500 jaar Reformatie: 'Zelf kunnen geloven is een groot goed'

500 jaar Reformatie is in ons land uitgebreid gevierd. Maar wat kunnen we eigenlijk leren van vijfhonderd jaar gekibbel en ellende? Volgens kerkhistoricus prof. dr. Mirjam van Veen moeten we niet te negatief denken over de verworvenheden van de reformatie. Het was een veelkleuriger beweging dan menigeen denkt. Zij schreef er een boek over: Luther en calvinistisch Nederland.

 

Over calvinisme doen allerlei definities de ronde. Hoe kijkt u aan tegen dat begrip? In hoeverre kan het een inspiratiebron zijn?

“Ik denk dat het gebruik van de term bijna onvermijdelijk is. Maar ook vrij ongelukkig, want het gereformeerde protestantisme was vanaf het begin veelkleurig en divers; het is altijd al een brede bedding geweest. De term calvinisme suggereert een eenduidigheid die er niet was. Heinrich Bullinger schreef bijvoorbeeld een prekenbundel die op VOC-schepen meeging. Die hoogte heeft Calvijn in de Lage Landen nooit bereikt. Vanaf de vroege gereformeerde kerk tot aan Kuyper waren er heel uiteenlopende figuren bij het gereformeerde protestantisme betrokken, Bullinger en Calvijn, maar ook Melanchthon, de rechterhand van Luther, die als het om de predestinatieleer ging ver van Calvijn afstond. Die breedte van blik verdwijnt aan het eind van de 19e eeuw. De term calvinisme suggereert een eenduidigheid en eenkennigheid die er in de geschiedenis niet zo geweest is.”

 

Op welke manier heeft Abraham Kuyper ons beeld van de reformatie beïnvloed?

“Doorslaggevend, denk ik. Zijn leerlingen maken van Calvijn het één en het al. Rutgers schrijft: ‘zo belangrijk als Calvijn was er geen’. Kuyper had zo zijn redenen om Calvijn op een voetstuk te zetten. Hij had een held nodig, en dat werd Calvijn. Maar historisch klopt het niet.  Kuyper had een ideaal voor ogen voor zijn vrije kerken; die moesten onafhankelijk zijn en geleid worden door gewetensvolle christenen die zich hadden gecommitteerd aan het geloof. Dat etiket plakt hij op de vluchtelingengemeenten uit de tijd van Calvijn. Maar die suggestie van onafhankelijkheid was aantoonbaar onjuist: de vluchtelingengemeente van Emden viel bijvoorbeeld onder de plaatselijke kerk; iets vergelijkbaars kun je zeggen van die van Wesel en de kerk van Londen viel onder de plaatselijke bisschop. Kuyper schiep dus een bepaald beeld van de vluchtelingengemeenten, hij deed aan ‘invented history’ zouden wij nu zeggen. En daarin was hij heel succesvol.”

 

Waarom is Luther voor de gereformeerden eigenlijk altijd een soort held gebleven?

“Omdat hij de Reformatie was begonnen. Dat sprak niet alleen lutheranen, maar ook de gereformeerden aan. Luther was voor hen degene die de waarheid van het evangelie opnieuw voor het voetlicht had gebracht.”

 

Lutheranen hadden politiek gezien een andere positie dan gereformeerden. Waarom hielden zij zich eigenlijk afzijdig van de Opstand tegen Spanje?

“Dat had toch te maken met het idee van de gehoorzaamheid aan de overheid. Toen de lutheranen zich in Antwerpen gingen organiseren om in opstand te komen, zei Luther: dit is niet de bedoeling. Daarmee schakelden de lutheranen zichzelf uit en kwamen ze in het achterschip van de opstand terecht. Voor de gereformeerden was de opstand tegen Spanje de enige kans om een legale plek te veroveren. De Prins van Oranje speelde in op dat verlangen: hij schreef brieven aan gereformeerde kerkenraden waarin hij vroeg om de opstand actief te steunen met wapens en geld. Hij suggereerde ook dat de strijd om religieuze vrijheid ging. Zo werden politiek en kerk in elkaars armen gedreven.”

 

Welke invloed had de omgang met vluchtelingen op de onderlinge verhoudingen tussen gereformeerden en lutheranen?

“Het thema vluchtelingen heeft op zich niet zo veel invloed gehad, behalve dan het geschrift dat Johannes Utenhove publiceerde over een groep gereformeerde vluchtelingen. Dat ging om ongeveer 175 protestantse vluchtelingen uit Londen, die vandaar door Europa trokken op de vlucht voor Bloody Mary. Zij kwamen op Luthers gebied terecht en stelden zich op als missionarissen; de lutheranen konden volgens hen profiteren van het gereformeerde geloof. De lutheranen voelden er weinig voor om hen een eigen kerkgebouw te geven.

Utenhove publiceerde vervolgens een tranentrekkend verhaal over de zwerftocht die deze mensen hadden gemaakt door Denemarken en Noord-Duitsland, met beschrijvingen van kinderen met bevroren handjes en vrouwen die moesten baren in de sneeuw. Calvijn waarschuwt hem nog dat dit geschrift de verhouding met de lutheranen zal vergiftigen, maar Utenhove luistert niet en publiceert toch. Dat verhaal heeft de verhoudingen tot pakweg 1950 belast. Gereformeerden zetten de lutheranen weg als intolerant, en andersom vonden lutheranen de gereformeerden hypocriet. Gereformeerden deden alsof ze voor de eenheid waren, maar ondertussen weigerden ze zich aan te passen aan de lutherse gebruiken. Daarmee heeft men elkaar tot 1950 om de oren geslagen. En zoals het gaat in een klas vol kinderen waarin een verhaal wordt doorverteld: het verhaal werd steeds erger. Eerst was er sprake van dat er onder die gereformeerde vluchtelingen één oude man bij die barre tocht gestorven zou zijn, later was het zo dat de een na de ander stierf.”

 

Zo bezien is het Samen-op-wegproces een historische doorbraak geweest.

“Er zijn altijd al herenigingspogingen door de gereformeerden geweest, omdat de Reformatie toch gezamenlijk begonnen was. Gereformeerden waren ook altijd bereid lutherse belijdenisgeschriften te ondertekenen: volgens hen waren beide stromingen het over de fundamenten eens. De lutheranen vonden echter dat er met de gereformeerden altijd gedonder van kwam. Uiteindelijk waren het de orthodox-gereformeerden die op de rem trapten, en dat is historisch gezien eigenlijk vreemd. Juist zij hebben goede reden om te zeggen: wij zijn het in essentie eens met Luther.”

 

U gaat ook in op het leven van Luther. In hoeverre biedt dat leven ook aanknopingspunten voor de hedendaagse oecumene tussen rooms-katholieken en protestanten?

“Dat weet ik niet zo goed. Ik denk soms dat de geschiedenis tot nadenken stemt bij het verlangen naar eenwording van kerken. Als de terugkeer naar de ware kerk niet goedschiks lukt, dan maar kwaadschiks – zo ging het vaak. Als gesprekken niet lukken, dan maar met de knoet. Ik denk daarom dat diversiteit een goed is, zolang je elkaar maar erkent als ware kerk. Daarin moet je niet kleinzielig zijn. De katholieke kerk die de protestanten kerk-achtig noemt: dat is mij te mager. Je moet elkaar voluit erkennen als gestalte van het lichaam van Christus.”

 

Luther bleef aanvankelijk gewoon de mis bedienen. Zou hij nu ter communie gaan?

“De misstanden van de katholieke kerk van destijds zijn wel opgelost. Het verdienmodel van de Middeleeuwse kerk met zijn aflaten, dat is er niet meer. Maar het offerkarakter van de mis was voor Luther ook hoogst problematisch. Volgens de traditionele leer zou Christus bij de mis telkens opnieuw op onbloedige wijze geofferd zijn. Het offer wordt dus herhaald. Dat is volgens de hele reformatie onzin. Christus is één keer gestorven en dat is genoeg.

Op de achtergrond speelt daarbij ook sociale kritiek op de macht van de kerk. De traditie schrijft voor dat bij de mis, als de instellingswoorden worden uitgesproken, Christus lijfelijk present wordt gesteld. Als je dat belijdt schrijf je aan de priester een enorme macht toe. Volgens de dopersen en de lutheranen kun je wel bidden om Gods aanwezigheid, maar kun je die niet afdwingen. Dat is ook waar mensen tegen te hoop liepen, zelfs zo dat ze de mis belachelijk maakten. Dat was uit weerzin tegen de macht die priesters zichzelf toekenden. Die sociale kritiek is nu niet meer aan de orde, want de rooms-katholieke kerk in Europa heeft geen macht meer, maar dat aspect leefde zeker mee bij Luthers latere afwijzing van de mis.”

 

Luthers gedachtegoed werd snel verspreid mede dankzij de drukpers en allerlei propagandaprenten. De vergelijking dringt zich op met bijvoorbeeld de Arabische Lente, die ontstond mede dankzij internet.

“Of die vergelijking opgaat, weet ik niet. Daarvoor zitten we er nu nog te dicht op. Ik denk dat een bepaald type retoriek wel gevaarlijk is. Luther identificeerde zijn tegenstanders met de duivel. Hij deed dat ook met Joden. Dat type retoriek is een opmaat voor geweld. Voor mij is dat reden om erg op te passen met zulke uitspraken.

Als je je tegenstander identificeert met de macht van het kwaad, legitimeer je geweld. Dat zie je nu gebeuren bij radicale moslims ten opzichte van het Westen. Maar ook in xenofobe kringen in Europa en Nederland, als zij zich uitlaten over moslims. In Vlaanderen werd pas een foto gepubliceerd van een vrouw in boerka naast een vuilniszak, met als tekst ‘zoek de verschillen’. Dan beeld je iemand af als vuil. De stap naar geweld is dan niet groot.

Je zou dat debat fatsoenlijk moeten voeren, zonder een sfeer van geweld op te zoeken. Als je met woorden grenzen overschrijdt, kan dat mensen in gevaar brengen. Het zelfde geldt voor een uitdrukking als ‘een tsunami van moslims’ die ons zou overstromen. Dan stel je mensen voor als onderdeel van natuurgeweld, van een kwade macht die mensen te na komt. Dan dehumaniseer je mensen. Dat is een levensgevaarlijk type retoriek.”

 

Wat is de winst van 500 jaar reformatie herdenken?

“Ik vind het in de Protestantse Kerk een mooie herdenking geworden. Het is niet allemaal rozengeur en maneschijn geweest, maar er is ook voldoende om trots op te zijn. Protestanten moeten zichzelf niet te veel in de hoek zetten, om daar te tobben over wat niet goed was. Dat je zelf kunt geloven, dat je zelf ook verantwoordelijk bent voor je geloof: dat is een groot goed. Ook de religieuze diversiteit is een groot goed. Ik kan op zondagmorgen besluiten of en naar welke kerk ik ga. Dat is winst. Ik hoop verder ook dat er meer aandacht komt voor het feit dat de reformatie veel veelzijdiger was dan we vaak denken.”

 

Hoe ziet u de toekomst van het protestantisme? En welke rol spelen de evangelische christenen, ook erfgenamen van de reformatie tenslotte, daarin?

“Zij worden steeds belangrijker, alleen al getalsmatig. Tegelijk met hun opkomst ontstaat er in de traditionele protestantse kerken de bereidheid om van elkaar te leren. De theologische bezinning was bij de evangelischen altijd wat minder sterk ontwikkeld, maar de laatste tijd is dat ook wat rechtgebreid: er is waardering voor grondige theologiebeoefening gekomen. Anderzijds hebben protestantse kerken lang het gevoel veronachtzaamd. Er is nu steeds meer bereidheid om daarop terug te komen.

De toekomst van het protestantisme? Geen idee. Ik ben niet zo goed in grote woorden. Je moet als gelovige je best doen. Kerken moeten ook hun best doen. Er wordt nog te vaak vrolijk aangeklungeld. Daar kun je wat aan doen, aan de muziek of aan de preek, maar het is geen garantie voor groei. En de rest moeten we maar overlaten.”

 

Met de pioniersplekken oogst de Protestantse Kerk veel lof in de media. Dat geeft ook een nieuw elan.

“Het is heel goed dat de Protestantse Kerk uit de schulp is gekropen, en dat men heeft gedacht: laten we het gewoon proberen. Dat levert soms hele mooie dingen op. Maar je moet ook bedenken dat de massale gelovigheid aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw een uitzondering was. De tijd dat praktisch iedereen lid was van een kerk, duurde eigenlijk maar kort.

Dat maakt mij ook vrij laconiek. We weten dat men in de 16e en de 17e eeuw vergaderde over vragen als: wat doen we met catechismusdiensten waarbij alleen het gezin van de predikant aanwezig is? Dat soort vragen heb je niet als je kerk altijd bomvol zit. Ik bedoel maar: het was altijd al een moeizaam getob. En dat de kerken vroeger altijd vol zaten is gewoon niet zo. Dat relativeert veel, vind ik.”

 

Nels Fahner

 

Mirjam van Veen. Luther en calvinistisch Nederland. Uitg. Boekencentrum Utrecht, 16,95 euro