Deze editie

content image

Ontzag voor de schepping en de Schepper horen bij elkaar
 

In veel religies zit de eerbied voor de natuur, het leven en de schepping ingebakken. Christenen zijn echter veelal meegegaan in het utiliteitsdenken van onze cultuur, alsof we de schepping geheel naar eigen inzicht mogen gebruiken. Anderhalve eeuw geleden tikte een Indiaans opperhoofd ons daarvoor al op de vingers.

 

tekst Arie van Houwelingen, beeld Pexels

 

'Hele leven mens moet op de kop' stond er boven een krantenbericht over de dreigende uitsterving van een miljoen soorten dieren en planten.
Dus geen goedkope vliegvakanties meer, veel minder én duurder vlees op je bord, en een nog niet te becijferen deel van ons gezamenlijke inkomen niet meer besteden voor consumptie, maar voor de redding van de aarde met haar rijkdom aan flora en fauna.
Willen we dat? Nee, mensen zijn diep gehecht aan comfort, welvaart en onbeperkte mobiliteit. Maar als we de teloorgang van de biodiversiteit willen stoppen, zullen we onze levensstijl drastisch moeten veranderen. Zou daar ooit een democratische meerderheid voor te vinden zijn?
Ik denk dat hier een grote opdracht ligt voor de kerken, ja voor alle gelovigen. Het geloof dat de natuur het eigen werk van de Heer is, zou ons er toch van moeten weerhouden er zo destructief mee om te gaan.
Er zit iets heiligs, iets goddelijks aan de hele natuur, die immers niet door mensen is gemaakt, maar is voortgekomen uit de wijsheid en macht van onze Schepper. Dat zou ons de motivatie kunnen geven om een substantieel deel van onze welvaart op te geven om die rijke, indrukwekkende natuur - die ons zomaar is gegeven - te behouden.
Natuurlijk zouden we dat moeten doen voor wie na ons komen. Maar ook gewoon voor de planten en dieren zelf. Dat zijn immers allemaal goddelijke maaksels, die het waard zijn om zorgvuldig mee om te gaan.
Eerbied en ontzag is een heel adequate houding in een wereld vol Godswonderen, van het koraalrif aan de rand van de oceaan, de orang-oetan in de tropen, de reuzenwalvissen in de diepzee tot aan de koningspinguïns op Antarctica.
In de Bijbel komen we eerbied en ontzag tegen in het kernbegrip van ‘de vreze des Heren’. Met ‘vreze’ wordt geen bangheid of angst bedoeld, maar ontzag. In de psalmen komen we deze ‘vreze’ tegen als het directe gevolg van de indruk die de schepping maakt.
‘Laat heel de aarde vrezen voor de HEER (...) want Hij sprak en het was er.’ (Psalm 33)
Ook in Psalm 67 vinden we de combinatie van natuur en eerbied:
‘De aarde gaf haar gewas, God, onze God wil ons zegenen. Eerbied voor Hem en ontzag tot de verste einden der aarde!’


Levenshouding
Ontzag voor de Schepper en voor zijn schepping horen dus bij elkaar. De Bijbel verzet zich wel tegen een vergoddelijking van de natuur. De mens mag vrij omgaan met de dingen, maar wel in de geest van de Maker. Dieren en planten varen wel bij zo’n eerbiedige levenshouding, maar wijzelf ook.
Want die ‘vreze’ wordt door de Bijbelse Spreukendichter niet alleen ‘het begin van de wijsheid’ genoemd, maar ook ‘de bron des levens’.
Dat laatste wordt treffend geïllustreerd in Exodus 1. Twee met name genoemde Egyptische (!) vroedvrouwen weigeren daar om het bevel van de Farao uit te voeren om de pasgeboren joodse jongetjes te doden, want ‘de vroedvrouwen vreesden God en deden niet wat de koning van Egypte gezegd had, maar lieten de jongens in leven’.
De ‘vreze des Heren’ heeft dus ook een heel praktische kant. Het door God geschapen leven moet door ons beschermd worden. Niet alleen het ongeboren menselijke leven, maar de hele bont gevarieerde schepping, die in onze tijd zo bedreigd wordt. Waar het ontzag voor de Schepper verdwijnt, moeten we vrezen voor de teloorgang van Zijn schepping.


Beschaamd
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het lang niet altijd christenen zijn, die vooraan staan in de strijd voor het behoud van het leven in al zijn vormen. Meermalen worden zij op dit punt beschaamd door niet- of andersgelovigen, die net als de Samaritaan uit de gelijkenis van Jezus, doen wat priester en leviet (de kerk) nalaten.
Luister maar eens naar de toespraak van het indianen-opperhoofd Sealth uit 1854 (!), toen ‘het grote opperhoofd in Washington’ de indianen zijn aanbod had gedaan om hun land te kopen. Hoeveel eerbied en ontzag voor de schepping komen we hier tegen! Een paar citaten:
‘Over het aanbod ons land te kopen zullen wij ons beraden. Maar hoe kan men de lucht, de wind of de warmte van het land kopen of verkopen?
Elk stuk land is heilig voor mijn volk. Iedere spar, die glanst in de zon, elk zandstrand, elke nevel in de donkere bossen, elke open plaats, elke zoemende bij is heilig in de gedachten en de herinneringen van mijn volk. (..)
Wij zijn een deel van de Aarde en de Aarde is een deel van ons. De geurende bloemen zijn onze zusters, het rendier, het paard, de grote adelaar onze broeders! De schuimkoppen in de rivier, het sap van de weidebloemen, het zweet van de pony.’
‘Als wij op uw aanbod ingaan, stel ik nog een voorwaarde; De blanke man dient de dieren als zijn broeders te beschouwen. Ik zag duizenden rottende buffels in de prairie,  achtergelaten door de blanke die ze neerschoot vanuit een rijdende trein. Ik begrijp het niet, wij doden de buffel enkel om in leven te blijven!
Wat is de mens zonder dieren? Als de dieren weg zijn zal de mens sterven aan grote eenzaamheid! Want wat er gebeurt met de dieren, gebeurt dan ook spoedig met de mens! Dit weten wij: Alles hangt met alles samen! De mens heeft het web van het leven niet geweven; hij is slechts één draad ervan.’
Sealth besluit met:
‘Want wij weten dat onze God en uw God precies dezelfde zijn! U kunt nu wel denken dat u Hem bezit, zoals u ons land wilt bezitten... maar dat kunt u niet! Hij is de God van alle mensen en Zijn hart klopt evenzeer voor de rode als voor de blanke man. Deze aarde is Hem lief en beschadigen van deze heilige grond is het beledigen van de Schepper!’


Onttovering
Het wordt tijd dat dit goed tot ons door gaat dringen. Wat ‘de onttovering van de wereld’ wordt genoemd, heeft ons beroofd van het ontzag voor de Schepper en Zijn schepping. Het onzalige idee dat alles van ons is en dat we er mee kunnen doen wat we maar willen, heeft ons op een doodlopende weg geleid.
Tegelijk blijven we denken dat we zelf slim genoeg zijn om het tij te keren. En dat zijn we wellicht ook, maar dan moet wel onze grondhouding radicaal veranderen. Van manipulator zullen we dienaar moeten worden van al wat ons door de goede God is toevertrouwd.
Al te lang zijn christenen meegegaan met het ten eigen bate exploiteren van de schepping. Is het niet de hoogste tijd dat wij ons eigen scheppingsgeloof ernstig gaan nemen en - met de indianen en zoveel andere religies - de natuur als ‘heilig’ gaan zien, dat is: als schepping?


Kerken voorop
Kerken zouden voorop moeten lopen in de zorg voor ons natuurlijk milieu, voor de kieviten en grutto’s in de weilanden, de vissen in de zee. Want als we zo doorgaan, zullen de koraalriffen het eind van deze eeuw niet halen. Terwijl ze het rijkste ecosysteem vormen van de zee met honderden soorten algen en vissen.
Als we de natuur weer zouden zien als de magnalia Dei, de grote werken van God, worden we vanzelf bereid om de prijs te betalen voor het zorgvuldig conserveren ervan. De herontdekking van een eerbiedige houding zal de veelgeroemde maar tot nu toe minimaal gepraktiseerde ‘transitie’ - de overgang naar een duurzame levensstijl - mede maken tot een reële mogelijkheid.