2019

Secularisatie, of opnieuw onbevangen zoeken

15-07-2019

Nederland seculariseert. Alleen de gereformeerde bolwerken houden nog stand, is het algemene idee. Maar ook de Gereformeerde Bond is niet meer het fort waarvoor het altijd gehouden werd. Dat biedt gelegenheid voor een gezamenlijke zoektocht. En voor eerlijkheid.


tekst Matthijs Schuurman, beeld Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed


Lange tijd leek de secularisatie aan de Gereformeerde Bond voorbij te gaan. Dat leek in ieder geval zo voor andere delen binnen de Protestantse Kerk in Nederland, bij wie de Bond als heel stellig en robuust overkwam.
Maar binnen de Gereformeerde Bond zelf wordt over het thema secularisatie al enige tijd wel degelijk intensief nagedacht.
Alle conferenties voor predikanten binnen de Gereformeerde Bond die ik in de afgelopen jaren heb meegemaakt, zijn te verbinden met het thema
secularisatie.
De ene keer ligt de nadruk op wat er van de kerk wordt verwacht in een geseculariseerde omgeving. De andere keer ligt de nadruk op een missionaire houding. Op de onlangs gehouden predikantenconferentie lag de nadruk op de verlegenheid, die de secularisatie oplevert.
Die verlegenheid werd nog wel keurig verpakt in mooie lezingen, waarin aandacht werd gevraagd voor de ontwikkelingen die in de cultuur plaatsvinden. Maar tussen de regels door, in de nabespreking en in de wandelgangen, was voor een goede verstaander de verlegenheid te merken.
Er is sprake van afnemend kerkbezoek. In de meeste gevallen gaat het dan om de middagdienst, die minder bezocht wordt.
Predikanten spreken gemeenteleden van wie de kinderen afscheid hebben genomen van het geloof. Of ze spreken gemeenteleden die zelf aan het afhaken zijn, of die niet meer in de kerk komen omdat het geloof hen niets meer zegt.


Verwarring en onzekerheid
Vooral deze laatste ervaring zorgt voor veel verwarring en onzekerheid. De preken die ze voorbereiden, de diensten die ze houden, de bijeenkomsten die georganiseerd zijn, ze slaan dood op de onverschilligheid. God is niet meer nodig.
Als je met die onverschilligheid geconfronteerd wordt, heb je niets meer aan de gebruikelijke antwoorden. De vraag naar een genadig God is een veel dieper gravende vraag dan de vraag of God bestaat. Maar als je spreekt met mensen voor wie God geen issue is, dan hoef je ook niet aan te komen met de vraag of je wel voor God kunt bestaan. God doet er niet toe. Op de conferentie zou het niet alleen gaan over de verlegenheid. De aandacht zou ook uitgaan naar wat uit onze traditie ons als predikanten op de been houdt. Dat is geen eenvoudige overgang: van de verlegenheid zelf, naar iets uit je traditie dat je helpt om te gaan met die verlegenheid, bij jezelf en bij anderen.
Dat vraagt allereerst om het toelaten van die verlegenheid. Dat vraagt ook te accepteren dat de tot dan toe gevolgde strategie om de gevolgen van de secularisatie te negeren - omdat ze vooral in andere delen van de kerk spelen - niet helpt. 
Zulke ervaringen stemmen wel tot nadenken. In mijn huidige werkomgeving kom ik het niet direct tegen. Ik ben wel begonnen in een omgeving waarin voor de meeste mensen die niet meer naar de kerk gaan,  God er niet toe doet.


Cultuurschok
Dat was voor mijzelf niet altijd eenvoudig. Het was allereerst een cultuurschok toen ik vanuit Veenendaal, waar de kerk er nog redelijk vanzelfsprekend bij hoorde, terechtkwam in een omgeving waar de kerk slechts door enkelen werd bezocht.
Ook voor de gemeenten die ik daar diende was dat niet makkelijk. Ze waren al wel gewend om als een van de weinigen uit hun eigen omgeving met geloof bezig te zijn. Maar ze waren zelf opgegroeid in een tijd waarin geloof er nog gewoon was. En ze hadden meegemaakt dat vrienden en familie de kerk vaarwel zeiden.
Het is mij altijd bijgebleven dat ik niet was voorbereid op het werken in een omgeving waar geloof er niet meer bijhoort. Ik had er ook niet over nagedacht wat het betekent voor de kerk. Ik kwam er in die tijd ook nog niet aan toe, omdat ik nog volop bezig was te ontdekken wat mijn taak en rol was als predikant.
Terugkijkend op die periode kan ik een paar thema’s noemen, die van belang zijn om op te pakken als het geloof nietszeggend aan het worden is.
Het vraagt om nadenken over de eredienst en de preek: hoe kunnen de eredienst en de preek zo worden vormgegeven dat de kerkganger in het geloof gevoed wordt, ook als je maar met weinigen bij elkaar bent? Daarnaast moet de inhoud van de preek er niet op gericht zijn nostalgie te voeden, maar om de onbevangen manier van geloven te herontdekken. Daarvoor moet je accepteren dat het geloof lang niet iedereen iets zegt. Tegelijkertijd vraagt het ook om je vertrouwen op God niet te laten ondergraven door je eigen verlegenheid.
Zoals ik al zei, ik was er niet op voorbereid. De cultuurschok bracht mij enorm aan het twijfelen en ik slaagde er niet in die twijfel buiten mijn preken te houden.
Ik wil niet beweren dat twijfel niet in preken verwerkt mag worden, maar wel dat de twijfel geen eindresultaat moet zijn. Twijfel bouwt de gemeente alleen op, als daarmee de weg naar God gevonden wordt.


Geblokkeerd
Bij mij raakte die weg juist geblokkeerd. Terugkijkend had ik mensen om mij heen nodig, zoals collega’s met wie je ervaringen deelt, die je begrijpen maar er ook in slagen je uit de twijfel te leiden naar een nieuwe onbevangenheid. 
Door de predikantenconferentie besefte ik dat die zoektocht naar een nieuwe onbevangenheid, waarbij de verlegenheid toegelaten wordt, een gezamenlijke zoektocht is geworden. Daarin kunnen we elkaar van dienst zijn. Door te luisteren naar elkaars onmacht en verlegenheid. Door samen te zoeken naar Gods wil en Gods aanwezigheid in deze tijd.
Niet alleen in eigen kring, maar ook samen met andere delen van de kerk, waarin deze ervaring herkenbaar is en waar wellicht al wegen gevonden zijn naar die nieuwe onbevangenheid.

Lees verder

‘Bij behandeling van psychiatrische stoornissen zijn hoop en zingeving onmisbaar’

28-06-2019

Hoe beïnvloedt een depressie je geloof? Kunnen je godsdienstige overtuigingen helpen als je verslaafd bent? Dit soort vragen en nog veel meer zijn het terrein van de klinische godsdienstpsychologie. Maar ook compassie en hoop spelen een belangrijke rol.

 

tekst Hanneke Schaap-Jonker, beeld Jaco Hoeve Fotografie, Phere

 

In het paradijs staan twee bomen. De ene boom is de boom van het oordeel: de boom van kennis van goed en kwaad, de boom van het onderscheid.
De andere boom is de boom van de aanvaarding: de boom van het leven, van vrijheid en verbondenheid. God zegt tegen de mensen: van die boom van het oordeel en het onderscheid word je niet gelukkig. Ik ben de Enige die tegelijkertijd volmaakt kan liefhebben en volmaakt kan oordelen.
Maar er wordt toch gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad. Vanaf dat moment zuchten mensen onder het oordeel, veroordelen ze elkaar en zichzelf, zijn ze slecht in staat tot onvoorwaardelijke aanvaarding en onvoorwaardelijke liefde.
Het leven is geen paradijs. Mensen hebben te maken met ziekte en psychiatrische stoornissen. We worstelen met angsten, somberheid, verslavingen, psychose, agressie, trauma’s, verslaving, zelfveroor- deling.
Fundamentele vragen
Al deze zaken raken ons mensen in wie we zijn. Ze schudden aan onze levensboom en rammelen aan de fundamenten van onze existentie. Ze roepen fundamentele vragen op naar zin en betekenis, en ze hebben invloed op de manier waarop we kijken naar onszelf, naar anderen, de wereld en God.
Dit staat centraal in het vakgebied van de klinische godsdienstpsychologie. In de klinische godsdienstpsychologie staan de relaties tussen psychische problemen en geloof of zingeving centraal.
Het gaat er niet alleen om hoe religie en spiritualiteit invloed uitoefenen op het psychisch functioneren, maar ook om hoe psychologische processen een rol spelen in geloof en ongeloof, in zin en zinloosheid, in twijfel en religieuze worstelingen.
Maakt geloof ziek, of helpt het bij herstel? En wat doet het met de religieuze overtuigingen en praktijken, het ervaren van zin en betekenis, wanneer mensen een psychiatrische stoornis hebben?

Ter illustratie een casus van een jonge vrouw die ik Anna noem.

 

Anna is 20 jaar als zij zich bij de ggz meldt met angst- en stressklachten, paniekaanvallen en problematisch eetgedrag. Ze volgt een hbo-opleiding, maar heeft daar haar handen vol aan.
Anna stelt hoge eisen aan zichzelf: het is nooit goed genoeg. In relaties is ze onzeker. Ze probeert altijd het anderen zo aangenaam mogelijk te maken. Anna raakt in paniek wanneer vrienden bijvoorbeeld niet reageren op een berichtje. Eetbuien dempen de onderliggende pijn maar resulteren ook in een nieuw gevoel van falen.
Over geloof en zingeving wil Anna niet te veel nadenken. Bidden doet ze niet meer. Het blijft toch stil, God hoort haar blijkbaar niet. Haar hoofd zit zo vol angst en stress, dat er weinig ruimte is voor reflectie.
Met zingeving houdt ze zich niet bezig. Ze wil alle zeilen bijzetten om haar opleiding te halen.
Eigenlijk heeft ze helemaal geen tijd voor therapeutische gesprekken. Het is sowieso al stom dat die nodig zijn.

Kennis van religie
Anna vertelt weinig over religie en zingeving. Toch wil een klinisch godsdienstpsycholoog - en een goede hulpverlener ook - weten hoe zij in het leven staat, hoe ze zich verhoudt tot zichzelf, tot anderen, de wereld en God. 
Daarvoor moet de hulpverlener kennis hebben van de inhoud van religie en zingeving: dat is van wezenlijk belang voor het begrijpen van de functie ervan. Weten of iemand zin in het leven ervaart, is onvoldoende. Wélke zin is dat?
Dat geldt evenzeer voor de ‘klassieke’ vragen over religieus gedrag: je kunt wel weten dat iemand bidt of mediteert, maar pas wanneer je weet wat dit betekent voor deze persoon, wat en tot wie hij bidt, wat iemand gelooft over gebed, kom je verder in het begrijpen van die functie voor het psychische leven.


Hoop
Klinische godsdienstpsychologie houdt zich niet uitsluitend bezig met psychopathologie, psychiatrie en verslavingszorg. Het gaat ook om existentiële factoren in bredere zin.
Hoop is zo’n cruciale existentiële factor, die weliswaar religieus van aard kan zijn maar niet per se. Hoop op een nieuwe fase in je leven bijvoorbeeld, het gevoel dat je ertoe doet.
Bij existentiële crises kunnen de worsteling en het gevecht om zin en betekenis verergeren, maar er kan ook herstel optreden. Existentieel herstel omvat hoop en zingeving, geloof en geloofsbeleving, en gaat over identiteit en de wijze waarop je je verhoudt tot jezelf en je klachten.
Herstel betekent dat het beter gaat dan eerst, maar ook dat je een zinvol en betekenisvol leven kunt leiden. Juist hier heeft de klinische godsdienstpsychologie veel te bieden.
Het is opvallend dat patiënten in hun denken over gezondheid en herstel de nadruk leggen op persoonlijk herstel en zingeving - meer dan zorgverleners, die herstel vooral medisch duiden.
Existentieel herstel is richtinggevend voor klinisch herstel. Immers, waarom zou je moeite doen van je verslaving af te komen, als je het leven als zinloos ervaart? Als je ontdekt waar je het voor doet, als je hoop krijgt dat het goed kan komen, geeft dat ook vechtlust, kracht om het vol te houden.
Het ingewikkelde is alleen dat psychische ziekte dat vermogen tot hopen en zingeving kan ondermijnen. De manier waarop mensen zich dan verhouden tot hun ziekte of stoornis wordt gekenmerkt door onmacht en uitzichtloosheid. Juist dan is aandacht voor existentieel herstel essentieel.

 

Bij Anna wordt een kleine verandering zichtbaar in de relatie met haar behandelaar. Langzaam maar zeker komt er ruimte voor vertrouwen, haar verlangen naar erkenning mag er zijn.
Er ontstaat hoop op dieper contact met anderen, op relaties die niet bepaald worden door beoordeling, maar door onvoorwaardelijke aanvaarding. Voorzichtig ontstaat er ook iets van hoop in het religieuze domein.

Zelfkritiek
Eerder heb ik existentieel herstel uiteengelegd in drie aspecten: hoop en zingeving, geloofsbeleving en identiteit. Toegespitst op het aspect van identiteit gaat dat over de vraag wie je bent, hoe je naar jezelf kijkt en je tot je eigen levensgeschiedenis verhoudt. Hier komt de dynamiek van oordeel en aanvaarding opnieuw naar voren.
Zelfkritiek kan heel gemakkelijk een rol spelen in de manier waarop je je verhoudt tot jezelf. Vaak gaat het hierbij om de geïnternaliseerde veroordeling en kritiek van anderen.
Bij veel psychopathologie zoals eetstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en verslaving spelen zelfkritiek en zelfveroordeling een rol.
Als tegenhanger van zelfkritiek kan zelfcompassie een rol spelen. Dat is geen zelfmedelijden, maar een aanvaardende, niet-veroordelende en vriendelijke houding naar jezelf, je eigen tekort en lijden.
Zelfcompassie omvat een niet-veroordelend begrijpen van je pijn en mislukkingen, zodat je je ervaring ziet als deel van menselijke ervaring die we allemaal delen. Menszijn betekent dat je sterfelijk, kwetsbaar en onvolmaakt bent. En frustraties of lijden hoeven dus geen isolement te betekenen
Zelfcompassie beschouw ik als een existentieel proces, als een manier van je verhouden tot jezelf en je stoornis, en niet slechts als een strategie voor emotieregulatie. 

 

Voor Anna blijkt meer zelfcompassie niet eenvoudig. Ze is gewend zichzelf voortdurend te beoordelen en bekritiseren, en dat geeft haar in zekere zin houvast en controle.
Tegelijk is deze zelfkritische houding geworteld in existentiële overtuigingen over goed en kwaad. De angst voor een oordelende God blijkt een grotere rol te spelen dan ze zelf vermoedde.
Pas wanneer deze existentiële aspecten bespreekbaar worden en in verband gebracht met haar problematiek, lukt het Anna meer compassie voor zichzelf te hebben.
Helpend is dat falen en tekortkomingen bekeken kunnen worden vanuit het perspectief van algemene menselijkheid: we leven niet meer in het paradijs, daarom wordt ons bestaan gekenmerkt door tekort en lijden.
 
Trage processen
Is de huidige ggz met haar nadruk op efficiency en kostenbesparing wel de juiste plek voor existentieel herstel? Het gaat immers vaak om ‘trage vragen’ en trage processen. Ik denk van wel. Er zijn meerdere lagen te onderscheiden in existentieel herstel,
er zijn in elke situatie aspecten van existentieel herstel die geïntegreerd kunnen worden in behandeling en begeleiding.
Denk bijvoorbeeld aan psycho-educatie over de verhouding tussen psychische stoornissen, geloof en zingeving, of aan interventies met betrekking tot zelfcompassie, die kortdurend en effectief zijn.
Tegelijk overstijgt existentieel herstel het niveau van de interventies en gaat het ook om presentie en bejegening. Wanneer hoop een centrale notie is in herstel, dan is het belangrijk dat hulpverleners een context creëren waarin die hoop kan opbloeien en gekoesterd worden.
Compassie is een voorwaarde hiervoor,  acceptatie van de ander, erkenning dat we allemaal mensen zijn met deuken en barsten. Het vraagt om het verdragen van lijden en frustratie in combinatie met warmte en vriendelijkheid.
Geestelijk verzorgers, predikanten en pastores zijn professionals die van grote waarde kunnen zijn voor het existentieel herstel van mensen met een psychiatrische stoornis. Vanuit hun eigen professionele kader - dat is een ander kader dan dat van de ggz-professional - kunnen zij het gesprek voeren over levensvragen en zingevingsproblemen, twijfels en geloofsworstelingen.


Veiligheid
Samenwerking en afstemming tussen pastoraat of geestelijke verzorging en de geestelijke gezondheidszorg zijn daarbij essentieel. Nog steeds gebeurt het dat een hulpverlener bepaalde angsten in het religieuze domein als pathologisch ziet, terwijl de pastor ze als positief en heilzaam waardeert. Daar wordt de persoon die ermee worstelt niet beter van.
Geestelijk verzorgers, predikanten en pastores zijn om nog een reden van belang. Recent onderzoek wijst uit dat de meerderheid van de ruim 2500 respondenten zich niet veilig voelt om binnen de geloofsgemeenschap te spreken over psychische problemen of verslaving. Dat betekent huiswerk voor de kerken. Geestelijk leiders hebben hier een belangrijke taak te vervullen.
Een focus op existentieel herstel impliceert aandacht voor de mens achter de klachten, waarbij iemand niet gereduceerd wordt tot zijn of haar stoornis of beperkingen, maar gezien wordt als een mens met potentie.
Empowerment is daarbij van groot belang, evenals eigen regie. Op dit individuele niveau wil ik het belang van wederkerigheid en de verbondenheid van mens tot mens benadrukken, in het professionele contact en ondanks de (machts)ongelijkheid die in elke vorm van hulpverlening aanwezig is.

Die wederkerigheid en verbondenheid krijgen gestalte in de dynamiek van vertrouwen geven en compassie ontvangen, van het samen uithouden van gebrokenheid en wanhoop, van samen zoeken naar hoop en herstel.
Zo krijgen we meer zicht op leven ondanks gebrokenheid, op aanvaarding en verbondenheid, op vrijheid die beperkingen overstijgt.
Zo verkeren we niet langer in de donkere schaduw van de boom van het oordeel, maar in de verfrissende koelte die de schaduw van de boom van de aanvaarding brengt.

Dit artikel is een samenvatting van de oratie van prof. dr. Hanneke Schaap-Jonker bij de aanvaarding van de bijzondere leerstoel klinische godsdienstpsychologie aan de vrije universiteit in Amsterdam

Lees verder

Op weg naar vreugde

14-06-2019

Het lijkt in eerste instantie een heel eenvoudig begrip: vreugde. Maar hoe langer je er over nadenkt, hoe meer je je kunt afvragen wat het precies is. Is dat hetzelfde als blij zijn, of gelukkig? En dan is er nog de vreugde van het geloof. Is dat een andere categorie? Kijk uit dat de vreugde niet zomaar verdwijnt onder een dikke deken van dagelijkse problemen.

 

tekst Kees van Ekris, beeld Pexels, Brett Sayles

 

Wat geeft vreugde en wat maakt de vreugde stuk? Dat zijn trage vragen, waar je in het gewone leven niet altijd aan toekomt. Een vraag daaraan verwant is, wat de vreugde van het geloof eigenlijk is. Hoe verhoudt zich dat tot de ‘gewone vreugde’, los van je levensovertuiging? Kun je bij de ‘gewone vreugde’ aanknopen om iets duidelijk te maken over de vreugde die het geloof geeft? Of is dat een andere categorie?
Niet iedereen zal zomaar kunnen benoemen wat zijn of haar vreugde is. Er zijn veel vreugdevolle dingen in het leven: de geboorte van een kind of een kleinkind, een huwelijk of een jubileum. En er zijn een heleboel andere ‘gave dingen’ in het leven: sport, muziek, schoonheid, vriendschap, seksualiteit: daar kun je heel vrolijk van worden.


Het gewone leven
Het is goed om het gave in het mensenleven niet stuk te praten. Alsof christenen slechts experts zijn in verdriet en schuld. Wie Godservaringen alleen zoekt in het buitengewone, kan ervoor zorgen dat het gewone leven ‘Godloos’ wordt.
Juist het protestantisme heeft geprobeerd dat gewone leven te rehabiliteren, in contrast met het kloosterleven: het dagelijkse werk, het huwelijk, de seksualiteit, de samenleving, zijn plekken waarin je Gods goedheid kunt ervaren en waarin je Hem kunt dienen.
Calvijn schreef dat je de schepping kunt ervaren als een ‘rijk gedekte tafel’. Vriendschap, seksualiteit, werk, een kind dat speelt, een samenleving met cohesie en integriteit, dat zijn goede gaven van God.
Tegelijkertijd weet ik niet of het dezelfde vreugde is. Misschien is het een ‘gradatie van vreugde’, en merkt ieder mens daarin iets van de goedheid van God.
Volgens Stanley Hauerwas staat de vreugde die basketbal geeft, niet los van het werk van de Heilige Geest, die het spel liefheeft en die vreugde geeft aan het spel. In Nederland vergeleek de speelse theoloog Van Ruler de Heilige Geest ooit met het gepingel van Johan Cruijff, die overal tussendoor glipt en altijd scoort.
Maar je moet anderzijds niet alle vreugde te snel ‘heiligen’. Aan de jazz-trompettist Wynton Marsalis werd eens gevraagd wat het verschil is tussen muziek en geluid. Hij zei: ‘Muziek is klanken die met elkaar verbonden zijn. Geluid is een geisoleerde klank, die niet in verbinding staat met andere klanken’.
Misschien lijkt vreugde, bezien vanuit het christelijk geloof, op ‘muziek’. Het is geen ‘los geluid’ maar staat in verbinding met een geheel.
Het mensenleven is in christelijk perspectief een muziekstuk met meer akkoorden en klanken. Naast vreugde zijn er meer akkoorden: liefde, trouw, kunnen lijden, gerechtigheid zoeken.
Vreugde moet in verband staan met het geheel: met schepping, met je geloof in Jezus Christus, met de werking van de Geest, met het gewone leven en ook met het moeilijke in je leven.
Welke vreugde-ervaringen hebben mensen die niet geloven of in een andere God geloven? Waarin lijkt die vreugde op elkaar en waarin niet? Ik ben ervan overtuigd dat er een heleboel ‘Heilige Geest’ te ontdekken is in het leven van andere mensen.


Dictatuur van leukheid
Maar er is ook een andere kant. Onze samenleving kent een soort dictatuur van ‘leukheid’. Ik denk dat op straat bijna niemand durft te zeggen: ‘Ik heb het niet, de vreugde’. Dan zit je in - wat Dirk De Wachter noemde - de ‘verdrietput’, en daar wil niemand
zitten.
Psychiater De Wachter spreekt niet voor niets over een Borderline-samenleving, een samenleving van extreem tegengestelde stemmingen waarin je zomaar van het ene in het andere kunt schieten.
Er is een dwang tot geluk, vrolijkheid en mooie ervaringen. Het andere uiterste is depressie, woede, chagrijn, boze mails, bittere vechtscheidingen.
Op straat zeggen mensen dat ze geluk en vreugde kennen, maar vanavond schrijven ze een woedende mail naar de juf van hun kinderen omdat die iets fout heeft gedaan.
In de Bijbel is er een link tussen het gebod en de vreugde. De geboden van God hebben de bedoeling het goede leven te bewaken en dus de vreugde van het bestaan te stimuleren. De geloofsvreugde is niet een ‘geïsoleerde ervaring’, maar een kracht van de God die het hele leven in wil trekken.
Het zou overigens een interessante activiteit zijn in de kerk om samen, liefst met meerdere generaties, een eerlijke ontmoeting te hebben over ‘vreugde’. Je kijkt naar een voordracht van Dirk DeWachter, wat op zich al ontzettend grappig en diepzinnig tegelijk is. Vervolgens praat je met elkaar over het echte leven: over wat jou vreugde geeft en over wat de vreugde stukmaakt. De zorgen om een kind, de verlammende opvoedingsproblemen, het verdriet om een scheiding, een slopende ziekte. En vervolgens ga je op zoek naar hoe het geloof een verbinding kan geven tussen die uiteenlopende ervaringen. Tot je verrassing zul je dan soms ontdekken hoe kernwoorden in het geloof relevant worden. Die ervaring van eerlijkheid, herkenning, samen zoeken naar duurzame vreugde, is op zich al een verademing.


Groeien
Ik denk dat de vreugde naar haar aard een ‘vrucht’ is. De vreugde kan niet gemaakt of gekocht worden, dat is amusement. Een vrucht groeit en gebeurt. Of juist niet, afhankelijk van de omstandigheden. De vreugde is een vrucht. Misschien moet je zo leven dat de vreugde kan gebeuren, de ruimte krijgt om te gebeuren.
Je kunt je daarom ook afvragen welke patronen in je leven het gebeuren van de vreugde dwarsbomen. Welke drukte, welke dwang? Prop ik mijn leven niet zo vol dat de vreugde eruit verdwijnt?
Het begint misschien wel met een vertraging van je leven. Met het stellen van de juiste prioriteiten van stilte, liefde, aandacht, gebed, tijd voor vriendschap, contact met de seizoenen.
In zekere zin is het vergelijkbaar met sporten of het maken van muziek. Je begint te sporten of te musiceren en dat vraagt iets van je: tijd, een zekere kunde, omstandigheden, overgave, anderen om mee te spelen.
Maar zodra je gaat musiceren of sporten, wordt je vatbaar voor de ‘spelvreugde’. Zouden we dat misschien steeds weer moeten hervinden en er ook over waken: de spelvreugde van het geloof?


Bestaansnoodzaak
Vreugde is geen luxe-artikel. Het is een bestaansnoodzaak. In die vreemde cultuur van ons, met die mix van shiny happy people, voel je vaak ineens de leegte of het verdriet achter de dingen en de mensen.
Je hebt het soms ook persoonlijk, dat je door omstandigheden in een wat drukkende periode hebt geleefd. Door ziekte, werkdruk, of door een moeilijke tijd in je relatie. Soms merk je ineens hoe dat in je getrokken is, in je karakter, in je doen en laten.
En, laten we eerlijk zijn: soms is de kerk vreugdeloos geworden. Ineens valt je een koude, grijze en giftige sfeer op.
Dan, als een verrassing, als een herinnering en verlangen, kan de vreugde aan je trekken, je wakker schudden. Misschien dat Jezus ons dan vastpakt, ons aankijkt en terugroept tot Hem en tot een nieuwe gehechtheid aan Hem.
In de contacten in gemeentes, merken we veel spanning, veel elkaar gijzelen, veel angst, veel vergaderingen die de vreugde de nek omdraaien. De vreugde is soms zomaar langdurig weg in de kerk.
Dat is geen verwijt. Het is ook vrucht van de tijd waarin we leven: secularisatie, onvermogen tot vernieuwing, interne spanning, druk op het kerkelijke leven, de verlammende werking van de welvaart, de drukte in levens.
Het is wel gevaarlijk. Voor je het weet zitten we in de categorie van mensen waar Jezus woedend op is, in Matteus 11: ‘We hebben op de fluit gespeeld, en jullie dansten niet. We zongen een klaaglied en jullie treurden niet’ Dat is een vers over apathie, over amper meer raakbaar zijn, hetzij voor bekering, hetzij voor vreugde.


Eigensoortige vreugde
Er zit een eigensoortige vreugde in het Evangelie, die juist met moeilijke omstandigheden te maken heeft. De hoop voor onze kerk is wat mij betreft niet dat er allerlei soorten blije mensen komen, mensen met een blijdschap die het moeilijke amper aankan.
Waar je op hoopt: mensen die in Christus zo’n diepe vreugde ervaren, dat ze het moeilijke  - van de kerk, in hun leven - verdragen kunnen, en daar een heilzame presentie kunnen zijn.
Er is een eigensoortige vreugde van het Evangelie: het is een vreugde vanuit God, die het verlorene zoekt en vindt. In Johannes zegt Jezus: ‘Mijn vreugde zal in jullie zijn.’ Die vreugde komt uit God en is ‘in Christus’ te beleven.
Die vreugde is eigensoortig: ze richt zich met hoop op het verlorene, ze kan verdrukking verdragen, ze verheugt zich in bekering, in de afsterving van het vreugdeloze, zelfs in de dood is die vreugde niet afwezig. Het is een vreugde met een eschatologisch magneetpunt. Christus, naar Wie wij toe leven, trekt aan ons.

Dit artikel is een bewerking van een toespraak voor pioniers en predikanten in dienst van de IZB over het thema ‘vreugde’ (jaarthema van de IZB).



 

Lees verder

Sam Wells: ‘Problemen oplossen is een grote valkuil’

31-05-2019

De kerk is al 2000 jaar bezig met goede werken doen en problemen oplossen. Dat kan goed gaan - zie de ziekenhuizen en de scholen - maar ook wat minder goed uitpakken - zie de beruchte reputatie van de diaconie in de 19e en 20e eeuw. De kerk had niet zoveel moeten werken voor de armen, maar veel meer moeten leven mét de armen, zegt Sam Wells. Of weten wij het beter dan Christus?

 

tekst Ineke Evink, beeld CWN

 

Sam Wells, te gast op de conferentie van de Charismatische Werkgemeenschap Nederland de afgelopen dagen, heeft uitgesproken ideeën over de kerk, over genezing en vergeving, en over de praktijk van het christelijke leven. Wij zijn geobsedeerd door genezing, doen te veel voor de armen en zijn te weinig bíj hen.

Uw eerste lezing op de conferentie van CWN gaat over genezing. U zegt ergens dat genezing tussen vergeving en het eeuwige leven in zit, als een sandwich. Hoe bedoelt u dat?
“Het lijden en sterven van Christus voor onze zonden, refereert aan het verleden. Jezus vergeeft het kwaad dat wij hebben gedaan en het kwaad dat ons is aangedaan. En het lijden van Jezus brengt ons ook het eeuwige leven, zodat we niet bang hoeven te zijn voor het onbekende. Dat ligt in de toekomst. Genezing is een mix van die twee dingen: onze pijn uit het verleden en onze angst voor de toekomst worden zo weggenomen.
Maar als de genezing niet plaatsvindt in de context van de vergeving, dan is het de moeite niet waard. Als je wel genezen wordt door dokters maar omringd blijft door gebroken relaties, dan voelt de genezing niet echt als genezing. Omgekeerd ken ik het verhaal van iemand die niet genezen werd, maar waar de gemeenschap, en vooral zijn familie, helemaal veranderde door alles wat ze meemaakten rond de zieke. Dan zie je al iets van het eeuwige leven. In het Nieuwe Testament is er maar één woord voor redding en genezing. We hebben niet zoveel aan genezing zonder redding.”  

Zijn wij geobsedeerd door genezing?
“In onze samenleving hebben we het idee dat er iets verkeerd is als we beperkingen ervaren, zoals ziekte, handicaps en dood. Daarom steken we al onze energie en tijd in het wegnemen daarvan. Maar ons echte probleem is isolement: van God, van elkaar, van onszelf en van de schepping. Als we dat probleem niet aanpakken, maakt het overwinnen van onze beperkingen ons isolement alleen maar groter. Als we echter het isolement overwinnen en goede relaties krijgen, hoeven we ons niet meer zulke zorgen te maken over die beperkingen.
De technologie geeft ons daarbij ook nog eens het idee dat we al onze beperkingen te boven kunnen komen. Alsof je altijd een hamer op zak hebt en je elk probleem als een spijker beschouwt waar je op moet slaan. Technische oplossingen belemmeren het zicht op ons echte probleem.”


Uw tweede lezing gaat over ‘being with’ in plaats van ‘working for’. De grens tussen ‘samen zijn met’ en ‘werken voor’ lijkt echter vaag. Hoe maak je onderscheid?
“Stel, je loopt over een plein en je ziet een dakloze persoon zitten. Je hebt dan vier opties: je gaat een liefdadigheidsorganisatie opzetten die zich met het probleem van dakloosheid bezighoudt. De tweede optie is dat je de gemeente, zakenlui, non-profitorganisaties en dakloze mensen bij elkaar brengt en gaat samenwerken. De derde optie is naar huis gaan en een blog schrijven over waarom je niet ‘daklozen’ moet zeggen, maar ‘dakloze mensen’. En de vierde is dat je een kop kop koffie voor hem koopt en naast  hem gaat zitten om de laatste voetbalwedstrijd te bespreken.  
De eerste en de derde opties zijn ‘werken voor’, de tweede is ‘werken met’, en de laatste is ‘er zijn voor’. Bij de eerste en de derde hoef je niet eens werkelijk met een dakloos mens te maken  te hebben. Het probleem van de tweede optie is dat je uitgaat van hun beperkingen en niet van hun mogelijkheden.
Maar als je ‘met iemand bent’, zie je ook wat die persoon te bieden heeft. Inzichten over de scheidsrechter van de voetbalwedstrijd bijvoorbeeld. Je leert hem kennen en waarderen. De vierde optie is de enige manier waarmee je om iemand geeft vanwege hemzelf. In alle andere gevallen gebruik je die dakloze mens voor je eigen doelen.”

Critici zullen zeggen dat diegene dan nog steeds dakloos is.
“Misschien vindt hij die dakloosheid niet het belangrijkste onderwerp in zijn leven. Als je problemen oplossen het belangrijkste vindt, zul je problemen gaan oplossen van mensen die niet vinden dat er een probleem is. Als je haarknippen het belangrijkste vindt, zul je tenslotte ook het haar gaan knippen van mensen die lang haar prima vinden.”
 
De kerk staat al eeuwen bekend om haar goede werken. En de apostel Jacobus schrijft dat geloof zonder werken dood is. Begrijpen we niet goed wat goede werken zijn?
“Dat zou inderdaad zomaar kunnen. Vooral als je niet vraagt wat mensen willen, maar ervan uitgaat dat je dat al weet. Door Jezus’ menswording laat hij zien hoe God met ons verbonden is. Percentages zijn daarbij belangrijk. Jezus heeft van zijn hele leven een week in Jeruzalem doorgebracht, waarin hij voor ons werkte en onze redding tot stand bracht. Dat is ‘working for’. Hij heeft drie jaar in Galilea doorgebracht en mét ons gewerkt. En hij heeft dertig jaar in Nazareth mét ons doorgebracht: ‘being with’.
Dat hij iets voor ons deed, klopt dus helemaal, maar dat maakte maar 1 procent uit van zijn leven. 9 procent van zijn tijd op aarde werkte hij met ons, en in 90 procent was hij met ons samen. Maar wij doen alsof wij het met onze 2000 jaar ervaring beter weten dan God. Waarom zouden wij niet diezelfde percentages gebruiken als Jezus deed?
Het gaat er daarnaast om hoe wij anticiperen op het eeuwige leven. Daar hoeven we geen problemen meer op te lossen, maar zullen we de eeuwigheid doorbrengen met anderen en met God. Als we ons hele leven vóór mensen hebben gewerkt, dan wordt de hemel een ernstige teleurstelling.”
 
Maar het christendom heeft juist door al dat werk ook veel gebracht.
“Het belangrijke van het christendom is dat het plaats heeft voor iedereen. Hun ziekenhuizen en scholen zijn er voor iedereen. ‘Being with’ maakt geen onderscheid. Wat verschil maakt, is niet dat het christendom betere dokters voortbrengt, maar dat we - als het goed is - mensen niet apart zetten. Je kunt iemands gebroken voet genezen, maar als je nooit met hem praat, dan heb je je werk niet goed gedaan. Mensen niet in de steek laten, daar begint het mee. De voet verbinden komt daaruit voort.
Of voedselbanken nu wel of niet goed zijn voor de armen, ze zijn altijd goed voor de kerk. De kerk traint vrijwilligers zodat ze nog beter worden in vrijwilligerswerk doen, maar ze lossen niets op. Zoals een dokter net zo goed voor zijn patiënten werkt als voor zichzelf, zo doet de kerk het evengoed voor de armen als voor zichzelf. ‘De armen zullen altijd bij u zijn’, zegt Jezus tegen zijn discipelen. Daarmee bedoelt hij dat wij altijd bij de armen zullen zijn omdat we altijd bij hem wíllen zijn. Je rol is dus dat je bíj hen bent, niet dat je hun problemen oplost. Wij kunnen dat vaak ook helemaal niet. Je kunt wel ontdekken dat zij de veerkracht hebben om hun eigen problemen op te lossen. Als mensen dat zelf doen, blíjven ze ook opgelost.”

We zouden onze manier waarop we naar het evangelie leven in de etalage moeten zetten, zegt u in een les ethiek.
“Toon oprechte belangstelling, doormiddel van oogcontact bijvoorbeeld. Een herstelde relatie is wederzijds, dus je moet ook kunnen ontvangen. Sommige mensen die veel doen voor anderen vinden het wel eens moeilijk dat ze zelden bedankt worden. Maar waarom zou iemand jou bedanken als je alleen maar hebt laten zien dat jij getalenteerd en rijk bent, en hij arm en dom? Gelijkwaardige relaties tot stand brengen waarin ieder iets in te brengen heeft en iets ontvangt, daar gaat het om.”

Gaat het christendom om het veranderen van je karakter, je persoonlijkheid? Over wedergeboren worden, om een besmette term te gebruiken?   
“Opnieuw geboren worden is het begin. Over je wedergeboorte praten, is als op het vliegveld blijven hangen als je op vakantie gaat. De plek die er het minste toe doet. Karaktervorming is het werk van de heilige Geest en dat merk je niet eens altijd.
Neem de vreselijke schietpartij van een paar jaar geleden waarbij Amish-kinderen omkwamen. De Amish-gemeenschap ging naar de weduwe van de schutter. Daar hoefden ze niet eens een beslissing over te nemen, dat sprak vanzelf. Dat is wat Amish-zijn inhoudt, wat christen-zijn is. De heilige Geest kan slechte karaktereigenschappen veranderen in gaven. Iemand die snel van gemoedstoestand verandert en dus snel boos wordt, kan iemand worden die meteen toesnelt naar iemand die pijn lijdt.”

De meeste problemen komen voort uit niet geloven dat Jezus God is, én zijn menswording negeren. Hoe bedoelt u dat?
“Een van de moeilijkste dingen voor christenen om te geloven, is dat hij opsteeg naar de hemel toen hij hier klaar was. En dus om te accepteren dat dat ook echt voldoende was. Veel christenen willen daarom zijn werk hier op aarde nog afmaken. En dat is tot mislukken gedoemd.
Nog een probleem is dat we steeds maar verlangen naar dat waar de aarde niet genoeg van heeft, in plaats van verlangen naar wat God in overvoed geeft, zoals de vruchten van de Geest: wijsheid, vreugde, geduld, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Daar is altijd genoeg van. Als we daarnaar gaan verlangen, zullen we gelukkig worden.”

Sam Wells is predikant van St Martin-in-the-Fields in London (Church of England) en gasthoogleraar Christelijke Ethiek aan King’s College London.

Lees verder

‘Laten we het nieuwe Jeruzalem hier straks werkelijk neerdalen in een bult met plastic?’

17-05-2019

Geschapen zijn naar het beeld van God was lange tijd vooral een vrijbrief om uit de aarde te halen wat erin zit. Maar misbruik van de idee van imago Dei sluit goed gebruik niet uit. Eva van Urk doet onderzoek naar wat imago Dei betekent voor deze tijd,, waarin we worden overspoeld door slecht nieuws, zoals uitsterven van diersoorten en klimaatopwarming.

 

Steeds meer christenen realiseren zich dat zorg voor het milieu geen linkse hobby is. Wie zich zorgen maakt over de opwarming van de aarde is geen klimaatgekkie. Maar hoe komt het dat iets dat zo voor de hand lijkt te liggen - zorg voor de schepping, eerbied voor de Schepper - niet veel meer bij christenen is ingebakken?

Je zou zeggen dat christenen met het scheppingsverhaal in het achterhoofd pontificaal aan de kant van de milieubeweging staan. Hoe komt het dat dit niet zo is?
“Volgens mij is een deel van het antwoord dat men in de christelijke wereld wel eens bang is dat de schepping of natuur wordt aanbeden in plaats van de Schepper. Denk bijvoorbeeld aan de nogal misprijzende term ‘klimaatreligie’. Of de milieubeweging die ‘religieuze trekjes’ zou vertonen.  Ik vind dat we wel wat meer respect zouden mogen hebben voor eenieder die de barricaden opgaat, ook niet-gelovigen. We eren God ook door een goede en verantwoorde omgang met zijn schepping.
Wat daarbij ook meespeelt, is dat het ‘milieu’ wel wordt gezien als onderdeel van linkse politiek, in plaats van iets dat raakt aan het eigen leven en geloof. Die polarisatie vind ik jammer.”

Kun je uitleggen wat je promotiestudie inhoudt? Ik ben benieuwd naar de relatie tussen het imago Dei en de ecologie.
“In mijn promotieonderzoek ga ik na wat het vandaag de dag, in een tijd van klimaatverandering en ecologische crises, betekent dat we naar het beeld van God (imago Dei ) geschapen zijn. Hoe helpt die notie ons - of hindert die ons misschien juist - om onze ecologische verantwoordelijkheid op te nemen? Ik maak daarbij ook een vergelijking met seculiere mensbeelden en perspectieven.
Dat er een sterke link is tussen het imago Dei en ecologie zien we al in Genesis 1, waar de mens de opdracht krijgt om te heersen over de vogels, vissen, enzovoorts. De mens wordt daar in een relatie geplaats met andere schepselen. Dat is interessant, in een tijd van massale uitsterving van diersoorten. Het is natuurlijk zaak om niet je eigen ‘groene agenda’ in te lezen in de Bijbeltekst en de theologische traditie, maar wel een vruchtbaar verstaan daarvan te vinden voor de actualiteit.”

Met ‘de mens als beeld van God’ is altijd verkondigd dat de mens min of meer de baas is over de schepping. Voor veel mensen is dat beelddragerschap daarom problematisch geworden. Gooien zij het kind met het badwater weg?
“Als mensen hebben we ons ‘beeld Gods zijn’ inderdaad vaak misbruikt, in de zin dat we dachten - of denken - boven de schepping te staan, waarbij de aarde er is voor ons gewin. Dat is geen Bijbels beeld. Het ‘heersen’ in Genesis 1 drukt inderdaad iets van een hiërarchie uit. We hoeven dieren en mensen dan ook niet helemaal gelijk te schakelen, maar het is wel een heersen zonder egoïsme, met oog op het welzijn van de rest van de schepping.
Dat we geschapen zijn naar Gods beeld, kan ons ook helpen om onze speciale verantwoordelijkheden te ontdekken. Wat mogen wij van God weerspiegelen?”

Er zijn christenen die menen dat de nieuwe aarde die beloofd wordt alle inspanningen voor ecologie overbodig maakt. Hebben ze een punt?
“Zo’n houding vind ik nogal gemakzuchtig. Je denkt toch ook niet over je eigen lichaam: ach, straks krijg ik van God een nieuw en verheerlijkt lichaam, dus het is niet zo erg als ik nu allerlei beschadigingen oploop of mijn arm breek. Nee, je bent er als het goed is zuinig op, voelt je er dagelijks afhankelijk van en je weet dat het aan God behoort. Zo’n omgang met de aarde zou ik ook verlangen.
In positieve zin mogen we hoopvol uitzien naar de nieuwe aarde. Maar dat wel vanuit een actieve houding van rentmeesterschap. Laten we het nieuwe Jeruzalem hier straks werkelijk neerdalen in een bult met plastic?”

Bij veel andere christenen - die niet zo ver gaan -  is de houding vaak lauw. Heb je daar een verklaring voor?
“Geloven gaat vaak vooral over het eigen geestelijke leven met God, waarbij de aandacht voor Gods relatie met het niet-menselijke leven en de schepping als geheel wat buiten beeld is geraakt. Alsof de wereld puur het decor is waartegen ons leven met God zich voltrekt, en God niet ook vreugde vindt in bijvoorbeeld de dieren. In de Bijbel zien we al dat niet alles om ons mensen draait, hoewel we dat vaak denken. Helaas is de gedachte wel dat aandacht voor de schepping meer iets is voor vrijzinnige christenen, alsof het ‘ware evangelie’ ervoor ingeruild moet worden. Dat is een onjuiste en onnodige tegenstelling.”

Even concreet en om het scherp te stellen: met het vliegtuig op vakantie gaan, kan dat eigenlijk nog wel?
“Nou, in elk geval niet meer onbekommerd; zonder dat we ons bewust zijn van de grote vervuiling en CO₂-uitstoot die vliegen met zich meebrengt. Ik ben wel fan van de term ‘vliegschaamte’ zoals die in de media circuleert. Ik zou zeggen: maak eens in de zoveel tijd die gedroomde reis, maar denk ook na over de trein en mooie bestemmingen dichter bij huis. Gods schepping heeft het wel nodig dat we ons wat matigen. Ongebreideld de toerist en consument uithangen staat haaks op een duurzamere levensstijl.”

Het lijkt een onafwendbaar gevaar, de opwarming en de vergiftiging van de aarde. Heb je er begrip voor als dat mensen lam slaat?
“Ja, absoluut. Ik kan me zelf ook soms overweldigd voelen door de ernst van de problemen waar we voor staan. Tegelijk denk ik ook dat dat niet verkeerd is; laten we maar even goed schrikken. De Australische klimaatethicus Clive Hamilton stelt zelfs dat het heilzaam is om op zeker moment een ‘Oh shit, we are really in trouble’-moment te hebben.
Vervolgens moet je niet in zo’n sombere stemming blijven hangen, of die als excuus gebruiken om maar niets te doen. Milieu- en klimaatwetenschappers benadrukken nog steeds dat het niet te laat is om met elkaar de nodige veranderingen te bewerkstelligen en de opwarming te beperken.”

Is er een verband met je voormalige werk in de psychosociale hulpverlening, of is er iets wat je van daaruit meeneemt naar je huidige studie? 
“Ja, zeker. Ik heb bijvoorbeeld een grote belangstelling voor de rol van emoties en wat verschillende soorten ‘klimaatboodschappen’ met ons doen. Psychologisch onderzoek wijst uit dat wanneer mensen alleen maar doemscenario’s voorgeschoteld krijgen,, waarbij alle nadruk ligt op dreigende consequenties, ze zich inderdaad moedeloos beginnen te voelen, of zelfs onverschillig raken.
Het is nodig om in alle eerlijkheid de ernst van klimaatverandering te laten zien, maar daarbij ook in te zoomen op wat we in positieve zin, en dicht bij huis, kunnen bijdragen aan een leefbare toekomst. Dan komen we eerder in beweging, vanuit het gevoel dat wat we doen ertoe doet.”

Zit klimaatscepsis in het protestantisme ingebakken?  En waar komt dat dan door? Is dat een afkeer van utopisch denken?
“Ingebakken zou ik niet zeggen, maar er zijn wel aspecten in de geloofsleer die tot een zekere klimaatscepsis kunnen leiden. In de Heidelbergse Catechismus zien we dat ‘regen en droogte’ aan de soevereine God worden toegeschreven. En we geloven dat God de schepping leidt en voltooit. Dat we de aarde vervuilen accepteren de meesten nog wel, maar het klimaat ontregelen? Dat is maar een hooghartige en arrogante gedachte!
Hiertegenover zou ik, ook typisch protestants, willen stellen dat we ook de ernst en gevolgen van onze (ecologische) zonden serieus moeten nemen.”

In het katholicisme lijkt er een langere denktraditie te zijn over schepping en klimaat, onder meer door de franciscanen. In hoeverre is de katholieke houding ten aanzien van het klimaat fundamenteel anders? Waar komt dat dan door?
“Nou, in de tijd van Franciscus van Assisi bestonden er natuurlijk ook nog geen protestanten… In het algemeen is mijn indruk dat katholieken wat positiever denken over de natuur en wat we daarin van God kunnen ontdekken. Ze kunnen ook beter uit de voeten met de evolutietheorie en zien daarin Gods sturing. Hierdoor ervaren ze wellicht minder drempels om zich met het klimaat bezig te houden, ook juist vanuit hun geloof.
Een inspirerend voorbeeld is natuurlijk paus Franciscus, met zijn groene encycliek Laudato Si. In die rondzendbrief roept de paus op om zorg te dragen voor de aarde, en dat te verbinden met ons leven en geloof.”

Waar komt je belangstelling voor dit onderwerp vandaan?
“Die is gaandeweg gegroeid. Als kind hing ik al eens met een vriendinnetje bordjes op in een plantsoentje met ‘niet deze takken breken’. Ik vrees dat het effect daarvan averechts was. Maar mijn academische belangstelling voor geloof en duurzaamheid is wel meer iets van de laatste jaren.”

Zorgt je onderzoek ervoor dat je zelf anders gaat leven?
“Ja, ik vind het motiverend om meer te leren over de bijzondere waarde van de schepping, en Gods toekomst voor heel de schepping, niet alleen de mens. Zodoende probeer ik ook duurzame keuzes te maken. In elk geval past het me natuurlijk niet zo, met mijn onderzoeksthema, om vrolijk het vliegtuig te pakken voor interessante internationale conferenties hier en daar, hoewel ik daar budget voor heb. Daar zit nog wel een spanningsveld.”

Eva van Urk studeerde toegepaste psychologie, en daarna theologie aan de Universiteit Utrecht en Vrije Universiteit Amsterdam.
Zij doet een voltijds promotieonderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam (Faculteit Religie en Theologie) over het verband tussen geschapen zijn naar Gods beeld en het besef ecologisch verantwoordelijk te zijn.
@Eva_vanUrk

Lees verder