De Bijbel en de bermen van het Zwarte Water

Een huis zonder toilet en douche, met de paardentram naar je werk, en sterven aan een simpele infectie.  Hoe was het om te leven in de 19e eeuw? Daar heben we eigenlijk geen idee van, we kunnen ons alleen voorstellen dat we een aantal zaken zouden missen. Diezelfde afstand kan ons ook parten spelen bij Bijbelse verhalen. Henk Geertsema vertelt hoe juist het besef van interpretatie het gesprek over die verhalen op gang kan brengen.

Op internet kwam ik een foto tegen van een stronttonnetjesschepper die met twee emmers vol uitwerpselen uit een huis in de Jordaan in Amsterdam kwam, op weg naar de verzamelkar van de gemeentereiniging. De foto dateerde uit 1953. Even verder zoekend kwam ik een opmerking tegen dat deze vorm van openbare hygiëne in sommige wijken in Delft nog tot het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw gebruikt werd.

Hoewel ik al jaren geschiedenis van het sociaal werk doceer en daarin onder andere de ontwikkeling van de riolering als onderdeel van de sociale hygiëne meeneem, wist ik niet dat uitwerpselen nog zo lang met de hand werden ingezameld.

Hoeveel ‘heugenis van de vorige tijden’ (Prediker 1:11) is er eigenlijk? En als we iets weten over vroeger, kunnen we ons dan een goed beeld vormen hoe het leven toen betekenis had voor die mensen? Betekent ‘vrijheid’ voor ons hetzelfde als voor iemand uit de negentiende eeuw? En ‘man’ of ‘vrouw’ zijn? En ‘toekomst’? Kunnen we het verleden eigenlijk wel begrijpen?

 

Projecties

Dries Claessens publiceerde recent ‘Een geschiedenis van sociaal werk’ voor de Vlaamse sociaal werkers en sociaal werk studenten. In de inleiding benoemt hij het risico om de geschiedenis te interpreteren door projecties vanuit de eigen tijd. Geschiedenis zou zo tot anachronisme worden, waarin we niet alleen het risico lopen het verleden te veroordelen als dom, onderdrukkend of hoe ook, maar ook het risico lopen de mensen in hun tijd geen recht te doen in hun hoop, verdriet, beperktheid, verlangen en worsteling.

Zo is het voor ons nauwelijks voor te stellen hoe het in voorgaande eeuwen moet zijn geweest om te leven met de – vaak voorkomende – dood van jonge kinderen of van vrouwen in het kraambed. De socioloog Jan Matse  beschreef in het opstel ‘Zoudt gij voor lijken beven?’ hoe deze doodsdreiging persoonlijk en maatschappelijk doorwerkte in het denken en beleven van kinderen en volwassenen. De uiting van de angst voor de eigen dood en het verdriet om de dood van anderen: “‘k Zag haar dood in ’t kistje liggen: ach! Wat was mijn zusje koud!” (In: Kruithof, e.a., Geschiedenis van opvoeding en onderwijs, p. 335).

Maar tegelijk benadrukt hij dat in die tijd de dood een realiteit in het leven van volwassenen en kinderen was. Meerdere baby’s stierven bij de geboorte, meerdere echtgenotes in het kraambed, meerdere echtgenoten in gevaarlijk lichamelijk werk.

Hoe het was om als zeeman op reis te gaan en jarenlang je gezin achter te laten, is voor ons nauwelijks voor te stellen in een tijd van mobiele telefoon, skype, routeplanners en 7x24 uur nieuwsvoorziening. Hoe het leven er uitzag zonder internet, trein, medicijnen, elektriciteit, gezond water en een werkende wc, kunnen we ons slechts inbeelden vanuit de voorstelling van het  gemis, maar niet meer als werkelijkheid die nooit anders was. Een werkelijkheid waarin de stronttonnetjesschepper die namens de gemeentelijke overheid langskwam, een grote vooruitgang in de openbare hygiëne was.

 

Zelfverstaan

De vraag in welke mate we ons kunnen verplaatsen in andere tijden en andere omstandigheden is een vraag die niet alleen in de geschiedwetenschap een rol speelt, maar ook in bijvoorbeeld de culturele wetenschappen (‘kunnen we ons cultureel verplaatsen in een salafistische overtuiging om radicalisering in gewelddadige zin te voorkomen’), het sociaal werk (‘kunnen we ons empathisch verplaatsen in de hulpvrager om de betekenis van huwelijks- of armoedeproblemen te begrijpen’) en in de theologie (‘kunnen we de eeuwenoude Bijbelse verhalen en levensaanwijzingen in relevantie voor het leven van de 21e eeuw omzetten’).

De laatste vraag wordt in de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ (onder redactie van de theologen Ad de Bruijne en Hans Burger) onder ogen gezien. In de ‘grote’ protestantse kerken leidden de vragen rond hermeneutiek tot het rapport ‘God met ons’. Daarin werd de relationele bepaaldheid en beperktheid van het begrijpen van Gods woorden besproken, wat leidde tot vergaande relativering van de waarheidsclaim en sterke terughoudendheid over ‘zo zegt de Here’.

In ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ wordt die relativering eveneens aangebracht, maar wordt daarnaast aandacht gevraagd voor twee aanvullende aspecten: ons zelfverstaan en de ervaring van horizonversmelting.

In verschillende bijdragen wordt het belang van het zelfverstaan van de gelovige, theoloog of niet, aan de orde gesteld. Hoe zie ik mijzelf? Hoe zie ik mijn relatie tot God, tot de christelijke gemeenschap, de mensengemeenschap? Wil ik een stem tegenover me accepteren, ben ik bereid te accepteren dat die stem me iets zegt dat ik niet prettig vind? Wil ik me door Gods Heilige Geest laten vernieuwen in de richting die Jezus ons heeft aangewezen: God liefhebben en de naaste? Zelfverstaan omvat dan zelfkennis, onszelf leren zien vanuit verschillende perspectieven, onze ‘verplaatsend vermogen’ (‘empathie’) te ontwikkelen in het licht van regelmatig Bijbellezen, gebed en gesprek met anderen.

 

Cultureel

En dit zelfverstaan gaat parallel met cultureel verstaan. Door het leren begrijpen van mijzelf, door leren luisteren naar anderen over mij en leren luisteren naar anderen over zichzelf, ga ik dingen herkennen. Herkennen bij mijzelf, maar ook herkennen bij de ander. Dan gaat een leven dat vreemd voor mij was, langzaam dichterbij komen, dan kunnen drijfveren in hun dynamiek herkend worden, ook al zijn ze misschien vreemd en strijdig met mijn eigen drijfveren. Dan kan ook cultureel verstaan zich ontwikkelen. Dit zelfverstaan en cultureel verstaan geven de mogelijkheid tot horizonverbinding, een aanduiding van de filosoof Hans-Georg Gadamer om te beschrijven hoe andere mensen en teksten van heden en verleden, ons kunnen raken in ons bestaan. Ons troosten, ons inzicht geven, een tijdlang met ons op kunnen lopen, ons tot tegen-stem en zo tot stem van God kunnen zijn. De schrijvers in de bundel proberen zo een stap verder te komen binnen zowel de gereformeerde traditie van eerbied voor Gods woord, als het theologisch denken in de moderniteit van relativering en subjectivisme.

De vraag is wat dit voor het dagelijks christelijk leven betekent. Kan ik die oude geschiedenissen begrijpen, ook zonder die diepe theologische noties? Of moet ik constateren dat ik als 21e-eeuwer ril bij de gedachte van poepen op een emmer die één keer per week geleegd wordt. Dat ik ook alleen maar met afstand kan lezen over schaapherders als David, waaghalsleiders als Jefta en Simson, afgodendienaars als in de tijd van de grote profeten?

 

Begrijpen

Ik ken alleen de gesubsidieerde schapen die de bermen van het Zwarte Water in Zwolle afgrazen. En niet de schapensoorten die ruim 3000 jaar geleden in Israel in het berggebied en de half-woestijn graasden. Volgens de filosofen Gadamer en Ricoeur ligt daar echter wel precies de verbinding: ik hoef helemaal niet precies te weten hoe die schapen van David er uit zagen om iets te kunnen begrijpen van de zorg die een herder heeft voor zijn dieren.

Er is een ‘Vorverständnis’, een gedeeld begrijpen dat ligt onder de verschillende tijden en plaatsen, die het mogelijk maakt betekenissen en diepere lagen in verhalen, geschiedenissen en teksten te lezen. Iedere lezer van teksten als in de Bijbel is een hermeneut. Je zou kunnen zeggen dat we eigenlijk steeds hermeneutische activiteiten ontplooien als we luisteren naar elkaar, als we boeken of de Bijbel lezen. Of het nu gaat om de geschiedenis van sociaal werk, proberen een fanatieke salafist in te leven of de Bijbelse verhalen te begrijpen, steeds is onze eerste activiteit dat we een vertaling maken op basis van ons eigen leven en een gedeeld levensbesef als mensen.

Naar mijn idee is dat wat bedoeld wordt met de christelijke belijdenis dat de Bijbel het Woord van God is: in de Bijbelse geschiedenissen spreekt God ons aan in mensentaal, in voor ons begrijpelijke verhalen. Zodat er een eerste aansluiting is, een aansluiting die ons uitnodigt: als spannend verhaal, als raar verhaal, als afschuwwekkend verhaal, als tegenstem-verhaal. Als we gaan begrijpen dat we allemaal hermeneut zijn, is een verder spreken over hoe we dan zo goed mogelijk ons kunnen ontwikkelen als hermeneut niet een bedreigend gesprek. Maar een gesprek om meer te oefenen in hoe we medemensen kunnen begrijpen, onszelf kunnen begrijpen en Gods verlossend werk kunnen gaan zien en in aanbidding voor Hem aanvaarden.

 

Dr. Henk Geertsema is directeur Praktijkcentrum in Zwolle en docent aan hogeschool Viaa te Zwolle en de Theologische Universiteit Kampen.