'Het kerkelijk bedrijf kraakt in zijn voegen'

De dominee preekt wel, maar komen zijn woorden nog over, landen ze in de wereld van zijn hoorders? In de serie De nieuwe dominee stelt Arjan Plaisier dat de tijd waarin het woord dominant was, aan het voorbijgaan is. Wat betekent dat voor de preek? CW onderzoekt de valkuilen en mogelijkheden voor de toekomst in een serie interviews over ‘de nieuwe dominee’. Vandaag deel 3.

‘Het huidige protestantisme zit in de gevarenzone’, schreef Arjan Plaisier, oud-scriba van de PKN, tegenwoordig missionair predikant in Apeldoorn, in het blad Wapenveld.
‘De eeuwen van de interpretatie en de hermeneutische theologie zijn aan het voorbijgaan’. Maar een Sombermans is Plaisier allerminst. “Het orthodoxe protestantisme heeft alles in huis voor een doorstart.”

U pleit voor een ‘nieuwe directheid’ in de verkondiging. Betekent dat meer evangelicale radicaliteit en minder nuance en zorgvuldigheid?
“Als kerkgangers aangeven dat ze het evangelie in ronde woorden willen horen dan zijn predikanten er als de kippen bij om te zeggen dat ze ervoor zijn opgeleid het Woord genuanceerd te brengen. Terecht. Maar laten we ook niet te gauw concluderen dat de gemeente louter bestaat uit simplisten, die hapklare brokken willen.
Kan het zijn dat er een culturele kloof ontstaat? Predikanten maken deel uit van de lees- en reflectiecultuur. Wij zijn gepokt en gemazeld in de republiek van de letteren. Die republiek heeft het zwaar, met simplisme, populisme, met de ideologisering van het leven.
Voor veel kerkgangers is die republiek passé, door de social media en de beeldcultuur. Het levensgevoel maakt het niet makkelijk contact te houden met de boodschap van de kerk. Dan loop je als predikant de kans dat je afzwaait in een ‘evangelische’ richting of naar een soort ‘praktisch christendom’.”
U zegt eigenlijk: wen er maar aan. Het hangt van het aanpassingsvermogen van de prediker af, om de diepgang en complexiteit van het christelijk geloof te vertalen naar de eenvoud.
“We hoeven niet onze huid af te stropen. Maar we kunnen er niet omheen dat de gemeente van karakter en samenstelling is veranderd. Niet overal even ingrijpend, maar het is wel de trend. Je kunt vandaag niet hele verhandelingen gaan houden over de tekst, de achtergrond en de verbanden.
Waarmee niet gezegd is dat je dan maar moet kiezen voor een aanpak van ‘grote stappen, gauw thuis’. De spanningsboog van de hoorder is korter, het lontje ook. Als predikant kan ik niet klakkeloos meegaan met de beweging in de cultuur, maar ik heb wel mijn hoorders serieus te nemen. Dat betekent niet: simplisme, maar wel: dit is het Woord van de Heer dat ons vandaag wordt opgelegd. Daarvan ben ik de dienaar.”

Nu bent uzelf goed in staat een meeslepend verhaal te houden voor mensen met een kort lontje en korte aandachtsspanne. Waarom kiest u daar niet voor?
“Als het goed is, is een preek altijd een meeslepend verhaal. Het is geen mitrailleursalvo, dat je de kerk in knalt. Het is een vertoog, een discours; een verhaal dat raakt. Maar je moet je realiseren dat het verhaal landt in een heel andere kring van hoorders dan pakweg 30 jaar geleden.”

Maar we betreden in de kerk een andere wereld. Een wereld waarin God Zelf het woord neemt, is toch een andere, vreemde wereld?
“Natuurlijk gaat het om God. Hij is cultureel gezien passé, ook voor de kerkmens. Maar in de kerk gaat het erom dat we binnenkomen in de wereld van God, in God zelf. De hamvraag is: hebben we nog een thema? Of zeggen we: hier heb je de Schrift en daar het alledaagse leven en daartussen moet de predikant bemiddelen; maar wat de Schrift dan precies zegt, wisselt nogal.
De hermeneut probeert die twee werelden met elkaar te verbinden. De hoorder moet binnenkomen in de wereld van de Bijbeltekst. Omgekeerd probeer je de wereld van de Bijbel te laten raken aan het leven van nu. Dat is allemaal niet fout. Maar waar gaat het allemaal over? Gaat het uiteindelijk over God, over Jezus Christus, over het eeuwige leven… of kunnen we dat niet meer zeggen?
Augustinus stelt allereerst die vraag: waar gaat het christelijk geloof over? Je kunt zeggen: lees je dan niet door de ‘bril’ van een voorgegeven samenvatting? Dat gevaar is reëel. Maar het omgekeerde is ook een groot gevaar: de Schrift uitleggen zonder heldere visie op de kern van het christelijk geloof. Dan kunnen preken nog zulke leuke, interessante en herkenbare betogen zijn, maar dan zijn ze niet meer dan dat.
We moeten ons in de kerk realiseren dat we onderdeel zijn van de openbaring van God in deze wereld, die zijn summum heeft gevonden in Jezus Christus. Daarmee staat of valt alles. Als dat niet meer aan de orde komt, dan verdampt de substantie van het geloof. Je kunt wel Bijbelverhalen vertellen - die zijn inderdaad goed - maar er moet ook een gedeeld besef zijn van het geloof van de kerk van alle tijden en plaatsen. En daarin gaat het over God, de Schepper, de Verlosser, de Voltooier.”

Je kunt in elke tekst wel iets vinden dat interesse kan wekken of hoorders kan raken. U zegt: het gaat om de beleving van de werkelijkheid van God. Hoe belemmeren we nu die werkelijkheid?
“Dat heeft te maken met diepe verschuivingen in de cultuur. Luther maakte nog deel uit van een objectieve cultuur. Maar de manier waarop God werkt, kwam niet meer tot uitdrukking in de vastgekoekte rituelen van toenmalige Rooms-Katholieke Kerk. Luther breekt met die praktijken, maar niet met de objectiviteit van God. Hij zei: God werkt nu via het gesproken woord, in gewone taal. De predikant legt de woorden van God op de ziel van de mens. Het gaat er om dat je je als hoorder daaraan toevertrouwt.
Wij zitten vandaag in een totaal andere situatie, wij beschouwen de werkelijkheid vanuit onze subjectiviteit. Dat is het gevolg van de salto mortale die in onze cultuur heeft plaatsgevonden. Daar kun je allerlei verklaringen voor vinden. Waarschijnlijk is één daarvan dat de objectiviteit werd gespleten in diversiteit en pluriformiteit. Wat was nu de goede kerk? De Rooms-katholieke of de protestantse, de gereformeerden of de lutheranen? Dat heeft tot confessionalisme en godsdienstoorlogen geleid.
De Verlichting bracht de ‘oplossing’ door primair uit te gaan van de ratio. En dan vinden we het wel oké dat we zo nu en dan nog wat meekrijgen van christendom, Bijbel, normen en waarden. Die positie is ons lot, zou ik bijna zeggen. Maar met die subject-houding zitten we tegelijkertijd zó fout. Want niet wij doen aan God, maar God doet aan ons. Wij zijn niet bezig met een stukje zingeving, God werkt aan ons, Hij is bezig om ons ‘om te turnen’, tot onderdeel van zijn werkelijkheid.
We zitten allemaal gebakken aan die subject-positie en dat gaat ons niet in de kouwe kleren zitten. In dit verband kan het sacrament veel directere taal spreken. Je wordt gedoopt. Je gaat onder in het water. Daarin dien je te sterven en op te staan. In brood en wijn ontvang je Christus zelf en word je ingelijfd in Zijn lichaam.
Woorden hebben veel meer rek- en speelruimte dan de sacramenten. Woorden zijn nodig, maar ze kunnen ook vervliegen in overwegingen, gezichtspunten. Is er nog iets voelbaar van urgentie? Staat er iets op het spel?”

Waar is de dragende werkelijkheid van God? Is die er wel?
“Er leeft wel een verlangen naar God. Men wil geen gepalaver, het moet wel persoonlijk zijn. Het moet ook wel over Christus gaan. Het is bijna als in de tijd van de Reformatie. Het hele kerkelijke bedrijf kraakt in zijn voegen en daar sta je dan, om onder een open hemel vertolker te zijn.
Na de Reformatie is wel snel weer een nieuwe kerkelijke cultuur gecreëerd, en dat was maar goed ook. Alleen de retorica van Luther had het ook niet uitgehouden. Er ontstond daarom heel snel een resocialisatie. De verkondiging van het woord functioneert binnen de liturgie, met de sacramenten, een kerkenraad, een kerkcultuur.
Vandaag lijken we weer een stap verder te gaan. Alsof er weer een kerkelijke cultuur afbrokkelt en verdwijnt. Dan blijft de eenzame verkondiger over. Of kerkgangers zoeken het in de muziek. Bij die eenzame voorganger denk ik aan uitzendingen van Family7. Een man op een podium, met een grote bijbel in de hand. Er moet een ‘gemeente’ bediend worden, zonder enige liturgische context. Alles hangt af van de kwaliteit van die prediker.
Een andere mogelijkheid is dat kerkgangers kiezen voor het event, de conferentiecultuur van There is more, Opwekking, enzovoorts. Grote bijeenkomsten met een quasi-liturgische context. Het is zoeken naar iets nieuws, omdat de kerkelijke liturgische context te doods of afgebladderd is. Dan moet het event een belevingskick gegeven.”

We moeten dus terugkeren, maar waarnaartoe?
“Back to basics. Na alle naoorlogse golfbewegingen - maatschappijkritische theologie, missionaire theologie - is het tijd terug te keren. Het mooie is dat wij niet steeds alles opnieuw hoeven uit te vinden. We kunnen terugvallen op het credo, de sacramenten. We kunnen leentjebuur spelen in het grote huis van het christendom. Bij katholieken met hun eerbied voor de hostie, bij Oosters-orthodoxen met hun hemelse liturgie, bij pentecostalen met hun ervaring van de Geest.
Wij protestanten, met onze lange traditie van Schriftuitleg, hebben het in deze tijd moeilijk. Maar een terugkeer naar het bijbels abc kan loei-spannend zijn. De kosmische Christus die tegelijkertijd innerlijker is dan je meest innerlijke gedachte. Hoe boeiend is dat? Het gaat om het oude en altijd weer fascinerende: de openbaring van God. Het is groots, overweldigend, hartverscheurend, je gaat er aan kapot en je staat erin op. Dat verzin ik niet - het is het bijbels abc.”

Hier wilt u naar toe, deze verfrissende herontdekking…
“Ja, voorbij de problematisering. Problematiseren is eigenlijk pogen om nog te redden wat er te redden valt. Het is een ervaring die God zelf geeft, want wij problematiseren ons suf. Tot het bevrijdende doorbreekt, dat groter is dan ons hart en ons denken.”

Kun je dat bijbels abc inoefenen?
“Ja, het is een inoefenen. Niet voor niets is leerling-zijn vandaag weer ‘in’. Dat betekent ook: we houden nu eens even onze mond, we gaan het weer leren. Het is te groot voor ons om het te benoemen. Het omvat ons, want Gód wil wat met ons. We worden weer ingewijd in dit leven met God.
Je merkt het ook aan de belangstelling voor het monastieke, en het devotionele: laten we eens ophouden met praten. Ik vind Hem voorbij woorden. Ik liep buiten - zoals Augustinus zegt - en U was al binnen. We hoeven niet iets af te dwingen of te bezweren. Het is ook niet hopeloos: God blijft de Schepper, Hij is diep verbonden met ons leven, Hij heeft ons al omarmd in Christus, dat is een breed-katholieke gedachte.”

Kun je nog wel met frisse ogen de Schrift lezen? Daar zitten toch interpretaties en tradities tussen?
“Dat is ook zo. Het heeft ook soms te maken met bijziendheid. En met de doorbraak van het echte zicht: maar wacht eens, achter die tekst zit de levende God die wat met ons, met deze wereld aan het doen is.”

En dan gaat het erom dat de predikant zijn/haar rol als bemiddelaar serieus neemt.
“Je doet je naam eer aan: Verbi Divini Minister, dienaar van het Woord.”

Daar zit wel een spanning in: Je wilt jezelf uit het centrum hebben, tegelijkertijd heb je als predikant een belangrijke functie.
“We leven in een expressieve cultuur. Daar kun je niet omheen. Maar het begint en eindigt niet met onze expressiviteit, of onze interpretatie. Ik wil niet met een grote armzwaai alles van tafel vegen. Laat me er nog iets relativerends aan toevoegen: de preek is ook niet alles, hè. Het is de grandeur en misère van het protestantisme.
Je ontmoet weleens mensen die meer dan duizend preken hebben gehoord en daar niet heel veel splendids van terug weten te geven. Duizend preken! Wat is er dan niet over je uitgestort? En het lijkt van hen te zijn afgegleden als water van een eend. Sla de preek dus niet te hoog aan.”

Je voert een pleidooi voor nieuwe verhoudingen: Gods werkelijkheid is stabiel, groter dan we denken. Wij zijn afhankelijk van die werkelijkheid. Als wij denken het in de vingers te hebben, glipt het er doorheen.
“Heil geschiedt alleen als het van de andere kant komt. Goede theologie begint met het grote verhaal, het visioen, het zien van de dansende sterren. Theologie komt voort uit sterke bindingen. Aan Christus en aan het geloof van de kerk.”

U kunt dat zeggen, vanwege uw kennis van de grote traditie: Augustinus, Newman, en zo meer. U hangt aan de rekstok en u zwaait soepel van de ene theologische reus naar de andere. Anderen moeten dat leren. Want zijn we dat niet aan het kwijtraken?
“Ja, daar moeten we alert op zijn. Want in en door al die grote namen uit de traditie heeft Christus gewerkt. In de grote spirituele, liturgische en homiletische traditie van de kerk. In de grote intellectuelen en de stille devoten. We hebben schreeuwend behoefte aan de schatten die zij hebben nagelaten.”


Arjan Plaisier was een van de sprekers op de IZB-studiedag ‘Verlossende woorden spreken’.

tekst Kees van Ekris en Koos van Noppen, beeld Koos van Noppen