Deze editie

content image

Wouter de Jonge: 'Het normale is al wonderlijk genoeg'

In een nieuwe serie interviews gaat CW Opinie op zoek naar de drijfveren van christenen. Op welke manier heeft het geloof invloed op hun dagelijks doen en laten? Vandaag deel 1: uitvaartondernemer Wouter de Jonge.

Ik ontmoet Wouter de Jonge in zijn huis in Oegstgeest. Op tafel ligt een aankondiging voor een concert. Het komende weekend is hij even helemaal offline. Terwijl de geur van koffie zich door de woonkamer verspreidt, vertelt hij dat hij de afgelopen vijf weken precies twee dagen vrij heeft gehad. Als begrafenisondernemer heeft hij een grillig leven. Zijn werk geeft hem energie, zegt hij. Het maakt hem creatief.

“Een groot deel van mijn werk is luisteren, ook tussen de regels door. Mensen met elkaar verbinden, voorkomen dat ze van elkaar afdrijven. En dat in een situatie die onder druk staat. Door het verlies, maar ook onder tijdsdruk. Dat vraagt allemaal dat je niet al te star bent. In die zin ben ik creatief en probeer ik mensen zo veel mogelijk tegemoet te komen in hun wensen.”

Op de website van zijn bedrijf Attendo Uitvaartzorg, staat de paradox: ‘Ik houd van het Leven. En dat is misschien wel een van de belangrijkste redenen om uitvaartondernemer te zijn.’ De Jonge: “Ik ben dat gaandeweg gaan ontdekken: dat ik meer van het leven ben gaan houden omdat ik uitvaartondernemer ben geworden. Ik heb zo veel schrijnende voorbeelden gezien van mensen die uit het leven zijn weggerukt - soms op jonge leeftijd - en families die achterblijven en niet van het leven kunnen houden. Zo verslagen zijn door de dood dat ze haast niet meer kunnen leven.”

De Jonge is meer van het leven gaan houden. “Het normale is al zo wonderlijk. En we kunnen niets meenemen. Dus het is zaak om het leven volop te leven.”

 

Overlevingsmechanisme

Voordat hij begrafenisondernemer werd, was De Jonge onder meer directeur van een internationaal verhuisbedrijf. Hoe vond hij een nieuwe richting?

“Daar was een flinke burn-out voor nodig. Ik zeg weleens: die burn-out heeft mijn leven gered. Dat was de aanleiding voor een grote omslag.”

Dat had wel een voorgeschiedenis. “Mijn opvoeding speelde en grote rol. Ik kom uit een goed gereformeerd (vrijgemaakt) gezin. Ik ben de negende in een gezin van tien kinderen. Het was bij ons thuis allemaal heel zwart-wit. Er waren eigenlijk drie woorden: ‘moeten’ en ‘niet mogen’. Die opvoeding heeft heel lang doorgewerkt. Ik heb het zelf laten gebeuren, maar ik was me er toen niet van bewust.”

Tijdens gesprekken bij een psycholoog ging hij zijn eigen handelen in het dagelijks leven op een andere manier bekijken. “Om nog een beetje liefde te krijgen, moest ik zelf heel lief zijn, dacht ik. Zo laveerde ik om dat voor elkaar te krijgen. Dat gaat onbewust. Daar bereik je een hoop mee, dat is met elk overlevingsmechanisme zo. Je wordt heel goed op één bepaald punt. Ik was ook een perfectionist. Daar ging ik prat op. Nu vind ik dat verdacht. Er is blijkbaar iets waardoor je een enorme drang hebt om altijd een tien te halen.”

De Jonge maakt van zijn beide handen een vuist en steekt ze voor zich uit. “Er waren eigenlijk twee Wouters. Die waren te ver uit elkaar gegroeid. Er zat een elastiekje tussen en dat was geknapt. Die twee hadden overigens wel veel gemeen. Maar de ene Wouter -  degene die iedereen zag -  kon geen nee zeggen, was conflictvermijdend, dacht altijd ‘laat mij het maar doen’, en was perfectionist.”

 

Brief

Hij heeft er kort daarna een brief van dertien kantjes aan zijn moeder over geschreven, vertelt hij. “Ik had toen net Eindelijk Thuis van Henri Nouwen gelezen. Och, wat een prachtig boek is dat. Ik wilde praten. Ik wilde vragen stellen. Hoe is het zo gekomen en waarom? Ik dacht zelf: die brief zou haar dood kunnen worden. Ik heb hem toch verstuurd.”

 

Hij was thuis en zat in zijn tuin toen de telefoon ging. “Het was mijn moeder. Ze was toen al in de tachtig. Ze zei: ik heb je brief ontvangen. Wat een mooie brief. Daar moesten we het maar eens over hebben. En dat heb ik ook geprobeerd. Ik heb wel twintig pogingen gedaan. Maar het is er nooit van gekomen. Wilde ze het niet of kon ze er niet over praten? Ik weet het niet.”

De burn-out was één breekpunt. Want daarna zou hij niet meer definitief op zijn werk terugkeren. Hij was op dat moment samen met zijn compagnon verantwoordelijk voor een internationaal verhuisbedrijf met 80 medewerkers. “Het was zo ver dat ik geen krant meer las. Zelfs de post maakte ik niet open. Ik had drie kinderen thuis, de oudste was toen 18. Ik was op de zaak van 10 tot 2, vier dagdelen. En dan ging ik weer weg. Het ging eigenlijk best goed, maar men was dat niet gewend. Mijn compagnon en ik konden bovendien onze draai ten opzichte van elkaar niet meer vinden. Daar hebben we van alles aan gedaan, ook met hulp van anderen, maar in oktober was het hoge woord eruit: het is de één eruit of de ander.”

 

Emotioneel

De Jonge:  “Ik heb er toen mee ingestemd dat ik zou vertrekken. En zo stond ik op 1 januari 2002 op straat, met een zakje geld en vier vragen: wie ben ik? Wat kan ik, wat wil ik en hoe vind ik dat?” Via een loopbaanadviesbureau kwam hij stukje bij beetje dichter bij een nieuw vak: uitvaartbegeleider.

Dat advies had De Jonge ook al eens van een goede vriend gekregen. “Hij belde me op uit de auto en zei: ‘Ik ga iets geks zeggen, maar denk eens na over de uitvaartbranche’. Ik heb dat toen meteen terzijde gelegd: hier ben ik veel te emotioneel voor. Maar dat was toch een drogreden, denk ik, achteraf. Ik heb daar discussies over gehad met vakgenoten. Een uitvaartleider mag niet huilen en geen emotie tonen, zei een collega. Zij was daar heel fel in. Maar ik vind dat je reinste onzin.”

De Jonge leerde het vak bij een uitvaartonderneming  in Utrecht, waar hij tweeënhalf jaar heeft gewerkt. “Hij liet mij meteen al een paar overledenen zien. En hij zei ook: ‘Let op, Wouter, het is niet jouw verdriet’. Dat is een heel wijze les.”

Toch laat hij weleens een traan bij een begrafenis, zegt De Jonge. “Je kunt verdrietig zijn omdat je de familie kent. Toen ik zelfstandig werd, was de eerste begrafenis die ik deed van de moeder van mijn beste vriend. En de tweede was het doodgeboren kindje van mensen in ons dorp.”

Het zijn vaak heel kleine dingen die hem raken. “Twee kleine kinderen die een arm om elkaar heen slaan bij de kist van opa. Dat is nieuw, denk ik dan. Dit hebben zij eerder misschien nog niet gedaan. Wat mensen natuurlijk wel van mij mogen verwachten is dat ik niet blijf huilen. En dat ik mij van mijn taak kwijt.”

 

Dieptedimensie

Vroeger was het de pastoor of de dominee die precies wist wat er moest gebeuren. Nu moeten mensen een uitvaart helemaal zelf regelen. Bij niet-religieuze uitvaartplechtigheden kan het zijn dat er ongemerkt voorbij wordt gegaan aan belangrijke vragen.

“Er schieten mij legio voorbeelden te binnen. Maar op zulke momenten moet ik mijn oordeel thuislaten. Ik werk inderdaad actief mee aan dingen waar ik niet helemaal achter sta. Maar ik maak ook heel mooie begrafenissen mee die je als seculier kunt bestempelen. En ik maak kille, koude en lege bijeenkomsten mee bij kerkelijke mensen.”

 

Wanneer is een ritueel een leeg ritueel? Wat maakt dat een ritueel met iedereen te delen valt?

“Er schiet me een situatie te binnen waarbij een ritueel heel veel inhoud kreeg. Het was een christelijk gezin. Pa was al overleden. Nu ging het om ma. Er werden aan het begin van de bijeenkomst kaarsen ontstoken, naast de kist. De zoon had bij elke kaars een verhaaltje. Het begon bij opa en oma. Een andere kaars stond symbool voor de kinderen en weer een ander voor de kleinkinderen. Ik vond het fantastisch. Zo werd hun moeder in de lijn van de geslachten geplaatst.”

Een ritueel heeft pas kracht als de handeling wordt uitgelegd, als er woorden aan worden gegeven, vindt De Jonge. “Bij een andere uitvaart werd de kist door kinderen en kleinkinderen gedragen en daalde in het graf. Op dat moment werden er ballonnen opgelaten. Er werd niks bij verteld. En het ging verkeerd. Er bleef een aantal haken in de bomen. Toen dacht ik: ik wilde dat ik had geweten wat ze van plan waren. Het is vier jaar geleden en ik weet het nog.”

De Jonge vond het zonde dat het zo ging. “Het staat voor mij symbool voor iets groters: het niet actief omgaan met emoties, het niet goed vormgeven van emoties in het algemeen en met verdriet in het bijzonder.”

Deze mensen handelden passief, meent De Jonge. “Zij dachten: we vertellen het aan niemand. Maar je helpt jezelf als je erover vertelt. Ik dacht dat ook laatst in de kerk: het is heel goed om te vertellen waarom we het doen zoals we het doen.”

 

Hoop

Als begrafenisondernemer komt hij ook bij nabestaanden waarvan een kind, een broer of een ander familielid zichzelf van het leven heeft beroofd. De Jonge redigeerde voor hen de bundel 60 brieven van nabestaanden over leven met zelfdoding. Het zijn ervaringsverhalen van nabestaanden, zij schreven brieven aan de lezer in twee kantjes, over hoe het leven verder ging.

De Jonge: “Het is een hoopvol boekje, want het gaat niet zozeer om iemands ellendige leven of dat van de nabestaanden zelf, maar over het mooie wat daaruit voortgekomen is. De dood van iemand heeft het leven omgegooid. Dat was een kantelpunt waar mensen op zijn voortgegaan.”

De Jonge: “Wat mij van het brievenboek is bijgebleven is wat je keer op keer leest bij mensen die een poging overleefden: zij wilden niet dood, zij wilden dit leven niet meer. Ze waren ten einde raad. De hulpverlening was daar soms debet aan, of er was een onveilige omgeving. Je moet daadkracht hebben om zoiets te doen. Het heeft mij veel milder gemaakt. Die levens zijn getekende levens, veelal. “

Ondanks de ellendige situaties die hij meemaakt, houdt De Jonge veel van zijn werk. “Een uitvaart organiseren is één, maar het proces dat je ingaat met een familie, als het zo ruw en rauw is, dat vind ik bijzonder. Dat er in een week tijd zoveel vragen opkomen: wat betekent dit? Hoe gaan we met elkaar om? Wat zijn we wel en niet gewend van huis uit? Dat vind ik mooi. En het doet me beseffen dat mijn leeftijd helemaal niet in mijn nadeel is. Je zal daar maar als broekie van 32 jaar in huis komen. Enige levenservaring is mooi meegenomen.”

Op de vraag wat zijn werk met hoop te maken heeft, zegt hij: “Alles. Wat ik van tijd tot tijd bij mezelf constateer, we hoeven ons eigenlijk nergens zorgen om te maken. Het is wel door de zure appel heen bijten - je zult maar je partner verliezen en nog een tijd alleen moeten blijven leven - maar ten diepste hoeven we ons geen zorgen te maken.”

Als ik hem vraag of elke uitvaart hem aan de hemel doet denken, zegt hij:

 “Het is altijd een nieuw begin. Ik bedoel: het licht is er omdat de duisternis er is. Die twee hebben elkaar nodig. Misschien heeft het leven de dood ook wel nodig. Al heb ik dat theologisch nooit doordacht. Het is wel een gedachte die mij bezighoudt: hoe zou het leven zijn zonder de dood?”

 

Nels Fahner

 

Meer lezen? Een abonnement of 3 gratis proefnummers zijn zo geregeld. CW Opinie is zowel digitaal als op papier te lezen.