Jezus' goddelijkheid en de wetenschap

Heeft Jezus niet echt bestaan, zoals je wel eens hoort? Onzin, stelt hoogleraar Nieuwe Testament Annette Merz. Maar of Jezus meer was dan alleen mens, valt buiten het veld van historisch onderzoek, zegt zij. En dat verbaast Guus Labooy. Hieronder zijn de artikelen van Labooy en Merz te lezen, met aansluitend een reactie van Labooy.

In het laatste nummer van PThUnie, het lijfblad van de Protestantse Theologische Universiteit, stelt de nieuwe hoogleraar Nieuwe Testament Professor Dr. A.B. Merz zich voor (maart 2016). Zij komt daar met een verrassende invalshoek: ‘Hedendaagse historici, zegt Merz, bezinnen zich op de ethische code voor historisch onderzoek.’ Vanuit deze invalshoek kun je de mensenrechten ook op historische figuren toepassen, zo betoogt zij. En heeft dan niet ook Jezus recht op bestaan? Zo heeft zij zich krachtig in het openbaar uitgesproken rond de kwestie dat Jezus niet bestaan zou hebben. Onhoudbaar, historisch gezien, zegt zij: ‘Doe hem recht!’ Een veelbelovend uitgangspunt!

Als haar dan echter de vraag wordt gesteld of Jezus niet meer was dan alleen een mens, antwoordt zij: ‘Dat is een vraag die buiten de scoop van het historisch Jezus-onderzoek valt.’ Dat roept veel vragen op.

Het staat er terloops, want het artikel is op andere kwesties gericht. Maar zij wekt althans de indruk dat er zo ondertussen wel een ingrijpende beslissing is gevallen. Waarom ingrijpend?

Kernachtig gezegd: zij werkt aan een Protestantse Universiteit en is van daaruit geroepen om het geloof van die kerk wetenschappelijk te bestuderen, te ‘bekloppen’. Het zou natuurlijk erg mooi zijn als de kern van dat geloof daar ook onder valt: dat in Jezus God mens werd. Merz stelt echter dat dit niet tot het historisch Jezus-onderzoek behoort: Het uitgangspunt is dat hij een mens onder mensen was, ‘met alle grootsheid, feilbaarheid en kwetsbaarheid van dien’. Ik vind dit ingrijpend, omdat ze hiermee dus lijkt te stellen dat haar wetenschappelijke arbeid de kern van het christelijk geloof moet mijden, namelijk dat Hij meer was dan dat alleen. Ze wekt daarmee sterk de indruk dat zij zich uitspreekt voor een boedelscheiding tussen geloof en wetenschap, althans op dit kernpunt.

Is het terecht dat ik hier het alom toegepaste uitgangspunt van het methodisch naturalisme beluister? Wat is dat precies? Bij ‘methodisch naturalisme’ worden er uitsluitend natuurlijke oorzaken toegelaten in historisch onderzoek. God wordt dus principieel buiten haakjes geplaatst. Alleen dus natuurlijke gebeurtenissen. Vaak leidt dat tot een boedelscheiding in leven en werken: onze wetenschappelijke arbeid aan de ene kant, ons geloof aan de andere kant.  

Zeker, dit methodisch uitgangspunt is in de huidige geschiedwetenschap dominant. Maar wat als we de ethische code voor het historisch onderzoek ook hier toepassen? Zou je, als er eventueel specifieke daden van God in de geschiedenis zijn, die om ethische redenen niet ook moeten kunnen onderzoeken? En ze niet op methodische gronden buiten haakjes plaatsen? Vanuit een ethische code voor historisch onderzoek zou je toch moeten kunnen onderzoeken of je signalen ziet van dat wonder dat God de ongelofelijke liefde heeft gehad om mens te worden? Hem daarin recht willen doen? Als een historische methode echt ethisch op orde wil zijn, moet zij dan geen openheid hebben voor een dergelijk eventueel gebeuren? Open voor nader onderzoek? Open voor signalen dat er misschien meer aan de hand is? Je zou dan de Opstanding kunnen noemen, maar het bezwaar hierbij is de beperkte lengte van deze reactie. Want ik ben er op tegen dat de Opstanding als een los mirakel ter sprake komt. De Opstanding is ingebed in een hartveroverend en tegelijk bloedstollend verhaal: hoe Jezus alle verwachtingen rond Israël in die tijd samenbalt én op zichzelf lijkt te betrekken. De lijdende knecht, de Koning Messias én de verwachting dat de Heer zélf zal terugkeren naar zijn tempel om Israël te herstellen. Jezus betrekt deze drie strengen op zichzelf, zo lijkt het, en lijkt ze bovendien te betrekken op dat Pascha als Hij de stad in trekt die laatste week. Allemaal signalen dat er meer aan de hand is … Dat in Hem de Heer zélf terugkeert naar Sion? (Jesaja 52, Zach. 8). Mijn punt is: zou je daar methodisch niet open voor moeten staan?

Het kwam allemaal in het bewuste artikel helaas wat terloops aan de orde. Het zou daarom goed zijn als professor Merz zich hier nader over uitspreekt? Daarbij zouden wellicht de volgende punten aan de orde kunnen komen.

Op grond waarvan wordt eigenlijk gesteld dat de scoop niet op de Menswording gericht kan zijn? Is dat een beschrijvende uitspraak? Zo van: het is nu eenmaal zo dat dit tegenwoordig in de wetenschap niet gebeurt? Maar dan is de uitspraak toch feitelijk onjuist? Er zijn toch wetenschappelijke topfiguren volop bezig met historisch onderzoek naar (ook) die dimensie? Ik noem L. Hurtado, N.T. Wright en G.H. van Kooten, bepaald toch geen wetenschappelijke randfiguren.

Haar uitspraak kan ook als een normatieve stelling worden gelezen, gebaseerd op bijvoorbeeld een filosofische overweging, bijvoorbeeld op een beredeneerde erkenning van het methodisch naturalisme. Maar dan is nadere verantwoording van die keuze op zijn plaats. Want het naakte feit dat dit de dominante visie is voldoet toch niet? Zeker niet als door die visie de ethische code geschonden lijkt te worden?

En dan dit punt: stel je onderschrijft Merz’ stelling. Voeg daaraan toe dat we toch altijd menen dat wetenschap zich ook op het belangrijkste in een vakgebied zal willen storten. Loop je dan niet de kans dat je daarmee toch op den duur suggereert dat de Menswording bijzaak is?

Kortom: haar stelling roept veel vragen op. Het uitgangspunt is prachtig: doe historische figuren recht! Dat wordt natuurlijk nog klemmender, als van een historische figuur in je eigen Credo beweerd wordt dat Hij was: God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; mens-geworden om ons mensen. Zou het niet de ultieme roeping zijn van de historische wetenschap om deze lijdende Messias recht te doen? Hij vroeg het zelf ook: ‘wie zeggen de mensen dat ik ben?’

 

Guus Labooy 

 

Historisch Jezus-onderzoek heeft grenzen (reactie)

Graag reageer ik op de vragen die Labooy stelt naar aanleiding van het interview dat ik gaf in de PThUnie (maart 2016) dit jaar en dat terugkijkt op mijn inaugurele rede, uitgesproken op 3 november 2015 te Groningen. Laat ik ermee beginnen vast te stellen, waarover we het eens kunnen zijn. Dat ik geroepen ben om het protestantse geloof (in al zijn pluraliteit) wetenschappelijk te bestuderen, is juist. Iets uitgebreider formuleert het mission statement van de PThU dat wij ons richten op ‘de theologische bestudering van het christelijke geloof
in de wisselwerking tussen bronnen en eigentijdse vormgeving’ ‘in de protestantse traditie’ en ‘met bijzondere aandacht voor de interactie tussen religie en maatschappelijke/culturele contexten’.
En natuurlijk hoort daar ook bij wat Labooy als kern van dat geloof benoemt: dat God in Jezus
mens werd. De vraag is alleen: hoe doe je wetenschappelijk verantwoord onderzoek naar deze geloofsovertuiging? Hier gaan onze opvattingen uit elkaar, omdat ik bij Labooy de wens hoor om de menswording van God historisch te bewijzen, door te onderzoeken ‘of je signalen ziet van dat wonder’ in de geschiedenis.
Maar voordat ik daarop verder inga, is eerst nog een andere opmerking nodig. Ieder theologisch onderzoek vindt plaats in een bepaalde wetenschappelijke, kerkelijke en maatschappelijke context.
Het geeft expliciet of impliciet antwoord op vragen die in deze contexten leven en neemt daarbij altijd maar een selectie van aspecten en methoden mee die bij de beoefening van het vak in zijn algemeenheid ter beschikking staan.
Mijn oratie ging over historisch onderzoek naar Jezus. Ik vind dit onderwerp belangrijk omdat het een maatschappelijk probleem - een algemene minachting voor historische kennis en de snel toenemende overtuiging dat Jezus geen historische figuur was - verbindt met een binnenkerkelijk en theologisch probleem. In veel gemeentes heeft bijvoorbeeld het boek van dominee E. van der Kaaij tot onzekerheid geleid en tegelijk wordt door collegae nieuw-testamentici beweerd, dat onderzoek naar de historische Jezus onmogelijk of theologisch zinloos zou zijn.
Hier heb ik een tegengeluid willen laten horen: historisch onderzoek naar Jezus is mogelijk en het is zelfs geoorloofd vanuit ethische principes die door seculiere historici worden gehandhaafd. De vraag waar mijn onderzoek antwoord op geeft is dus niet: werd in Jezus God mens, maar: was Jezus überhaupt ooit op de aarde als mens, en wat kun je daar historisch verantwoord over zeggen?
In mijn onderwijs en onderzoek aan de PThU komen vanzelfsprekend ook andere facetten van de omgang met de Bijbel aan bod, bijvoorbeeld contextueel Bijbellezen, literaire benaderingen, maar ook meer theologische vraagstellingen: hoe preek je verantwoord over bepaalde teksten en hoe kom je vanuit de pluraliteit van vroegchristelijke geloofsopvattingen tot een tegenwoordig te verantwoorden theologie van het Nieuwe Testament? Dit alles hoort bij mijn wetenschappelijke omgang met het Nieuwe Testament, van een ‘boedelscheiding in leven en werken: onze wetenschappelijke arbeid aan de ene kant, ons geloof aan de andere kant’ is dus zeker geen sprake.
Wel ben ik van mening dat je bij ieder onderwerp de juiste methode moet kiezen. Daarmee komen we bij de hamvraag: Kun je de menswording van God door historisch onderzoek bewijzen of ten minste bepaalde signalen opsporen die daarop wijzen, zoals de door Labooy genoemde N.T. Wright inderdaad probeert te doen? Het is mijn overtuiging dat we de verkeerde kant op gaan als we ons op dit vlak begeven. Je kunt geloofswaarheden historisch contextualiseren, maar je kunt ze niet historisch bewijzen. Je moet het niet eens willen. Wie historisch wil aantonen dat in Jezus God mens is geworden, zou naar dezelfde logica en met dezelfde methoden ook moeten kunnen aantonen dat bijvoorbeeld Mohammed wel of niet Gods profeet is - met alle problematische gevolgen voor een vreedzame samenleving van religies die zo’n onderneming met zich mee brengt. Historisch onderzoek doe je naar bepaalde verschijnselen in het veld van de geschiedenis, de religieuze beoordelingen van deze gebeurtenissen zijn daarbij ingesloten. Want wat er toen gebeurde krijg je niet los van daaraan verbonden en soms tegenstrijdige interpretaties in beeld. Je plaatst dus God niet ‘buiten haakjes’ maar je plaatst hem waar je hem tegenkomt, in de beleving en het geloof van mensen van toen. Labooy wijst daar terecht op. Jezus vroeg: “Wie zeggen de mensen dat ik ben”?
Historisch onderzoek houdt zich bezig met de antwoorden en beseft bijvoorbeeld dat het antwoord van Petrus: “Jij bent de Messias (Grieks: de Christos), de zoon van de levende God”, in Matt. 16:16 niet dezelfde theologische voorstellingen bevatte die eeuwen later in het Credo werden verwoord (‘God uit God’), want ‘Zoon van God’ was toen nog geen beschermde, door christenen geclaimde titel. Dat God in Jezus mens werd, is een geloofsovertuiging die historisch niet in één keer aanwezig was en die door de geschiedenis heen ook niet door iedereen op precies dezelfde manier werd (en wordt) begrepen. 

Ik blijf erbij: de vraag of Jezus meer was dan alleen een mens valt buiten het bestek van het historisch Jezus-onderzoek. Historisch kan je alleen de verschillende opvattingen van tijdsgenoten daarover in kaart brengen.
Maar het is natuurlijk een theologisch zeer belangrijke vraag. Ik kan dat als gelovige belijden. Voor mij is Jezus de zoon van God en als ik daarvoor een andere korte beschrijving moet kiezen dan zeg ik: hij is het menselijke gezicht van God. Maar historisch bewijzen, dat kan - en wil - ik niet.

 

Annette Merz

 

Annette Merz is hoogleraar Nieuwe Testament, PThU Groningen

Volledige rede van prof. Merz is hier te
downloaden: www.annettemerz.com/publicaties/

 

Openstaan voor signalen (reactie)

Ik dank Professor Merz ten eerste voor haar antwoord, dat zeker veel verduidelijkt. Mijn bezwaar is dat zij in dit antwoord niet consequent onderscheid maakt tussen ‘bewijzen’ en ‘openheid om signalen op te sporen’. Kijk naar wat zij de hamvraag noemt: ‘Kun je de menswording van God door historisch onderzoek bewijzen of ten minste bepaalde signalen opsporen die daarop wijzen, zoals de door Labooy genoemde N.T. Wright inderdaad probeert te doen?’ Zij antwoordt dan: ‘Het is mijn overtuiging dat we de verkeerde kant op gaan als we ons op dit vlak begeven. Je kunt geloofswaarheden historisch contextualiseren, maar je kunt ze niet historisch bewijzen. Je moet het niet eens willen.’ Ik ben het met dit laatste antwoord eens, omdat ze hier alleen over ‘bewijzen’ spreekt. Maar wel opvallend dat ze niet ingaat op de vraag of we dan ook ‘geen signalen kunnen opsporen’. En dat terwijl ik het alleen daarover gehad heb in mijn vraag aan haar. Sterker nog, ik heb eigenlijk alleen om openheid voor signalen gevraagd. Ik citeer: ‘Als een historische methode echt ethisch op orde wil zijn, moet zij dan geen openheid hebben voor een dergelijk eventueel gebeuren van de incarnatie? Open voor nader onderzoek? Open voor signalen dat er misschien meer aan de hand is?’ Ik heb het woord ‘bewijzen’ dus niet in de mond genomen. Heel bewust: ik denk dat een historicus zich dan al snel overschreeuwt: die eis is vaak te hoog. Maar er zit wel een wereld tussen bewijzen enerzijds en iets methodisch uitsluiten anderzijds: de tussenwereld van waarschijnlijkheidsoordelen, van signalen, van ‘eerder dit dan dat’. Ik denk dat ‘historisch contextualiseren’ inderdaad de kern is wat een historicus moet doen. Maar als uit die context blijkt dat volgens het geloof van de mensen toen er meer aan de hand is, waarom mag je dat dan niet als een resultaat van historisch onderzoek opvoeren? Zet je jezelf als historicus anders geen oogkleppen op? Waarom mag je wel proberen aannemelijk te maken dat Jezus bestaan heeft, en mag je niet proberen aannemelijk te maken dat er meer aan de hand was? En bij al de resultaten van je onderzoek aangeven wat je de (ongetwijfeld bescheiden) zekerheidsstatus acht? Bescheiden, want historische wetenschap reikt ons slechts waarschijnlijkheidsoordelen aan; geloofszekerheid kan zij niet geven. Inderdaad: ‘dat moet zij niet eens willen’. Dat komt van de Andere kant. Historisch-Jezusonderzoek heeft grenzen!

Voor een uitgewerkte visie op de zekerheidsproblematiek die hier aan de orde is, zie mijn: ‘Theologie van het Oude Testament en historisch denken’, Kerk en Theologie, 65/3 (2014), 249-273.

 

Guus Labooy