Christelijke politiek bedrijven, kan dat eigenlijk wel?

Christenen hebben vaak wel uitgesproken ideeën over politiek, bijvoorbeeld waar het gaat om de behandeling van vluchtelingen. Maar hoe werkt dat eigenlijk, je persoonlijk geloof politieke inhoud geven, kun je een persoonlijk appel een op een overzetten naar  een politiek standpunt? En zou je inderdaad rechtstreekse politieke aanwijzingen kunnen halen uit de Bijbel? Helaas, daarvoor is de werkelijkheid toch  echt te complex, meent Rien Fraanje.

De maatschappelijke en politieke realiteit is complex, veel te complex om zelfs maar te suggereren dat welk religieus boek dan ook voor elk probleem duidelijk richting geeft. Een goede illustratie daarvan is het actuele debat over hoe we politiek moeten omgaan met de toestroom van vluchtelingen. Het is niet aan mensen om het keurmerk ‘christelijk’ toe te kennen aan een politiek.

Ik ben nu al zo’n kwart eeuw op verschillende manieren actief betrokken bij het CDA. In die 25 jaar heeft de partij hoge pieken bereikt en is zij door diepe dalen gegaan. Ze kreeg steun omdat het bereid is verantwoordelijkheid te nemen. Ze werd bekritiseerd omdat ze te bestuurlijk zou zijn. Het CDA wist grote schare kiezers achter zich te krijgen omdat het bereid was soms pijnlijke maar noodzakelijke geachte besluiten te nemen. En het werd verguisd omdat het essentiële principes overboord gooide.

 

De C niet waard

Het meest gehoorde verwijt dat ik in al die jaren over mijn partij voor de voeten kreeg geworpen, was dat een standpunt of een maatregel niet christelijk zou zijn. Het bevriezen van uitkeringen, steun verlenen aan een militaire actie, het versoberen van onderdelen van onze verzorgingsstaat en heel recent, een stringent vluchtelingenbeleid voorstaan; het leverde steevast het verwijt op dat het CDA de C in zijn naam niet waard is.

Nu zou het al te gemakkelijk zijn om in zulke situaties tegen te werpen dat het CDA ook geen christelijke maar een christendemocratische partij is. Dat zou immers ten onrechte kunnen suggeren dat christendemocraten niet kunnen worden aangesproken op hun christelijke inspiratie en fundament. Tegelijk moet ik toegeven dat het onderscheid tussen een christelijke en christendemocratische politiek voor mij essentieel is. Ik vind het ongemakkelijk om een bepaalde politiek het goedkeuringsstempel ‘christelijk’ mee te geven. Is het aan ons mensen om te bepalen wat wel of niet het keurmerk van boven mee mag krijgen?

Het miskent ook dat de bijbel geen eenduidig handboek is dat op alle politieke dilemma’s antwoord geeft. We moeten zelfs toegeven dat de Bijbelboeken elkaar soms tegen (lijken te) spreken. Roept Jezus ons op om pacifist te zijn als hij zijn volgelingen opdraagt om hun linkerwang toe te keren als ze op de rechter worden geslagen? Of mogen uit de verhalen in het Oude Testament opmaken dat volkeren het recht hebben om hun soevereiniteit te verdedigen als ze worden aangevallen? We kunnen in alle nuchterheid vaststellen dat daar onder christenen verschillend over werd en wordt gedacht.

 

Te complex

Er is daarnaast nog een fundamenteler probleem met het label christelijke politiek. De alledaagse maatschappelijke en politieke realiteit is te complex om alleen maar te suggeren dat welk religieus boek dan ook voor elk probleem duidelijk richting geeft. Het actuele debat over hoe we politiek moeten omgaan met de toestroom van vluchtelingen die in Europa een veilig heenkomen zoeken illustreert dat feilloos. Ons geloof schrijft ons voor dat we moeten omzien naar hen die kwetsbaar zijn. Daarmee lijkt het evident dat we ruimhartig mensen moeten opvangen die vluchten voor oorlogsgeweld of voedselschaarste.

Maar hier gaat het schuren. Want de komst van vluchtelingen naar Nederland leidt er toe - en nee, dat is geen fabeltje maar harde realiteit - dat mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt die al in een kwetsbare positie verkeren er nieuwe concurrenten bij krijgen. Of dat mensen die al heel lang wachten totdat een huurhuis beschikbaar komt, nieuwe statushouders voor moeten laten gaan. Waar maakt de Bijbel duidelijk met wie we het meest solidair moeten zijn: met de mensen die van ver komen of de mensen die al lang in onze  stad wonen?

Deze lastige kwestie laat zien dat het zinvol is om een knip aan te brengen tussen enerzijds het persoonlijke appèl dat de Bijbel op ons mensen doet om oog te hebben voor onze naasten die in nood verkeren en anderzijds de eventuele politieke vertaling van dat politieke appèl. De conservatieve rechtsfilosoof en CDA-fractievoorzitter in Amsterdam, Diederik Boomsma, zette dat onderscheid eind vorig jaar scherp neer in een interview met Elsevier: “Naastenliefde is een persoonlijke opgave. Ik vind het nobel als je persoonlijke offers brengt om mensen in nood te helpen. Maar zodra je daar politiek mee gaat bedrijven, asielactivisme, zijn die offers niet persoonlijk, maar leg je die via de staat op aan de samenleving als geheel. De kosten leg je dan op aan anderen. Jezus prees de Barmhartige Samaritaan omdat hij een individu te hulp schoot, niet omdat hij een heel volk Judea binnenloodste.”

Ik vind het onderscheid dat Boomsma aanbrengt tussen de persoonlijke opgave en het bedrijven van politiek verhelderend en zuiver. Maar naar mijn smaak voert hij  die in zijn consequenties te absoluut door. Politiek is met elkaar keuzes maken en uit een democratisch proces van debat en besluitvorming kan heel wel volgen dat een samenleving vluchtelingen wil opvangen. Tussen een heel volk opvangen of één Samaritaan helpen ligt nog een hele wereld.

 

Vertalen

Hoe kunnen we die persoonlijke opgave dan wel vertalen naar een politieke opdracht? De docent katholiek sociale leer aan de Fontys Hogeschool Fred van Iersel heeft in het themanummer van Christen Democratische Verkenningen  over de vluchtelingenproblematiek (lente 2016) geprobeerd de notie ‘barmhartigheid’ die vaak als persoonlijk wordt aangeduid, te verbinden met ‘rechtvaardigheid’ die als een politieke kernwaarde wordt gezien.

Van Iersel stelt dat barmhartigheid en rechtvaardigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: “Een barmhartige overheid is wel degelijk mogelijk en nodig, maar onder de randvoorwaarde dat zij rechtvaardig is en veiligheid bevordert: alleen dan komt het surplus van de barmhartigheid tot zijn recht. Zonder gerechtigheid slaat barmhartigheid een samenleving uit het lood.” Andersom geldt dat het recht zelf de barmhartigheid nodig heeft om niet nodeloos te verharden en verstarren.

De essentie voor Van Iersel is dat de twee in ieder geval niet als tegenstelling tegen elkaar mogen worden uitgespeeld: “Waar het over beleid gaat, is het voor politici zaak aannemelijk te maken dat barmhartigheid jegens vluchtelingen niet in de plaats komt van gerechtigheid jegens vluchtelingen en de ontvangende bevolking.”

 

Schipperen

Met het verbinden van barmhartigheid en rechtvaardigheid is evenmin een complete en allesomvattende richtlijn afgegeven voor christelijke politiek. Het maakt eerder duidelijk dat een politieke invulling geven aan christelijke noties steeds weer schipperen en wegen is. En dat we daarin zonder meer ook fouten maken. Juist vanwege dat besef van onze feilbaarheid moeten we terughoudend zijn om in de publieke ruimte een politiek, partij of politicus te (dis-)kwalificeren als christelijk of onchristelijk. Daarmee doen we geen recht.

Dat betekent niet dat we in relativisme hoeven te vervallen. Als een medelid uit mijn kerkelijke gemeente mij op zondagochtend bij de koffie de bekentenis doet dat de PVV op zijn steun kan rekenen, zou ik hem of haar zeker wel bevragen op zijn drijfveren. Ik zou oprecht nieuwsgierig zijn hoe hij Bijbelse noties van naastenliefde en menswaardigheid kan rijmen met de polarisatiepolitiek van de partij zonder leden.

Maar in het publieke debat werkt het altijd beter om dubieuze politiek te bestrijden met goede tegenargumenten in plaats van christelijke keurmerken uit te delen of te onthouden terwijl wij mensen helemaal niet de certificerende instelling zijn.

 

Rien Fraanje was directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Vanaf 1 maart is hij secretaris-directeur van de Raad voor het openbaar bestuur. Zie hier voor een reactie op dit stuk van de hand van Wouter Beekers, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.