De achterdeur van de kerk staat ook wijd open

Nieuwe leden van de kerk worden vaak met gejuich onthaald. Maar wat als het geloof langzamerhand van je afglijdt en je steeds minder in de kerk komt? Wim Vermeulen besloot bij de achterdeur van de kerk te gaan staan. Dat leverde de gespreksgroep In Dubio op.

Utrecht, dinsdagavond. De zon strijkt over de terrassen in de binnenstad, en mensenstromen bewegen zich langs de warenhuizen om nog wat zomerkleding in te slaan.

Even verderop is het rustiger, op het plein bij de Jacobikerk. Er jakkeren wat fietsers langs, maar dat is het. Een jonge vrouw in een gele jas zet haar fiets rustig neer en glipt de oude houten deur onder de toren binnen.

In een typisch kerkzaaltje – opgestapelde stoelen in een hoek, een vergeeld schilderij van de kerk aan de wand en een witte kantoortafel in het midden – staat Wim Vermeulen, als missionair predikant verbonden aan deze gemeente – een raam open te wrikken. Zo komt er wat frisse lucht binnen. Op tafel witte kartonnen bekertjes waarop activiteiten van de Jacobikerk, beschreven staan: zo zijn er debatten, maaltijden en nog veel meer zaken in deze actieve binnenstadskerk mee te maken.

De aanwezigen – vier vrouwen en twee mannen van rond de dertig, en een oudere heer – druppelen langzaam binnen.

Dit is de kring ‘In Dubio’ die zo’n anderhalf jaar geleden door Vermeulen is opgericht. De Jacobikerk is volgens hem een kerk ‘met een oprecht missionair elan, maar er zijn ook vragen, twijfels en apathie. ‘Ik zag mensen door de voordeur binnenkomen en aanhaken, maar ik zag ook mensen via de achterdeur verdwijnen. En bij die achterdeur staat meestal niemand’, zo schreef hij hierover in een eerdere publicatie.

Daar wilde hij verandering in brengen, en daarom zette hij een berichtje in de weekbrief van de kerk.  ‘Stel, je bent keurig netjes kerkelijk opgevoed, je noemde jezelf altijd best wel of heel erg gelovig, maar de laatste tijd knaagt het. Je kunt er niet eens echt de vinger op leggen, maar de innerlijke afstand ten opzichte van kerk, geloof en God groeien en je hebt steeds vaker het gevoel dat je ‘het’ kwijt bent. Als je dat herkent en je wilt er iets mee, meld je dan middels een berichtje.’

Er meldden zich binnen een week veertien mensen.

In eerste instantie werden er drie avonden gepland. Vermeulen: ‘Ik nodigde iedereen uit om voorafgaand aan de eerste bijeenkomst een geestelijke levensreis te schrijven. Waar kom je vandaan, waar bevind je je nu en waar zou je naar toe willen? Ook vroeg ik hen om hun verwachtingen en vragen zo nauwkeurig mogelijk te noteren.’

In de avonden daarna bleek dat er vaak verschillende typen thema’s door elkaar speelden. ‘er waren inhoudelijke thema’s. Wie is God? Bestaat hij wel? Wat moet ik met de Bijbel aan?’

Daarnaast waren er gevoelsthema’s. “Hoe vind ik nieuw elan? Wat moet ik als christen eigenlijk hebben ervaren? Waarom maakt geloven me zo onrustig? Ik wil graag meer vertrouwen, maar hoe?”

Naast die twee thema’s waren er nog omgevingsthema’s, waar de deelnemers mee bleken te zitten: de vaak negatieve invloed van het leven in een stad op het geloof, de invloed van erfenissen uit het verleden.

 

Ervaren

Uiteindelijk werd er een top drie van vragen opgesteld die eigenlijk allemaal over de inhoud gingen: Wie is God, Hoe kan ik God kennen? Bestaat God? Vermeulen: “Tijdens onze gesprekken werden me een paar dingen steeds duidelijker. In de eerste plaats dat veel deelnemers leefden met een heel algemeen godsbegrip.  Bij God dachten ze in de eerste plaats aan een groot en almachtig iemand (is het eigenlijk wel Iemand?)  ver weg. De ervaring leert echter al langere tijd dat een algemeen godsbeeld snel vervaagt, of dat je ermee stuk loopt op de werkelijkheid van het leven.”

Ook op het gebied van het ervaren van God waren er verwachtingen die misschien niet reëel waren. “Bij God ervaren dachten ze vooral aan een fijn gevoel behelst van vertrouwen en geborgenheid, aangeraakt worden, vreugde, extase zelfs. Aan de hand van de psalmen ontdekten we dat het Bijbelse ervaringsbegrip veel breder en gelaagder is, en dat ervaring bovendien geen doel is, maar een uitgangspunt: de ervaringen die je in je leven opdoet probeer je in al hun verscheidenheid met God in verband te brengen.”

Na de eerste avonden in het voorjaar van 2017 werd besloten om nog een seizoen lang maandelijks bij elkaar te komen. De groep heette eerst “Help, ik ben het kwijt”, maar werd op suggestie van iemand tot ‘In dubio’ omgedoopt.

Vermeulen: “Er is geen vaste route. We lezen wel altijd iets dat past bij het thema waar we mee bezig zijn. Telkens zijn de vragen van de deelnemers leidend en op hun eigen verzoek ben ik met ‘voorbereidend huiswerk’ blijven werken. Dat blijkt een uitstekende manier om niet langs elkaar heen te praten.”

 

Zomergasten

Op deze zomeravond in de Jacobikerk ervaar ik hoe dat gaat en hoe gemakkelijk deze mensen met elkaar in gesprek gaan over grote onderwerpen. Op tafel ligt het boek Overvloed en overgave van Arjan Plaisier.

Plaisier schetst in dit boek verschillende seizoenen van het geloof. Na de herfst en de winter is het vandaag de beurt aan twee hoofdstukken over de lente en de zomer.

Iedere deelnemer heeft bij elk hoofdstuk minstens één streepje gezet bij een passage die op één of andere manier aan het denken zette.

Het gaat eerst een tijdlang over zogeheten ‘zomergasten’ ofwel gelovigen die door hun vrolijke inslag een voorbeeld zijn voor anderen. Maar dat voorbeeldige gedrag kan ook verlammend werken, zo blijkt al snel.

Femke: “Ik ging bij mezelf te rade of ik zulke zomergasten ken. Hebben jullie dat in jullie omgeving, een paar mensen die dat gegeven is?”

Menno: “Als je het religieuze weglaat, dan moet ik denken aan Thomas Erdbrink, die journalist in Iran. Hij heeft iets vrolijks, iets onaantastbaars. Maar religieus gezien moet ik denken aan een vriendin van mij. Zij kan met een heel klein woord iets cruciaals zeggen. Ze is ook duidelijk over wat God in haar leven betekent. Ik denk aan haar als een soort verlichte persoon.”

Elsbeth: “Het zit ‘m ook in de manier waarop ze omgaan met de strijdpunten in hun leven. Ik moet denken aan iemand op mijn bijbelkring. Zij kan als ons gesprek hapert ineens ‘pang’ zo’n vraag stellen waardoor je recht op je stoel gaat zitten. De manier waarop ze als arts omgaat met standpunten van anderen in haar werk, vind ik ook inspirerend. Ze respecteert de keuzes van anderen, maar ze durft ook te zeggen hoe ze als christen over bepaalde dingen denkt.”

Vermeulen: “Het is natuurlijk niet zo dat het een soort modelkinderen van God zijn.”

Elsbeth: “Nee. Ze is er ook eerlijk over dat ze moeilijk vindt en dat vind ik juist aansprekend.”

Femke: “Afgelopen week was ik bij mijn oma. Het gaat helemaal niet goed met haar, maar voor mij is zij een echte zomergast. Zij is constant aan het praten met God en neemt mij ook mee in dat gesprek. ‘Hoe lang nog, Heere’,  zegt ze weleens. Zij kijkt echt uit naar de volgende fase, naar het hiernamaals.”

Sara: “De manier waarop Plaisier die zomergelovigen beschrijft doet mij heel erg denken aan alle omschrijvingen van kinderen van God van vroeger. Je moet weer iemand zijn die je niet bent. Ik lees erin dat het gaat over het ‘begenadigde volkje van God’, een soort select gezelschap. Voor mijn gevoel word je dan heel erg in een bepaalde richting geduwd en daar heb ik een allergie voor.”

 

 

De poëtische inslag van het boek van Plaisier wordt stevig bekritiseerd in de loop van de avond, maar het roept ook ontegenzeglijk een open gesprek op.

Hans“Ik vond dit aanvankelijk een wijs boek. Vaderlijk en meeslepend geschreven. Maar ik ben het nu weer gaan lezen en ik ben weerbarstig geworden. Ik ben ‘In dubio’, ik begrijp niet zo veel van het geloof als ‘lentegave’ waar Plaisier over schrijft. Ik kan er niet bij. Daarom ben ik hier. Maar dat is mijn particuliere gevoel, en dat wil ik niemand opdringen.”

Derk: “Geloof je dus eigenlijk niet dat iemand verliefd kan zijn op God? Wat vind je dan van bijvoorbeeld een monnik of non?”

Hans: “Liefhebben is voor mij niet hetzelfde als een innig gevoel hebben. Die EO-zangeressen met hun smachtende stem, ze mogen er zijn, maar ik heb er niets mee. Voor mij is een monnik of non iemand die bidt voor de zonden van zichzelf en van anderen. Net als mijn moeder deed. Een paar maanden voor haar dood zat ik bij haar. ‘Voor mijn kinderen móet je wel de hele dag bidden’, zei ze. Die humor had ze behouden, ook al was ze blind geworden. Dat is voor mij een monnik, iemand die bidt voor anderen, net als mijn moeder deed.”

Hans is verreweg de oudste in het gezelschap. Hij spreekt met zelfspot over zijn twijfels, die niettemin bij hem diep gaan, ook door gesprekken met zijn kinderen, die zich afvragen of het geloof nu zo nodig is om een goed mens te zijn. Amnesty International doet toch ook goed werk? Hans: “Ik had gehoopt met het ouder worden wijs te worden, maar dat valt tegen.”

Zijn twijfels in het geloof heeft hij altijd voor zijn vrouw verborgen gehouden, toen zij nog leefde, vertelt hij, en daar sprak je ook niet over in die tijd in de gereformeerd-vrijgemaakte kerk waar ze lid van waren. “Ik heb mijn vrouw nooit geconfronteerd met mijn aarzelingen. Ik had negatieve ervaringen, maar die had zij niet.”

Het verhaal van Hans zorgt voor een interessante interactie met de anderen, die allemaal een generatie jonger zijn. Femke: “In mijn relatie vind ik het ook een lastig punt. Mijn vriend en ik hebben allebei onze strubbelingen. Hij is heel rationeel ingesteld, en hoeft niet zozeer te voelen dat hij gelooft. Bij mij zit dat wat anders.”

Gaandeweg het gesprek komt het punt naar boven dat gelovigen die een voorbeeld voor je zijn, ook een verlammend effect kunnen hebben. Het is juist op dit soort punten dat Vermeulen zelf als theoloog een extra aspect binnen het gesprek brengt.

Vermeulen: “Ik wilde graag die verlamming op tafel hebben. Al die mensen die wij noemen, zullen zichzelf niet als een voorbeeld zien, of zien dit in ieder geval niet als een verdienste. We kunnen wel proberen om hen als een voorbeeld naar ons toe te trekken, maar als dat verlammend werkt, trek je jezelf ook weer de sfeer van die verdienste in.”

Elsbeth: “Een van de dingen die mij het meest bijblijven van deze avonden is de terugkerende vraag: hoe hoog leg je de lat? Het kan inspirerend zijn om te verlangen naar groei en anderen te zien als een voorbeeld, maar het kan ook verlammend werken.”

Wim: ”Volgens mij is er ook nog een derde weg. Dat is die van Paulus. Hij heeft het over dankbaarheid, dat je God dankt voor die ander. Dus zonder in de concurrentiestand te staan. Dan wordt het gewoon een feest.”

 

Zomergevoel

Aan het eind vraag ik deelnemers –die allemaal een kerkelijke achtergrond hebben- nog eens rechtstreeks waarom het lijntje met de kerk op een gegeven moment dun werd, en wat deze kring daarin voor hen betekend heeft.

Elsbeth: “Het is iets meer dan een jaar geleden dat ik het oproepje van Wim las. Ik beschouwde mezelf steeds meer als een draaideurchristen: op het ene moment voelde ik me erbij horen, en op het andere moment had ik het gevoel dat ik erbuiten stond, ook al ben ik best actief in de kerk. Ik vond dat ik daarin een keuze moest maken. Door deze kring kreeg ik sowieso de ervaring dat je niet de enige bent die die gedachte heeft. Het zijn de vraagstukken van anderen die je aan het denken zetten: wat voor beelden heb ik zelf in mijn hoofd gehaald?”

Maria: “In dubio zijn: dat staat ook gewoon synoniem voor het geloofsleven.”

Femke: “Ik kom al ongeveer tien jaar in allerlei kerken, ik was ook sporadisch in de Jacobikerk. Het was dus vrij toevallig dat ik dit bericht las. Voor mij was het een opstapje om meer actief met deze vragen bezig te gaan. Het heeft me veel gebracht. Mijn geloof is een stuk levendiger geworden. Ik merk ook dat dit clubje vaak het begin is van mooie gesprekken.”

Menno: “Ik ging wel elke zondag naar de kerk, maar ik was het een beetje kwijt. Ik dacht, toen ik het berichtje las: baat het niet, dan schaadt het niet. Het is niet zo dat ik het geloof kwijt was, maar wat het dan wel was, weet ik nog steeds niet. Ik ben nu zo ver dat ik denk: ik geloof de kern wel, maar ik weet nog niet zo goed wat ik ermee aan moet. Ik werk in een omgeving waarin niemand religieus is. Moet je nu alweer om negen uur de koffie klaarzetten in de kerk, vragen ze dan. Daar snappen ze echt niets van. Hoe moet ik daarmee omgaan? Het is fijn om mensen te spreken die dezelfde soort twijfels hebben. Op een bijbelkring is iedereen vol vuur, maar hier merk je dat mensen in de kerk ook hun twijfels hebben. Dat gaf rust.”

Maria: “Je maakt kennis met nieuwe gezichtspunten, dat is waardevol”. 

Femke: “En er is iemand bij met kennis van zaken, die er een klap op kan geven.”

Derk: “Ik denk dat christenen elkaar graag het lente- of zomergevoel proberen over te brengen. Maar het is lastiger om te praten over de tijden dat het minder gaat. Dat je hond dood is gegaan, dat gaat nog. Maar een depressie of burnout, dat is lastiger om over te praten. Toen ik hoorde over deze kring vond ik het wel spannend: wie gaat daar zitten? Ik was van sommigen best verrast dat ik ze hier trof. Maar kennelijk ervaren wij hetzelfde, en het is mooi om dan de ervaring te hebben: hier komen we samen wel uit.”

Vermeulen: “In feite zijn we gewoon een volwassencatechesegroep geworden. We zijn gewoon bezig met de grote vragen die iedere generatie stelt. Ik denk bij deze kring steeds vaker: dit is het normale christelijke leven”.

 

Nels Fahner

 

Aan het begin van de avond was het onduidelijk hoe persoonlijk de gesprekken zouden worden. Daarom zijn de namen van de deelnemers gefingeerd.