'Dominee verdient menselijke maat'

‘Het ambt van predikant is aan herziening toe’, hoor je regelmatig. Waar gaat het dan precies mis? Klopt het dat predikant een eenzaam beroep is, en wat heeft dat voor invloed op de slagkracht van de kerk? CW onderzoekt de valkuilen en mogelijkheden voor de toekomst in een serie interviews over ‘de nieuwe dominee’. Vandaag deel 1: Alex Boshuizen.

Dominee Gert Hutten was er duidelijk over, onlangs in het blad OnderWeg (www.onderwegonline.nl): ‘Eigenlijk geloof ik er niet meer in, in dominee-zijn op die manier. Het is gewoon niet te doen. Op een gegeven moment had ik zes begrafenissen achter elkaar, waaronder kinderen. En dan moet ik gewoon doorknallen ofzo? Net doen of het geen pijn doet? Wat een onzin! Toen ik bij de huisarts kwam, zei hij: ‘Dit is belachelijk. Als ik een kind begeleid bij het sterven, staat er een team collega’s voor me klaar, hebben we intervisie en alles.”

Het blad OnderWeg interviewde Hutten, parttime dominee in een Gereformeerde Kerk vrijgemaakt in Arnhem, en daarnaast directeur van de christelijke organisatie Tot Heil Des Volks.

Hij heeft het met zijn twee banen minder druk dan toen hij nog fulltime predikant was, zegt hij in hetzelfde interview. En minder eenzaam vooral. ‘Ik merk, wanneer ik open ben naar collega’s, dat bijna iedereen die eenzaamheid herkent.’

Hoog tijd eens te onderzoeken waar de knelpunten zitten en wat de gevolgen zijn voor de kerken van eenzaamheid bij predikanten. Is dat misschien waarom de ambten in de kerk zo impopulair zijn?

Alex Boshuizen is coach en parttime predikant in de Nederlands Gereformeerde kerk van Heemstede.

Boshuizen coacht onder meer beginnende predikanten. Wat vinden zij het moeilijkst aan het vak?

“De drukte. Je wordt van het ene op het andere moment ondergedompeld in de drukte en de verantwoordelijkheid. In de opleiding die ik ken, de Nederlands Gereformeerde predikantenopleiding, is wel een verbeterslag gemaakt. Studenten doen nu al tijdens hun studie ervaring op in pastoraat. In mijn tijd kon je in theorie afstuderen zonder ooit één pastoraal gesprek te hebben gevoerd. Dat vind ik nog steeds belachelijk.  Nu worden studenten veel beter voorbereid op de praktijk. Ook is er meer aandacht voor persoonlijke vorming. Vooraf moet je wat over jezelf weten: wie ben ik? Wat vind ik belangrijk? Wat zijn de valkuilen van mijn persoonlijkheid?

Je moet in ieder geval zorgen dat je je tijd afbakent. Ik merk dat beginnende predikanten een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Ik zag pas dat een collega zijn mail had uitgezet, omdat hij ziek was. Maar hij mailde wel: kan iemand dan en dan voorgaan? Ze zeggen niet: ik ben ziek dus nu kan ik even helemaal niets meer.”

 

In een interview in Onderweg zegt Hutten over het predikantschap: 'Het is een functie die eenzaam maakt'.

“Die eenzaamheid hangt ermee samen dat alle verbanden door elkaar lopen. Vriendschappen, je sociale leven, maar ook je professionele leven: alles loopt doorelkaar in de kerk. Daarbij komt dat het vak vraagt dat je je als geestelijk leider profileert. En tegelijkertijd werk je met mensen die mogen rekenen op absolute vertrouwelijkheid. Ik denk weleens: dat is eigenlijk bezopen.

Vroeger zeiden predikanten: ‘Je moet in de kerk absoluut geen vrienden hebben. Dat gaat altijd mis’. En dat terwijl een belangrijke reden om je aan te sluiten bij een gemeente is, dat je daar vrienden hebt. Wij hebben wèl het risico genomen vriendschappen aan te knopen in de kerk, je werkt er 60 uur en je hebt geen tijd voor andere vrienden. De klassieke manier waarop predikanten werken is heel veeleisend en druk. Maar ik heb het al lang geleden zo georganiseerd dat die druk ervan af is.”

 

Vakantie

Hoe is dat zo gekomen? In zijn eerste gemeente werd hij ondergedompeld in het werk, vertelt hij. “Na een jaar zei ik: twee preken per week, dat ga ik niet redden. Ik heb dat toen onderhandeld naar anderhalve preek per week, de rest van de diensten ruilde ik. Ik herinner me uit die tijd dat ik een keer op vrijdagmiddag al klaar was met mijn preken. Dat voelde als vakantie. Ik werkte toen zes dagen, en doordeweeks altijd drie dagdelen. Het was belachelijk maar ik deed het wel.”

Hij werd dan ook zo moe dat hij niet meer kon. “Daar heb ik veel van geleerd. Ik heb geleerd te kijken naar wat ik - met wie ik ben - nodig heb om gezond te blijven. Dat is natuurlijk een minimum.

Ik herinner me dat ik last had van mijn nek. De fysiotherapeut vroeg hoe lang ik dat al had. Een half jaar, zei ik. ‘Het zit een beetje vast.’ Een beetje?’ zei de fysiotherapeut. En ook toen ik haar na de vakantie sprak: ‘je hebt nu een week aan je herstel gewerkt. Nu heb je een week vakantie nodig’. Pas later zag ik in dat ze gelijk had.”

 

Taakopdracht

Boshuizen: “In Oegstgeest, mijn tweede gemeente had ik het geluk dat ik een voorzitter van de kerkenraad trof, die mij vroeg waar ik van oplaadde. Af en toe een paar dagen stilte, zei ik. ‘Dan zetten we dat in je taakopdracht’, zei hij. Ik denk dat weinig gemeentes dat zeggen: wij willen dat je eens in de zes weken een halve week stilte neemt.”

Toen de gemeente groeide, nam ook het werk toe. “Ik ben toen strakker aan vakanties gaan vasthouden. Bij vakanties regelde ik, ook als ik thuis was, vervanging voor het geval van een begrafenis.”

Een aantal jaren geleden ging hij een stap verder door een coachpraktijk te beginnen. Daarmee creëert hij nu zelf de nodige ruimte. “Nu werk ik nog voor 60% als gemeentepredikant en voor 40% in de coachingspraktijk, samen met mijn vrouw. Dat heeft als voordeel dat ik in de zomermaanden maar voor 60% hoef te werken. Voor de rest loop ik dan wat omzet mis, maar dat is dan jammer. Ik kan nu ook zeggen: woensdag ben ik klaar met de preek, en ik ben donderdag, vrijdag en zaterdag weg. Wat ik ook weleens doe.”

Boshuizen: “Wat mijn weekschema betreft ben ik ook  laconieker geworden. Bij een begrafenis is het nu zo dat ik mijn agenda leegmaak. Dat doen weinig collega’s, die hebben het dan gewoon even heel veel drukker. Maar ik merk dat iedereen het begrijpt als ik het uitleg dat ik een uitvaart heb. Dus dan ben ik die week even niet bij die commissievergadering.”

In het interview in Onderweg geeft Gert Hutten het voorbeeld van een moment dat hij zes begrafenissen achter elkaar had, waaronder kinderen. En dat er achteraf geen intervisie was.

Boshuizen: “Dat is er inderdaad niet als je het niet zelf regelt. Dat is een belangrijke les. Dat je heel bewust keuzes moet maken om je eigen ruimte te scheppen.”

 

Stress

Kun je een burn-out aan zien komen?  “Je kunt het aan zien komen als je weet waar je op moet letten. Maar meestal is het te laat. Ik had een keer een collega aan de telefoon, hoorde zijn verhaal en ried hem aan om meteen zijn huisarts te bellen. Hij vond het niet zo nodig. ‘Je moet het nu doen!’ zei ik. Hij belde me later terug en zei: ‘Moet je horen! Hij wil dat ik onmiddellijk stop!’ Hij was daar heel verbaasd over. Je kunt het voor jezelf heel lang niet zien.”

Boshuizen ziet overigens stress niet alleen negatief. Het kan ook bijdragen aan goede prestaties. “Dat is ook het mooie van de manier waarop we geschapen zijn. Een mens kan veel stress aan. Er zijn daardoor periodes waarin we veel kunnen presteren. God heeft ons wonderbaarlijk gemaakt. Maar de kick van de prestatie kan ervoor zorgen dat je te lang doorgaat en dat je dan niet anders meer kan dan stoppen.”

Er zijn veel dingen bij een predikant die, in de termen van de managementgoeroe Stephen Covey,  belangrijk zijn én dringend. “Het je kunt bijvoorbeeld wel één keer zeggen ‘het is niet gelukt met de preek’ maar dat kun je niet drie keer achter elkaar doen. En als iemand belt in een crisis, moet je optreden. Als je dat niet wilt, moet je geen dominee worden.”

Dat is een nadeel van het vak, dat er het gevaar is dat je snel veel energie verbruikt. Bij Covey is er ook een categorie zaken waarvan je oplaadt, die belangrijk zijn maar niet dringend. Een goed boek lezen, sporten, zorgen dat je fit blijft. Als je je daarin verdiept hebt, kun je zien aankomen dat het niet goed zit.

“Ik moest zelf door een periode heen van echt niet meer kunnen. Bij mijn eerste gemeente ging het mis, maar ben ik toch weer opgekrabbeld. Toen kreeg ik aan het begin van de tweede gemeente een boost van alles wat nieuw was. Maar na anderhalf jaar kwam de klap alsnog. Toen heb ik bijna een seizoen lang op een heel laag tempo gewerkt. Minder gepreekt, alle avonden vrij gehad. En ondertussen heb ik me bezonnen op de vraag waar dit vandaan kwam.”

 

Stress wordt wel uitgelegd als een onbalans in draaglast en draagkracht. Op welke punten zou de draaglast van een predikant moeten verminderen?

“Dat verschilt per predikant. Volgens mij is dat de grote bottleneck. Na een academische studie is het gewoonlijk zo dat ieder zijn eigen pad volgt: de één duikt bij wijze van spreken in de bibliotheek, en de ander wordt ceo van Shell. Zo zie je dat ieder eigen gaven heeft en een eigen ontwikkeling doormaakt. En de één kan veel meer stress aan dan de ander.

Maar als predikant gaan we allemaal hetzelfde doen. Ik zie collega’s die heel hard werken en bij wie ik denk: je zou niet zo hard moeten werken. Maar bij hen is er misschien niets op tegen is. Dat maakt dat het lastig is het predikantschap helemaal op je persoonlijke maat in te vullen.”

 

Op uw website zegt u wel dat bezinning en verdieping ‘opzienbarende resultaten’ hebben opgeleverd.

“Ja. Ik werk veel met de categorieën van Stephen Covey, die al eerder langskwam in dit gesprek. Veel predikanten besteden een hoop tijd aan dingen die in Stephen Covey’s derde categorie zitten: dringend, maar niet belangrijk. Algemene mailtjes, sociale media. Of je iets daarin wilt veranderen hangt af van hoe je leeft, of wat je belangrijk vindt.

En dan heb je nog de  categorie ‘niet belangrijk, niet dringend’. Daar moet je natuurlijk bij wegblijven. Het kan zijn dat googlet op een bepaalde bijbeltekst en dan twee uur bij een youtubefilmpje blijft hangen. Het is goed om te onderkennen welk probleem daar dan achter zit.

Maar opzienbarend is wat er kan gebeuren als je aandacht besteedt aan dingen die ‘belangrijk, maar niet dringend’ zijn. Voor mij zijn dat de retraites waarmee ik in Oegstgeest kon beginnen. Een collega beschreef eens iets wat hij heel mooi vond om te doen. We zeiden tegen hem: probeer ’t eens. Elke dag een uur. Drie maanden later kwam hij terug en zei: je weet niet wat er gebeurd is. Ik merk dat de voorbereiding van mijn preek sneller gaat, dat ik beter preek, en dat mijn preken beter landen.

Dat kan  van alles zijn - schilderen, muziek maken - als het maar iets is wat je heel erg oplaadt. Maar soms zegt iemand ‘ik ga toch niet midden op de dag schilderen?’.

 

Hangt de stress bij predikanten ook samen met bredere maatschappelijke ontwikkelingen? Jan Martijn Abrahamse promoveerde op een proefschrift met als titel ‘de ontmanteling van de dominee’ Hij pleit  ervoor om terug te gaan naar de kern, woord en sacrament.

“Dat is inderdaad de kern, maar daar hoort wel de dimensie van het pastoraat bij. Anders preek je in de leegte. Als je lekker relaxed in je studeerkamer je preken maakt, loop je het risico dat je het contact verliest. Met mijn parttime aanstelling ben ik niet eindverantwoordelijk voor het pastoraat, maar ik weet niet hoe ik predikant moet zijn zonder pastoraat. En het hoort ook bij mijn rol om aan te schuiven bij bepaalde commissies. Dus in de praktijk komt er veel werk bij. Daar ontkom je niet aan en dat is ook prima.”

 

‘De ontmanteling van de dominee’ klinkt een beetje alsof we af moeten van het traditionele gezag van de dominee.

“Een dominee die uitstraalt dat dat hij of zij alles weet heeft, terecht, geen best leven. Maar het is verwarrend. Op dat gebied zijn allerlei  paradigma’s aan het schuiven. Enerzijds past het in onze tijd dat een predikant net als iedereen aanschuift in de gemeente. Ik vind het bijvoorbeeld ook leuk dat de kinderen in de kerk - terwijl ik toch geen jonge dominee meer ben - me gewoon met Alex aanspreken. Soms is het ‘dominee Alex’ - daar zit al wat meer afstand in.

Dat laagdrempelige past bij onze cultuur. Maar wat daarbij ingewikkeld is, is dat je als je preekt, automatisch de plek inneemt van een geestelijk leider. Dat kun je wel niet willen, maar je bent het gewoon. Als je je geroepen voelt Gods woord uit te leggen, zet je jezelf neer als leider. Onherroepelijk. En als je dan ook nog in de kerkenraad functioneert, ben je medeverantwoordelijk voor beleid. Het venijnige in onze tijd is dat dus je niet per se geestelijk leider bent, maar het wel moet waarmaken.

Dat was 40 jaar geleden anders. Als de dominee even niet zo vaak op pastoraal bezoek kon komen, dan was dat gewoon de predikant. Dat moest hij weten. Dat is nu anders. En dat vraagt andere dingen van een predikant. Ik denk daarom - en dan preek ik natuurlijk voor eigen parochie - dat iedere predikant elke drie jaar door een sessie van supervisie heen moet. Dat je over een langere periode iemand met je mee laat kijken in je werk en in je drijfveren. Zo kun je je motivaties onderzoeken en reflecteren op je onzekerheden en angsten. Reflectie blijkt vaak een krachtig middel; dan kan het zijn dat je dingen opschrijft die je eigenlijk daar helemaal niet wilt hebben staan.

Dus ik zou zeggen: geef iedere predikant de ruimte om goed naar zichzelf te kijken, dit regelmatig te doen, en op tijd te ontdekken waar het eventueel mis gaat. Wat wil je bereiken en wie betaalt daarvoor de prijs?’

 

In hoeverre kunnen predikanten in teamverband werken, op locatie, naar het voorbeeld van een huisartsenpost?

“In principe denk ik dat dat heel goed kan als je bij elkaar in de buurt werkt. Ik weet van collega’s die dat doen met hun preekbespreking. Die zitten één of twee dagdelen samen te studeren. Hoe pak jij die tekst aan? En sowieso doen veel predikanten aan intervisie, dat je op een of andere manier je werkwijze spiegelt aan die van anderen. Dat gebeurt steeds vaker.”

 

Bij intervisie denk ik aan een paar keer per jaar bij een kop koffie een casus bespreken. Wanneer is intervisie genoeg?

“Het is genoeg als je veel discipline hebt, een goede structuur, en je in vrijheid dingen kunt leren. En als de veiligheid absoluut gewaarborgd is.”

 

Nels Fahner