, op zondagmorgen, ik draag die ook,” glimlacht ze. “Ik ben bijzonder ontroerd doordat zij en ik elkaar op zaal leren kennen. Ik ben altijd een beetje bang geweest voor de islam. Wist u dat ze ook het verhaal van Noach en Abraham hebben?”

Ja, knik ik, dat weet ik. “We hebben veel hetzelfde,” zegt de jongere vrouw. “En we zijn allemaal schepselen van God. We delen veel waarden.” Er is een sfeer van warmte en goede verbondenheid in de kamer. Dat breekt ook niet stuk als christendom en islam verder vergeleken worden, voor hen beiden een nieuw gesprek. “Mohammed is jullie belangrijkste profeet, dat weet ik nog van school” zegt de oude dame. “Wat vind je van Jezus? Mogen we daar over praten? Voor mij is Hij de Zoon van God.”

 Ik denk aan onze minister van gezondheid, Edith Schippers. Onze cultuur is de beste, weet ze, en religie is achterhaald, ontdekte ze ook al. Zo verlicht ben ik nog niet. Ik verlang ook niet naar deze verlichting. Ze is me te dogmatistisch en stralend zelfingenomen, superieur. Mensen die zo zeker zijn van hun gelijk laten zich zelden meer verrassen.  Ediths verlichting is oogverblindend, alsof ze in de koplampen van het eigen gelijk staart, en meestal zie je dan weinig meer.

Een paar weken geleden hoorde ik een mooi verhaal van Hans van der Jagt, een jonge historicus aan de VU. Hij vertelde over Alexander Idenburg, een politicus met een indrukwekkende carrière, onder andere in Indonesië. In een artikel uit 1928 (!)  betoogt hij dat het contact van het Westen met oosterse culturen werd beheerst door geestelijk onbegrip. Jonge Aziaten die in het Westen gingen studeren ontdekten dat het Westen “zich kenmerkt door logisch denken, het is activerend, heeft grote drang tot handelen en een diepe zucht naar macht en geld. Maar alles zo veel mogelijk zonder religie.” Hij schrijft:  “Deze niet-Westerse studenten kwamen uit culturen waarin men juist zocht naar innerlijke verdieping, passiviteit en innerlijke vrijheid en rust. Alles onafhankelijk van materiële banden en aardse zorgen.” Idenburg geeft een advies: de religieuze traditie van het christendom moet juist niet worden verstopt. Het benadrukken van gezamenlijke religieuze waarden met Oosterse culturen, en tegelijkertijd ook het wijzen op fundamentele verschillen, wekt wederzijds vertrouwen en verdraagzaamheid.

Voor mijn ogen voltrekt zich hoe een goed advies Idenburg een eeuw geleden gaf. Twee vrouwen van verschillende leeftijd en andere cultuur, verbonden aan een infuus gaan nieuwsgierig een echt gesprek aan, waarin herkenning en verschil mogen zijn, echte vragen niet uit de weg gegaan, en respect niet de kleur van onverschilligheid heeft, maar van verdraagzaamheid. Ik heb inderdaad de mooiste baan in het ziekenhuis.

 

Margriet van der Kooi is geestelijk verzorger in het Zuwe Hofpoortziekenhuis en het regionaal psychiatrisch centrum in Woerden