‘Een religieus perspectief kan boeren helpen tegenwicht te bieden aan het winstdenken’

Jack Steeghs is pastor en opbouwwerker in in Wijchen. Hij werd bekend als de ‘boerenpastor’, gaat als zelfstandig theoloog bij boeren langs en roert zich soms in de media om commentaar te leveren op actuele ontwikkelingen. Een interview over winstdenken, duurzaamheid en religieus perspectief.

 

tekst Nels Fahner, beeld Matthias Zomer

 

Steeghs kent het boerenbedrijf van binnenuit: hij is boerenzoon en zelf varkenshouder geweest. Volgens Steeghs zet het gebrek aan toekomstperspectief veel boeren en hun gezinnen onder grote druk. Tegelijkertijd praat men daar niet graag over.
“Er zit iets in de mentaliteit van agrariërs dat hen trots maakt. En terecht. Ze werken hard, ze doen veel goed en zijn vaak succesvol. Maar het is ook een lastige tijd, zeker nu supermarkten de prijs bepalen.”
Naast zijn baan van 24 uur bij een parochie brengt Steeghs de problemen van boeren onder de aandacht van media en andere organisaties. “Er is heel veel verborgen eenzaamheid. De meeste boeren praten daar niet gemakkelijk over. Voorheen werkte ik naast mijn zzp-bedrijf als boerenpastor ook als opbouwwerker in ’s Hertogenbosch. Nu heb ik een nieuwe baan in een parochie op het platteland, en kom ik als pastor makkelijker aan tafel”.
Als varkenshouder was Steeghs een vernieuwer. “Ik wilde al jong goed gezonde varkens en liep veel rond in de stallen om het gedrag van de varkens te observeren. Ik haalde de veearts erbij en maakte regelmatig rondes met hem.”
De vruchten van die gerichte aandacht bleven niet uit. Het medicijngebruik nam flink af en zijn varkens groeiden beter, vertelt Steeghs. “Ik kreeg de smaak te pakken, maar bedrijfsvoering sturen op basis van technische resultaten deden veel collega’s toen nog niet. Ik kon mijn ervaringen niet delen met anderen.”


Verdubbelen


Er waren een paar redenen waarom hij stopte, vertelt Steeghs. “Ik besefte dat er voor mijn bedrijf geen groei in zat. Bovendien had ik een paar jaar meegedaan aan een project met een supermarkt, om het medicijngebruik terug te dringen. Dat werd zonder overleg stopgezet.”
Een andere teleurstelling was dat er geen animo bij collega’s bleek te zijn voor een gezamenlijke solidariteitspot.
“Varkenshouders kun je onderverdelen in vermeerderaars en vleesvarkenshouders. Soms zie je beide takken in één bedrijf. Het kan zijn dat een zeugenhouder - de eerste categorie - te weinig verdient terwijl het de vleesvarkenshouders zeer voor de wind gaat. Wij lieten een enquête uitgaan om te kijken of er interesse was voor een gezamenlijke stroppenpot. Maar bijna niemand wilde dat, want de prijs was weer iets omhoog gegaan. Toen knapte er wel iets bij mij. Het was heel erg ‘ieder voor zich en God voor ons allen’.”
Daarnaast ging de druk het bedrijf voortdurend te laten groeien hem tegenstaan. “De risico’s worden op het bordje van de boer gelegd. Dat was uiteindelijk de reden dat ik gestopt ben met het boerenbedrijf dat ik van mijn ouders had overgenomen. Dat was in 1998. Ik wilde niet steeds weer verdubbelen, dat werd te riskant.”

 

Opvolging

 

“Ik voelde dat het geen makkelijk gesprek zou worden en dat is ook uitgekomen. Ik besefte dat het niet als een vraag moest brengen. Dan wist ik het antwoord wel: nee. Ik heb hints gegeven, maar er ontstond geen gesprek. Het ligt zo gevoelig, de opvolging, en ik was ook nog eens enig kind. De eerste maanden daarna hadden mijn ouders het er moeilijk mee, daarna hebben ze het geaccepteerd en nu is de verhouding prima.”
Als je wilt investeren sta je als boer altijd op een kruispunt, vertelt Steeghs. Er is de druk van de tijdgeest, van collega’s. En ondertussen is het heel erg ieder voor zich. “Of het zo gevoeld wordt, hangt van de fase af waarin een boer verkeert. Er zijn ook boeren die uitgekocht worden omdat er ergens een woonwijk of snelweg moet komen. Dan ben je in één keer, plat gezegd, miljonair. Dan kun je je bedrijf elders weer opzetten. Dat is mooi, maar het vertekent het beeld.”
Statistisch leeft ongeveer de helft van de boeren onder de armoedegrens, weet Steeghs. “De meeste boeren kunnen best één of twee jaar armoede hebben.” Maar boeren  zijn wel kwetsbaarder dan andere ondernemers. “Ze vallen niet onder het mkb. Ze kunnen niet zelf hun prijs bepalen. Als ze dat gezamenlijk zouden doen, worden ze teruggefloten door de kartelwaakhond. Dat is dus ingewikkeld. Dat hangt samen met de geschiedenis van de beroepsgroep.”

 

Taboe

 

‘Boeren hebben het zwaar, maar lijden in stilte’ was laatst een kop in De Correspondent. Dat artikel gaat over de theatervoorstelling Maalkop, over een boer die een einde aan zijn leven maakt maar daarvóór nog een monoloog houdt tegen een koe.
“Veel boeren lijden inderdaad in stilte, dat klopt. Wat het extra moeilijk maakt, is dat dé boer, dé tuinder niet bestaat. De problemen zijn sterk afhankelijk van de context. In welke sector werkt hij of zij? Heeft hij een gezin of niet? In welke fase van zijn carrière zit hij? Dat maakt allemaal heel veel uit.”
Grote organisaties zoals de LTO zijn erg verzakelijkt, signaleert Steeghs. Er zijn wel allerlei overlegclubs die gericht zijn op groei, op technische verbetering of ondernemersvaardigheden. “Een boer kan wel sparren over bedrijfsproblemen, maar als hij lijdt onder eenzaamheid en de weg kwijtraakt in het leven, dan is daar geen ruimte voor. Het is zo’n gigantisch taboe om het over persoonlijke problemen te hebben.”
Dat taboe merkte ook onderzoekster Lizzy van Leeuwen, die het boek De hanebalken. Zelfmoord op het platteland schreef, over het hoge aantal zelfmoorden op het boerenerf.
Steeghs heeft met haar contact gezocht, vertelt hij. “Interessant aan haar boek is dat de eerste helft gaat over de moeite die zij als stadse onderzoekster moest doen om dit onderwerp ter sprake te brengen. In Nederland wordt de reden achter suïcide niet geregistreerd. Toch is het aantal zelfmoorden in de agrarische sector veel hoger dan in de stad. Als er een boer een poging onderneemt, lukt het meestal.”
Steeghs heeft het gelukkig niet van nabij meegemaakt. “Via anderen heb ik wel verhalen gehoord. Maar dit is omgeven met veel taboes. Het is heel moeilijk daarover in gesprek te gaan.”

 

Solidariteit

 

In het toneelstuk ‘Maalkop’ wordt de boer geplaagd door kopzorgen, onder meer door de problemen met de bank.  Steeghs: “Natuurlijk spelen schulden een rol. Denk maar aan de glastuinder die moet kiezen: óf afbouwen of nog één keer verdubbelen met zijn bedrijf. Daar was pas een documentaire op televisie over. Het was misgegaan, het bedrijf was failliet en de man woonde in een rijtjeshuis. Opvallend was de zakelijke reactie van de Rabobank: ‘dat zijn nu eenmaal de risico’s’.”
De bank hanteert jegens de boeren een solidariteit onder voorwaarden, signaleert Steeghs. De bank wil zwakkere boerenbedrijven alleen helpen als daar voordelen bij de sterke bedrijven tegenover staan, merkte hij. “Dat is wat anders dan de Bijbelse solidariteit. Solidariteit in de seculiere geest is: ik geef als jij mij wat geeft. Maar in de christelijke traditie betekent solidariteit dat je geeft omdat eerder aan jou is gegeven. Daar hoef je niets voor terug.”
In onze kapitalistische samenleving is dat besef weggezakt, weet Steeghs. “Dan is het dus lastig met mensen die daar van huis uit niets over meekregen het gesprek aan te gaan.”

 

Zandgrond

 

Sinds de Tweede Wereldoorlog is de landbouw een verdienmodel geworden. Terwijl dat eigenlijk niet past bij de aard van het boerenbedrijf. Steeghs: ”Voor mijn opa en de generaties voor hem was het boerenbedrijf een manier van leven. Hij was een keuterboer. Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de jaren zestig kwam de schaalvergroting op gang. 1968 was een sleuteljaar, denk ik. Het was niet alleen het jaar van de seksuele en de burgerlijke revolutie, vanaf dat moment verzakelijkte het boerenbedrijf. ”
Vanaf de negentiende eeuw zorgden coöperaties voor de randvoorwaarden: als verzekeringen en melkfabrieken. “Vanaf de jaren zestig gingen die instituties commercieel denken en schaalvergroting stimuleren. Mijn voorouders waren zandboeren. Zand is arme grond. Vandaar dat de intensieve veehouderij in Oost-Brabant snel opkwam”.
Boeren gingen veel meer varkens houden, geholpen door de mechanisatie. “Er konden veel grotere stallen komen. Dat voltrok zich allemaal binnen een paar jaar. Rond 1970 is er een saneringsronde geweest - nog voor mijn tijd - waarbij een aantal boeren zijn afgehaakt. Andere boerderijen, zoals dat van mijn vader, zijn opgeschaald.”
Veel boeren voelden zich niet thuis bij de gedwongen schaalvergroting, vertelt Steeghs. “Maar er zaten ook echte ondernemers tussen. Die gingen iedere paar jaar verdubbelen en waren midden jaren ‘80 schatrijk. In die centrifugale kracht ging iedereen mee, van varkenshouderijen in Oost-Brabant tot de Gelderse Vallei. Het was een nieuwe tijd, een tijd van optimisme.”
In 1972 kwam ook het rapport van de Club van Rome uit. “Wat daarin stond, wilde niemand horen. Varkensboeren gingen gewoon door met steeds meer stallen bijzetten.”

 

Abraham

 

Veel van de huidige problemen zijn dus in de afgelopen veertig jaar ontstaan. Wat is er nodig om het tij te keren? “Er hoeft niet van bovenaf van alles worden geroepen. Er is inlevingsvermogen van onderop nodig. Informele netwerken die onbaatzuchtig bereid zijn boeren te helpen, die tegen het winstdenken ingaan. Ik zie ook een rol en een opdracht voor kerken. De Bijbel is een heel aards boek.”
En het gaat ook over sociale rechtvaardigheid, zegt Steeghs. “Ik heb geprobeerd dat aan te kaarten bij de Rabobank, bij de LTO, maar die  staan allemaal in de overlevingsstand. Pas had ik een gesprek met een wethouder. Ik heb hem geadviseerd: kies één dorp uit en begin een bezoekproject. Bezoek er alle boeren. En begin dan niet met een vraag over iets dat je in de media hebt gehoord over hun problemen. Maar je kunt wel naar hun verhalen luisteren, misschien mensen bij elkaar brengen. God begon ook niet bij de hele wereld, hij begon bij één volk. Bij één persoon zelfs: Abraham, en hij liet hem de sterren zien. Daar geloof ik in, in die benadering. Als je meteen een groot plan uitrolt, gaan de hakken in het zand.”
Niet lang geleden presenteerde minister Schouten van Landbouw haar visie. Wat verwacht hij van de landbouwplannen van de minister?
“Ik volg het op hoofdlijnen, niet in detail. Zij is natuurlijk gevraagd beleid uit te zetten dat voortbouwt op dat van vele voorgangers. Je merkt wel dat haar boerenafkomst heel goed valt bij boeren. Maar haar rol wordt ook overvraagd. Tot 1994 was de minister van Landbouw zo ongeveer de spreekbuis van boeren. Bij de paarse kabinetten is een kentering gekomen. Toen kregen we voor het eerst een minister van D66-huize, Brinkhorst.
Het is positief dat er nu weer een apart ministerie van Landbouw is, en dat de minister iemand is die het snapt. Maar zoals ik al zei zit de hele landbouworganisatie in een overlevingsmodus. Ik hoop dat het lukt om menswaardigheid wat meer in het spel te laten meespelen. Het is nu hartstikke zakelijk allemaal.”
De boer is geen BV, het voor- en het achterhuis zijn met elkaar verbonden, dat loopt allemaal door elkaar. Bovendien: een boer werkt met levende dieren en planten die een beperkte houdbaarheid hebben. Dat is heel kwetsbaar.”
Steeghs denkt dat kerken een rol kunnen spelen in het organiseren van steun van onderaf. Hij werkt daartoe bijvoorbeeld samen met Jacobine Gelderloos, die onlangs promoveerde op plattelandskerken. “Ik werk vooral in een katholieke context. Sommige pastoors zijn boerenzoon, die hebben nog wel affiniteit met landbouw. Maar anderen hebben het al druk met de problemen van gewone gemeenteleden. Extra aandacht voor boeren en hun gezinnen is dan gewoonweg niet haalbaar.”

 

Hoop

 

Kort nadat hij besloot niet verder te boeren, ging Steeghs  theologie studeren. Wat betekent hoop in zijn werk? “Hoop houdt je gaande. Als iemand geen hoop meer heeft, kun je dat in zijn ogen lezen. Dan mag er een traan vallen. Anders kom je niet bij je eigen diepere laag. Soms lijkt de situatie inderdaad uitzichtloos. Dan probeer ik met meerdere mensen te bekijken hoe het verder moet.”
Juist het religieuze perspectief kan boeren helpen tegenwicht te bieden aan het winstdenken. “In de landbouw gespecialiseerde coaches doen heel goed werk. Maar boeren en tuinders zijn voor hen ook een verdienmodel. Zij bereiken vooral kapitaalkrachtige boeren. Die hebben dan een conflict met de buren dat ze willen oplossen, of ze willen hun ondernemersvaardigheden vergroten. Maar een grote groep wordt niet bereikt.”
Er zijn kleinschalige netwerken nodig, vindt Steeghs. “Ik probeer mensen wel praktisch te helpen, maar ik weet natuurlijk ook niet alles van de recente ontwikkelingen. Dat hoeft ook niet, is mijn ervaring. Het gaat om de vragen erachter. Waarom automatiseert een boer alles? Waarom mijdt hij samenwerking?  En dan krijg ik natuurlijk wel bijna altijd vragen terug: hoe zat dat dan bij jou? Dan is mijn achtergrond als boer wel winst natuurlijk.”

www.vroedman.nl