Deze editie

content image

'Het hart is een arena van strijdige verlangens'

Voor veel christenen staat de secularisatie voor niets minder dan een verlieservaring. Maar er is een andere manier om tegen dit fenomeen aan te kijken, meent hoogleraar Secularisatiestudies Herman Paul. Zijn boek ‘De slag om het hart’ is een zoektocht naar de vraag waarom hij zelf zo’n geseculariseerde christen is, en een ode aan christelijke denkers die hem op een ander spoor zetten.

Het is een druilerige dag waarop ik afspreek met prof. dr. Herman Paul, die als historicus verbonden is aan de universiteit van Leiden en daarnaast één dag in de week in Groningen doceert. Hij ontvangt me op zijn werkkamer aan de Leidse Universiteit, die uitziet op een binnentuin die duidelijk met zorg is aangelegd: bomen met donkergroen blad wisselen af met struiken in diverse herfstkleuren. Zelfs op deze grauwe dag ademt de tuin schoonheid uit.

‘De slag om het hart’ is de titel van een nieuw boek van Paul, dat handelt over ‘secularisatie van verlangen’.

 

Wat heeft iets abstracts als secularisatie met concrete verlangens te maken?

“Het boek is eigenlijk uit twee vragen geboren. Hoe komt het dat ik zo’n geseculariseerde christen ben? Ik ga braaf naar de kerk, maar toch vraag ik me af hoe het komt dat ik bijvoorbeeld zo kan opgaan in mijn werk. Het boek is dus ook een persoonlijke zoektocht. Hoe kan ik begrijpen wat hier gebeurt?

Daarnaast had ik de meer wetenschappelijke vraag of secularisatie wel helemaal verklaard is door de cijfers van afnemend kerkbezoek. Cijfers maken het fenomeen voor sociologen meetbaar. Maar het zorgt ook ervoor dat veel verklaringen opvallend cognitief geladen zijn.  Alsof het vooral argumenten zijn die mensen ertoe brengen zich te laten uitschrijven uit de kerk. Dat geeft veel gewicht aan de opvattingen van mensen. Maar ik wil het vraagstuk graag breder benaderen. De mens is immers ook een verlangend wezen.”

 

Secularisatie wordt door gelovigen vaak als een bedreiging gezien, een soort monster dat je kinderen opslurpt als ze niet meer naar de kerk gaan, bijvoorbeeld. Waarom heeft het woord zo’n negatieve gevoelslading?

“Dat heeft het niet altijd voor iedereen gehad. Het werd in bijvoorbeeld de jaren zestig ook wel als een kans gezien door vrijzinnige theologen. Sommigen zagen het als winst en verlies tegelijkertijd. Maar in het algemene kerkelijke taalgebruik is secularisatie inderdaad altijd heel negatief geladen geweest. Het staat toch voor gebouwen die worden gesloopt, voor ouders die zien dat hun kinderen niet meer naar de kerk gaan. Het is een soort codewoord voor verlies en verdriet. Het woord helpt om verlieservaringen te benoemen. Secularisatie is dus niet alleen een historisch, maar ook een psychologisch geladen begrip.”

 

U zegt ergens in uw boek: secularisatie is geen onomkeerbaar proces, maar het is inzet van strijd. Hoe bedoelt u dat?

 “Ik probeer aan te sluiten bij godsdienstsociologen als Smith en Gorski, die bezwaren hebben tegen een heel massief secularisatiebegrip, alsof het een anonieme kracht zou zijn. Dat is voor sociologen en ook voor historici heel onbevredigend. Bij Smith gaat het om de secularisatie van de publieke ruimte. Wat is de plek van religie daarin? In de rechtspraak en de politiek is daar voortdurend strijd over: denk aan het privilege om kerkklokken te mogen luiden, om eigen christelijke scholen te hebben. Die strijd is overigens niet lineair, maar kent altijd verrassende wendingen.

Deze sociologen hebben het over de publieke ruimte, maar hun model van secularisatie pas ik in mijn boek toe op het innerlijk. Het hart is een arena waarin verlangens voortdurend met elkaar botsen. De titel van mijn boek, ‘De slag om het hart’ is ontleend aan de Franse tragediedichter Jean Racine, die het heeft over twee mannen die strijd voeren in zijn binnenste. Die secularisatie als strijd in het hart kent evenmin een lineair verloop als de strijd in de publieke ruimte, en het is ook niet een onomkeerbaar proces.”

 

Hoe moet je die strijd dan voeren? De manier waarop evangelische christenen de afgelopen decennia de strijd aanbonden tegen bijvoorbeeld abortus, roept bij mijn generatie geen strijdlust, maar juist schaamte op.

“De strijd zoals ik die voor mij zie, vindt ook niet plaats met spandoeken voor het parlement. Het belangrijkste verschil is: wij zijn niet één van de strijdende partijen, maar we zijn inzet van de strijd. Denk maar aan de voorstelling zoals je die ziet op middeleeuwse retabels, waarop mensenlevens heen en weer getrokken worden tussen een engel en een duivel. Ik merk dat er van verschillende kanten aan mij getrokken wordt.

Misschien is het moderne gezinsleven een goed voorbeeld. Ik heb twee jonge kinderen, en als jonge ouder word je direct bestookt met kraampakketten. Je wordt ook nog eens omringd door andere jonge ouders die allemaal fungeren als een spiegel. De Prenatal roept je toe: als ouders wil je toch het beste voor je kind? Koop dan deze wandelwagen van 1.200 euro!

Er wordt daarbij voortdurend geappelleerd aan ongebroken geluk. Overal zie je stralende babyfoto’s, die natuurlijk een onrealistisch beeld geven van de werkelijkheid. Je wordt kortom geconfronteerd met je eigen onzekerheid, je spiegelt je aan anderen, en dat wringt voor mij met het zingen van de lofzang op zondagochtend in de kerk. Dat is een ander soort geluk dan de idylle die te realiseren is met de juiste spullen.”

 

De Britse theoloog David F. Ford noemt het moderne leven ‘overwhelming’ oftewel overstelpend, schrijft u in uw boek.

“Ford kiest als beginpunt van zijn theologie de ervaring van overweldigd zijn, bijvoorbeeld door de geboorte van een kind. Je kunt ook juist overweldigd zijn door de druk die op je schouders rust door je werk of  door zorg voor anderen. Het gaat hem hoe dan ook om momenten waarop we naar adem happen. Zijn vraag daarbij is: heeft dat iets te maken met God, die immers overstelpend goed is? Vaak zijn we geneigd om zulke ervaringen met rationele wapens te lijf te gaan: maak de juiste keuzes, neem afstand. Maar als iets echt je leven overstroomt, gaat dat niet werken. Ford pleit er daarom voor om niet te proberen zulke ervaringen klein te maken, maar juist de vraag te stellen of God er iets mee te maken heeft. Als God zo veel groter is dan wij denken, dan kunnen daardoor al die andere overweldigende dingen ook op hun plaats vallen.

Bernd Wannenwetsch, een Duitse theoloog die ik erg waardeer, zegt iets dergelijks ook. Een groot verlangen krijg je niet klein door ertegenin te preken. Als iemand bijvoorbeeld single is en dat graag anders zou zien, helpt het niet om te wijzen op de flexibiliteit die het single-zijn met zich meebrengt. Wat wel helpt, is het voeden van een groter verlangen. Dus niet door te preken, maar door een sterker verlangen te voeden, kan het andere verlangen op z’n plek worden gezet. Dat neemt de kracht van verlangens serieus en dat helpt het ook om je leven richting te geven – om het op God te richten en om de secularisatie van verlangen te weerstaan.”

 

In uw boek confronteert u ook de denkbeelden van twee andere prominente theologen, Stanley Hauerwas en Rowan Williams met elkaar. Op welk punt raken zij elkaar?

“Ze staan voor totaal verschillende stijlen van theologie bedrijven, maar beiden hebben een grote gevoeligheid voor de subjectpositie van de mens. Als je zegt ‘We moeten een dam opwerpen tegen secularisatie’, wat zeg je dan over je eigen positie? Ben je dan groot genoeg om dat te doen? Kun je er wel wat aan doen? Om bij het voorbeeld van die babyreclame te blijven: die gaat ervanuit dat jij als ouder je kind het geluk kunt geven. Die suggestie van maakbaarheid, gecombineerd met de neiging tot beheersen, dat vinden Hauerwas en Williams allebei heel problematisch.

Williams en Hauerwas doen een oproep tot ‘living out of control’, en dat betekent niet zozeer een afhankelijkheidsgevoel van God, als wel een besef dat Gods handelen belangrijker is dan dat van mensen. In dat licht kan het zinvoller zijn om als reactie op terreur in de kerk bijeen te komen en psalm 91 te zingen, over de schuilplaats van de Allerhoogste, dan een petitie in te dienen voor deze of gene maatregel.”

 

Het vraagt wel veel vertrouwen van mensen om de controle over hun leven uit handen te geven, zoals Hauerwas en Williams bepleiten.

“Dat is ook niet iets wat je per decreet kunt regelen. Het vraagt een leerschool om stapje voor stapje te leren vertrouwen. Hoe moeilijk dat is, kun je zien aan wat bijvoorbeeld ziekte doet met mensen. Ziek zijn is bij uitstek iets wat je in je greep kan proberen te krijgen. De verleiding is groot om in allerlei databases op internet te kijken wat de statistische kans is op verslechtering of herhaling. Dat is een natuurlijke neiging die ik ook zelf herken.

Maar misschien is er ook een andere manier van leven mogelijk en kan die door de kerk gestimuleerd worden. Niet: hoe kan ik grip krijgen op mijn ziekte, maar: hoe kan ik groeien door mijn ziek-zijn? Hoe kan ik daardoor leren, bijvoorbeeld, om anders met mensen om me heen om te gaan? Dat bedoel ik niet als een lesje leren. Ik denk bijvoorbeeld aan de plek die ziekte inneemt in een gebedenboek als The Book of Common Prayer. Daarin gaat het veel meer om leven met ziekte dan om het uitbannen ervan.”

 

In uw boek gaat het ook over discipelschap als manier van omgaan met angst voor de toekomst. Op welke manier stimuleert onze maatschappij gevoelens van angst?

“Ik denk dat die stimulans er zeker is. Vooral in economische zin wordt de angst voor tekort gecultiveerd. En als we continu worden opgeroepen tot het maximaliseren van geluk en status, dan is concurrentie bedreigend. Zo zullen we muurtjes blijven bouwen, elkaar blijven wantrouwen. Want de economie van het tekort is een verhaal voor winnaars, dat de rest als verliezers achterlaat.

De cultuur kan daarin ook een bedreiging zijn voor kerken die krimpen. Als maximaliseren de norm is, zullen we slecht kunnen omgaan met verlies. Het is natuurlijk verschrikkelijk verdrietig als een kerk krimpt van 500 leden naar 50 leden. Maar er kunnen daardoor ook vensters opengaan, je kunt in een andere relatie tot God komen te staan. Daarom is die thematiek van verdriet in relatie tot secularisatie, waar ons gesprek mee begon, ook zo belangrijk. Want ook bij verdriet speelt de vraag: hoe kunnen we verder? Theologen als Ford en Williams helpen mij om die vraag te beantwoorden.”

 

Wat heeft dit boek u zelf geleerd over het verband tussen verlangen en geloof?

“Ik ben aangenaam verrast door de prominente plek die verlangen inneemt in de christelijke traditie. Niet alleen bij Augustinus, die in mijn boek voortdurend opduikt. Ik heb bijvoorbeeld pas de Regel van Benedictus herlezen, en daarin gaat het ook constant over verlangen. Het is dus al een heel oud thema, en niet alleen iets voor de ‘economy of desire’ waarin we nu leven.  In de Middeleeuwen is er veel over geschreven, en al is dat natuurlijk niet allemaal een-op-een over te nemen, maar het zijn wel stemmen die ik belangrijk vind omdat ze kritische vragen stellen over de wijze waarop onze verlangens gemanipuleerd worden. Hoe werken dat soort mechanismes? Daar zou ik nog weleens dieper op in willen gaan. René Girard heeft laten zien dat we elkaar imiteren in onze verlangens. Maar een fenomeen als reclame verdient ook een genuanceerde blik: mensen zijn vaak heel goed in staat om zich voor het bombardement aan prikkels af te sluiten. Hoe werkt dat? Met die confrontatie van de ‘morele economie’ met premoderne denkers hoop ik nog een poosje door te kunnen gaan.”

Nels Fahner

Herman Paul, De slag om het hart. Over secularisatie van verlangen. Uitg. Boekencentrum, 16,99 euro

 

Meer lezen? Een abonnement of 3 gratis proefnummers zijn zo geregeld. CW Opinie is zowel digitaal als op papier te lezen.

content image