2018

De achterdeur van de kerk staat ook wijd open

17-05-2018

Nieuwe leden van de kerk worden vaak met gejuich onthaald. Maar wat als het geloof langzamerhand van je afglijdt en je steeds minder in de kerk komt? Wim Vermeulen besloot bij de achterdeur van de kerk te gaan staan. Dat leverde de gespreksgroep In Dubio op.

Utrecht, dinsdagavond. De zon strijkt over de terrassen in de binnenstad, en mensenstromen bewegen zich langs de warenhuizen om nog wat zomerkleding in te slaan.

Even verderop is het rustiger, op het plein bij de Jacobikerk. Er jakkeren wat fietsers langs, maar dat is het. Een jonge vrouw in een gele jas zet haar fiets rustig neer en glipt de oude houten deur onder de toren binnen.

In een typisch kerkzaaltje – opgestapelde stoelen in een hoek, een vergeeld schilderij van de kerk aan de wand en een witte kantoortafel in het midden – staat Wim Vermeulen, als missionair predikant verbonden aan deze gemeente – een raam open te wrikken. Zo komt er wat frisse lucht binnen. Op tafel witte kartonnen bekertjes waarop activiteiten van de Jacobikerk, beschreven staan: zo zijn er debatten, maaltijden en nog veel meer zaken in deze actieve binnenstadskerk mee te maken.

De aanwezigen – vier vrouwen en twee mannen van rond de dertig, en een oudere heer – druppelen langzaam binnen.

Dit is de kring ‘In Dubio’ die zo’n anderhalf jaar geleden door Vermeulen is opgericht. De Jacobikerk is volgens hem een kerk ‘met een oprecht missionair elan, maar er zijn ook vragen, twijfels en apathie. ‘Ik zag mensen door de voordeur binnenkomen en aanhaken, maar ik zag ook mensen via de achterdeur verdwijnen. En bij die achterdeur staat meestal niemand’, zo schreef hij hierover in een eerdere publicatie.

Daar wilde hij verandering in brengen, en daarom zette hij een berichtje in de weekbrief van de kerk.  ‘Stel, je bent keurig netjes kerkelijk opgevoed, je noemde jezelf altijd best wel of heel erg gelovig, maar de laatste tijd knaagt het. Je kunt er niet eens echt de vinger op leggen, maar de innerlijke afstand ten opzichte van kerk, geloof en God groeien en je hebt steeds vaker het gevoel dat je ‘het’ kwijt bent. Als je dat herkent en je wilt er iets mee, meld je dan middels een berichtje.’

Er meldden zich binnen een week veertien mensen.

In eerste instantie werden er drie avonden gepland. Vermeulen: ‘Ik nodigde iedereen uit om voorafgaand aan de eerste bijeenkomst een geestelijke levensreis te schrijven. Waar kom je vandaan, waar bevind je je nu en waar zou je naar toe willen? Ook vroeg ik hen om hun verwachtingen en vragen zo nauwkeurig mogelijk te noteren.’

In de avonden daarna bleek dat er vaak verschillende typen thema’s door elkaar speelden. ‘er waren inhoudelijke thema’s. Wie is God? Bestaat hij wel? Wat moet ik met de Bijbel aan?’

Daarnaast waren er gevoelsthema’s. “Hoe vind ik nieuw elan? Wat moet ik als christen eigenlijk hebben ervaren? Waarom maakt geloven me zo onrustig? Ik wil graag meer vertrouwen, maar hoe?”

Naast die twee thema’s waren er nog omgevingsthema’s, waar de deelnemers mee bleken te zitten: de vaak negatieve invloed van het leven in een stad op het geloof, de invloed van erfenissen uit het verleden.

 

Ervaren

Uiteindelijk werd er een top drie van vragen opgesteld die eigenlijk allemaal over de inhoud gingen: Wie is God, Hoe kan ik God kennen? Bestaat God? Vermeulen: “Tijdens onze gesprekken werden me een paar dingen steeds duidelijker. In de eerste plaats dat veel deelnemers leefden met een heel algemeen godsbegrip.  Bij God dachten ze in de eerste plaats aan een groot en almachtig iemand (is het eigenlijk wel Iemand?)  ver weg. De ervaring leert echter al langere tijd dat een algemeen godsbeeld snel vervaagt, of dat je ermee stuk loopt op de werkelijkheid van het leven.”

Ook op het gebied van het ervaren van God waren er verwachtingen die misschien niet reëel waren. “Bij God ervaren dachten ze vooral aan een fijn gevoel behelst van vertrouwen en geborgenheid, aangeraakt worden, vreugde, extase zelfs. Aan de hand van de psalmen ontdekten we dat het Bijbelse ervaringsbegrip veel breder en gelaagder is, en dat ervaring bovendien geen doel is, maar een uitgangspunt: de ervaringen die je in je leven opdoet probeer je in al hun verscheidenheid met God in verband te brengen.”

Na de eerste avonden in het voorjaar van 2017 werd besloten om nog een seizoen lang maandelijks bij elkaar te komen. De groep heette eerst “Help, ik ben het kwijt”, maar werd op suggestie van iemand tot ‘In dubio’ omgedoopt.

Vermeulen: “Er is geen vaste route. We lezen wel altijd iets dat past bij het thema waar we mee bezig zijn. Telkens zijn de vragen van de deelnemers leidend en op hun eigen verzoek ben ik met ‘voorbereidend huiswerk’ blijven werken. Dat blijkt een uitstekende manier om niet langs elkaar heen te praten.”

 

Zomergasten

Op deze zomeravond in de Jacobikerk ervaar ik hoe dat gaat en hoe gemakkelijk deze mensen met elkaar in gesprek gaan over grote onderwerpen. Op tafel ligt het boek Overvloed en overgave van Arjan Plaisier.

Plaisier schetst in dit boek verschillende seizoenen van het geloof. Na de herfst en de winter is het vandaag de beurt aan twee hoofdstukken over de lente en de zomer.

Iedere deelnemer heeft bij elk hoofdstuk minstens één streepje gezet bij een passage die op één of andere manier aan het denken zette.

Het gaat eerst een tijdlang over zogeheten ‘zomergasten’ ofwel gelovigen die door hun vrolijke inslag een voorbeeld zijn voor anderen. Maar dat voorbeeldige gedrag kan ook verlammend werken, zo blijkt al snel.

Femke: “Ik ging bij mezelf te rade of ik zulke zomergasten ken. Hebben jullie dat in jullie omgeving, een paar mensen die dat gegeven is?”

Menno: “Als je het religieuze weglaat, dan moet ik denken aan Thomas Erdbrink, die journalist in Iran. Hij heeft iets vrolijks, iets onaantastbaars. Maar religieus gezien moet ik denken aan een vriendin van mij. Zij kan met een heel klein woord iets cruciaals zeggen. Ze is ook duidelijk over wat God in haar leven betekent. Ik denk aan haar als een soort verlichte persoon.”

Elsbeth: “Het zit ‘m ook in de manier waarop ze omgaan met de strijdpunten in hun leven. Ik moet denken aan iemand op mijn bijbelkring. Zij kan als ons gesprek hapert ineens ‘pang’ zo’n vraag stellen waardoor je recht op je stoel gaat zitten. De manier waarop ze als arts omgaat met standpunten van anderen in haar werk, vind ik ook inspirerend. Ze respecteert de keuzes van anderen, maar ze durft ook te zeggen hoe ze als christen over bepaalde dingen denkt.”

Vermeulen: “Het is natuurlijk niet zo dat het een soort modelkinderen van God zijn.”

Elsbeth: “Nee. Ze is er ook eerlijk over dat ze moeilijk vindt en dat vind ik juist aansprekend.”

Femke: “Afgelopen week was ik bij mijn oma. Het gaat helemaal niet goed met haar, maar voor mij is zij een echte zomergast. Zij is constant aan het praten met God en neemt mij ook mee in dat gesprek. ‘Hoe lang nog, Heere’,  zegt ze weleens. Zij kijkt echt uit naar de volgende fase, naar het hiernamaals.”

Sara: “De manier waarop Plaisier die zomergelovigen beschrijft doet mij heel erg denken aan alle omschrijvingen van kinderen van God van vroeger. Je moet weer iemand zijn die je niet bent. Ik lees erin dat het gaat over het ‘begenadigde volkje van God’, een soort select gezelschap. Voor mijn gevoel word je dan heel erg in een bepaalde richting geduwd en daar heb ik een allergie voor.”

 

 

De poëtische inslag van het boek van Plaisier wordt stevig bekritiseerd in de loop van de avond, maar het roept ook ontegenzeglijk een open gesprek op.

Hans“Ik vond dit aanvankelijk een wijs boek. Vaderlijk en meeslepend geschreven. Maar ik ben het nu weer gaan lezen en ik ben weerbarstig geworden. Ik ben ‘In dubio’, ik begrijp niet zo veel van het geloof als ‘lentegave’ waar Plaisier over schrijft. Ik kan er niet bij. Daarom ben ik hier. Maar dat is mijn particuliere gevoel, en dat wil ik niemand opdringen.”

Derk: “Geloof je dus eigenlijk niet dat iemand verliefd kan zijn op God? Wat vind je dan van bijvoorbeeld een monnik of non?”

Hans: “Liefhebben is voor mij niet hetzelfde als een innig gevoel hebben. Die EO-zangeressen met hun smachtende stem, ze mogen er zijn, maar ik heb er niets mee. Voor mij is een monnik of non iemand die bidt voor de zonden van zichzelf en van anderen. Net als mijn moeder deed. Een paar maanden voor haar dood zat ik bij haar. ‘Voor mijn kinderen móet je wel de hele dag bidden’, zei ze. Die humor had ze behouden, ook al was ze blind geworden. Dat is voor mij een monnik, iemand die bidt voor anderen, net als mijn moeder deed.”

Hans is verreweg de oudste in het gezelschap. Hij spreekt met zelfspot over zijn twijfels, die niettemin bij hem diep gaan, ook door gesprekken met zijn kinderen, die zich afvragen of het geloof nu zo nodig is om een goed mens te zijn. Amnesty International doet toch ook goed werk? Hans: “Ik had gehoopt met het ouder worden wijs te worden, maar dat valt tegen.”

Zijn twijfels in het geloof heeft hij altijd voor zijn vrouw verborgen gehouden, toen zij nog leefde, vertelt hij, en daar sprak je ook niet over in die tijd in de gereformeerd-vrijgemaakte kerk waar ze lid van waren. “Ik heb mijn vrouw nooit geconfronteerd met mijn aarzelingen. Ik had negatieve ervaringen, maar die had zij niet.”

Het verhaal van Hans zorgt voor een interessante interactie met de anderen, die allemaal een generatie jonger zijn. Femke: “In mijn relatie vind ik het ook een lastig punt. Mijn vriend en ik hebben allebei onze strubbelingen. Hij is heel rationeel ingesteld, en hoeft niet zozeer te voelen dat hij gelooft. Bij mij zit dat wat anders.”

Gaandeweg het gesprek komt het punt naar boven dat gelovigen die een voorbeeld voor je zijn, ook een verlammend effect kunnen hebben. Het is juist op dit soort punten dat Vermeulen zelf als theoloog een extra aspect binnen het gesprek brengt.

Vermeulen: “Ik wilde graag die verlamming op tafel hebben. Al die mensen die wij noemen, zullen zichzelf niet als een voorbeeld zien, of zien dit in ieder geval niet als een verdienste. We kunnen wel proberen om hen als een voorbeeld naar ons toe te trekken, maar als dat verlammend werkt, trek je jezelf ook weer de sfeer van die verdienste in.”

Elsbeth: “Een van de dingen die mij het meest bijblijven van deze avonden is de terugkerende vraag: hoe hoog leg je de lat? Het kan inspirerend zijn om te verlangen naar groei en anderen te zien als een voorbeeld, maar het kan ook verlammend werken.”

Wim: ”Volgens mij is er ook nog een derde weg. Dat is die van Paulus. Hij heeft het over dankbaarheid, dat je God dankt voor die ander. Dus zonder in de concurrentiestand te staan. Dan wordt het gewoon een feest.”

 

Zomergevoel

Aan het eind vraag ik deelnemers –die allemaal een kerkelijke achtergrond hebben- nog eens rechtstreeks waarom het lijntje met de kerk op een gegeven moment dun werd, en wat deze kring daarin voor hen betekend heeft.

Elsbeth: “Het is iets meer dan een jaar geleden dat ik het oproepje van Wim las. Ik beschouwde mezelf steeds meer als een draaideurchristen: op het ene moment voelde ik me erbij horen, en op het andere moment had ik het gevoel dat ik erbuiten stond, ook al ben ik best actief in de kerk. Ik vond dat ik daarin een keuze moest maken. Door deze kring kreeg ik sowieso de ervaring dat je niet de enige bent die die gedachte heeft. Het zijn de vraagstukken van anderen die je aan het denken zetten: wat voor beelden heb ik zelf in mijn hoofd gehaald?”

Maria: “In dubio zijn: dat staat ook gewoon synoniem voor het geloofsleven.”

Femke: “Ik kom al ongeveer tien jaar in allerlei kerken, ik was ook sporadisch in de Jacobikerk. Het was dus vrij toevallig dat ik dit bericht las. Voor mij was het een opstapje om meer actief met deze vragen bezig te gaan. Het heeft me veel gebracht. Mijn geloof is een stuk levendiger geworden. Ik merk ook dat dit clubje vaak het begin is van mooie gesprekken.”

Menno: “Ik ging wel elke zondag naar de kerk, maar ik was het een beetje kwijt. Ik dacht, toen ik het berichtje las: baat het niet, dan schaadt het niet. Het is niet zo dat ik het geloof kwijt was, maar wat het dan wel was, weet ik nog steeds niet. Ik ben nu zo ver dat ik denk: ik geloof de kern wel, maar ik weet nog niet zo goed wat ik ermee aan moet. Ik werk in een omgeving waarin niemand religieus is. Moet je nu alweer om negen uur de koffie klaarzetten in de kerk, vragen ze dan. Daar snappen ze echt niets van. Hoe moet ik daarmee omgaan? Het is fijn om mensen te spreken die dezelfde soort twijfels hebben. Op een bijbelkring is iedereen vol vuur, maar hier merk je dat mensen in de kerk ook hun twijfels hebben. Dat gaf rust.”

Maria: “Je maakt kennis met nieuwe gezichtspunten, dat is waardevol”. 

Femke: “En er is iemand bij met kennis van zaken, die er een klap op kan geven.”

Derk: “Ik denk dat christenen elkaar graag het lente- of zomergevoel proberen over te brengen. Maar het is lastiger om te praten over de tijden dat het minder gaat. Dat je hond dood is gegaan, dat gaat nog. Maar een depressie of burnout, dat is lastiger om over te praten. Toen ik hoorde over deze kring vond ik het wel spannend: wie gaat daar zitten? Ik was van sommigen best verrast dat ik ze hier trof. Maar kennelijk ervaren wij hetzelfde, en het is mooi om dan de ervaring te hebben: hier komen we samen wel uit.”

Vermeulen: “In feite zijn we gewoon een volwassencatechesegroep geworden. We zijn gewoon bezig met de grote vragen die iedere generatie stelt. Ik denk bij deze kring steeds vaker: dit is het normale christelijke leven”.

 

Nels Fahner

 

Aan het begin van de avond was het onduidelijk hoe persoonlijk de gesprekken zouden worden. Daarom zijn de namen van de deelnemers gefingeerd.

Lees verder

Games in de godsdienstles: een goed idee

20-04-2018

Games bespreken in de lessen godsdienst: dat lijkt een droom voor middelbare scholieren, maar niet per se leerzaam. Toch worden games steeds beter, en bieden ze soms interessante aanknopingspunten voor het gesprek over levensbeschouwing en geloof, vindt docent, gamer en theoloog Liesbeth Last.

Theoloog en docent Liesbeth Last is een van de weinigen die zich bezighoudt met het verhalende aspect van games. Er wordt veel onderzoek gedaan naar het verslavende effect van games, maar dat ze ook interessant zijn vanuit levensbeschouwelijk perspectief, en dat ze discussies kunnen oproepen over religie en geloof, is minder bekend.

Op de website van de Katholieke Universiteit Leuven heeft Last hier lesmateriaal voor ontwikkeld dat voor docenten godsdienst beschikbaar is.

 

Wanneer had u voor het eerst het idee: games zijn eigenlijk een heel goed uitgangspunt voor godsdienstlessen?

“Ik ben zelf al heel lang gamer, en zo’n vijf jaar geleden viel het me voor het eerst op dat games eigenlijk veel meer waren geworden dan entertainment.  Games worden steeds beter qua verhaal en vormgeving, omdat er ook steeds meer geld in wordt gestopt. De afgelopen jaren zijn gameontwikkelaars bovendien de verhaallijn van hun spellen steeds belangrijker gaan vinden, en ook de vormgeving. Decorelementen hebben in veel games een levensbeschouwelijke achtergrond. Dat komt ook doordat die games in de VS of Europa worden gemaakt, door mensen die vaak godsdienstonderwijs hebben gehad, zelf niet meer gelovig zijn, maar wel putten uit de christelijke traditie.”

 

Een van de games die u beschrijft is Rise of the Tomb Raider met Lara Croft. De hoofdpersoon van die game is archeologe en vindt op een gegeven moment een afbeelding van Christus Pantocrator.

“In Rise of the Tomb Raider worden veel christelijke afbeeldingen en details gebruikt, die overigens op zich niet echt nodig zijn om verder te komen in het spel. Maar je kunt dan wel de vraag aan de leerlingen stellen: wat heb je nog meer ontdekt wat een link kan hebben met levensbeschouwing? In dit geval heb ik die afbeelding van Christus Pantokrator gebruiken voor een les over het gelaat van Christus. Hoe komt het dat katholieken dat wel afbeelden, terwijl protestanten dat niet doen? Zo kom je tot een inhoudelijk goed onderbouwde les op basis van een game.”

 

Kun je uit de games concluderen dat religie tegenwoordig jongeren op een heel andere manier bereikt?

“Zeker. Natuurlijk hangt het ervan af hoe je religie definieert. In spellen als World of Warcraft wordt veel gewerkt met een bepaalde vorm van transcendentie, met een kracht die de spelers stimuleert. In Rise of the Tomb Raider een sekte die Trinity heet, een verwijzing naar de drie-eenheid. Mijn taak als leraar is om duidelijk te maken dat dit termen zijn die uit het religieuze erfgoed komen. En het gesprek op gang te brengen over de betekenis van dat alles. Want zelf spelen leerlingen vooral voor hun plezier, en zullen ze niet gauw die link leggen.”

 

U had het net al over een sekte met de naam Trinity. In games lijken net als in de populaire cultuur vooral de extremen van religie aan bod te komen. Werkt dat niet juist vervreemdend?

“Ik denk dat dat wel meevalt, want de religieuze elementen vallen doorgaans niet zo op. Mensen spelen games vanwege het entertainment. Maar als je ze aan het denken zet over wat ze zien, kan dat wel leiden tot verdieping, tot de vraag wat religie kan betekenen. De grote kaskrakers als het oorlogsspel Call of Duty en Rise of the Tomb Raider hebben inhoudelijk niet echt een rechtstreekse link met religie. Maar er zijn ook games die een meer mediterend karakter hebben. Bijvoorbeeld de game Journey. Dat wordt gemaakt door een interessant gamebedrijf dat zich richt op games die de innerlijkheid proberen te raken, in tegenstelling tot doorsnee games, die vaak gericht zijn op actie, geweld, de strijd tussen goed en kwaad.”

 

Wat is de verhaallijn van zo’n game als Journey?

“Het is heel meditatief,  er is eigenlijk nauwelijks een verhaallijn. Je loopt door de woestijn, en je ziet een berg waar licht uit komt. Die moet je zien te bereiken. Het bevreemdende is dat je andere spelers tegenkomt, maar dat je niet met ze kunt communiceren. Je kunt elkaar alleen wel wat helpen om samen die berg te bereiken. Dat geeft een bepaalde vorm van vertrouwen. Iedere speler heeft bijvoorbeeld een sjaal om die je de kracht geeft om te vliegen. Maar dat werkt slechts tijdelijk, en dan beland je weer op de grond. Maar als je met z’n tweeën bent, kun je elkaar kracht geven en zo blijven vliegen. Je geeft dus eigenlijk steun aan elkaar.”

 

Er worden dus eigenlijk geloofservaringen gevisualiseerd, als ik het goed begrijp.

“Ja, inderdaad. Je loopt door een prachtig landschap en je houdt je blik gericht op de berg die licht uitstraalt. Natuurlijk zijn er wat hindernissen waar je over moet. Je kunt niet sterven in dat spel, en  er wordt ook niet geschoten. Sommige leerlingen vinden het saai om te spelen, anderen vonden het juist heel indrukwekkend. Het duurt twee of drie uur en dan ben je bij die berg. Daarbij wordt ook klassieke muziek ingezet, wat een extra dimensie geeft aan het spel. Dit spel wordt in Groot-Brittannië, in Exeter overigens ook gebruikt bij bepaalde vieringen. Het wordt blijkbaar niet als storend gezien als het dan als decor op de achtergrond functioneert.”

 

In hoeverre kunnen jongeren een onderscheid maken tussen de  wereld van de game en de echte wereld van hout en steen en echte mensen daarbuiten?

“Ik ben ervan overtuigd dat ze dat kunnen. Dat heb ik gemerkt toen ik het spel “Life is Strange” gebruikte in verschillende klassen. In de game wordt aan spelers de vraag voorgesteld: stel, een meisje is het slachtoffer van cyberpesten. Wat zou jij doen? Ga je naar de politie of ga je zelf op onderzoek uit?  In het spel gaan jongeren dan op onderzoek uit, terwijl ze in het echte leven bij dezelfde vraag aangeven dat ze naar de politie zouden gaan. In het spel gaan jongeren voor de uitdagende keuzes. Ze willen experimenteren om te zien wat de resultaten zijn, terwijl ze in het echte leven eerder naar de politie of naar een vertrouwenspersoon zouden gaan.

Het is ook niet zo dat je als je een gewelddadige game speelt, je daardoor ook gewelddadig wordt. Het is met name een vorm van escapisme. Net als liefhebbers van horror niet zozeer moorddadig zijn, maar eerder een soort ontlading zoeken. Als iemand gestorven is, is soms de neiging er ook om te lachen om de verhalen om die persoon. Dat zijn mechanismes die de stress uit de maatschappij halen.”

 

Games worden vaak gediaboliseerd, schrijft u ergens. Ze kunnen natuurlijk ook verslavend zijn. Wat brengt u ertoe om ze juist in de godsdienstles te betrekken?

“Het is belangrijk dat er ook over wordt gepraat met jongeren. Veel collega-docenten bespreken geen games, omdat ze er een afkeer van hebben of omdat het medium hen onbekend is, maar op die manier blijven ze in de taboesfeer. Het is belangrijk om die juist te doorbreken. Ik heb ook leerlingen die wel heel veel gamen. Doordat het over games gaat, komen ze ook naar me toe en dan heb ik daar als volwassene weet van. Dat is beter dan wanneer ze dat probleem alleen in hun eigen kamer laten. Dat demoniseren leidt tot extra gebruik, want mensen zijn gevoelig voor taboes, dat leert het verhaal van de zondeval al.

Ik denk dat het voor ouders ook belangrijk is om te weten wat voor games hun kinderen spelen. Toon er daarom interesse in. Dan kun je er gesprekken over hebben. Laatst zag ik hoe een kind van een jaar of negen een best wel gewelddadig spel kreeg van zijn ouders. Ik denk dan: besef dat het belangrijk is om met je kind in gesprek te gaan over videogames. Als ouder laat je je negenjarig kind toch ook niet vrij rondlopen op de Grote Markt in Brussel? Volwassenen zijn vaak bang voor games, omdat ze die met geweld associëren, maar dat is geen reden om je er maar niet in te verdiepen.”

 

U bespreekt naar aanleiding van een oorlogsgame als Call of Duty ook verschillende visies op oorlog, ook meer pacifistische visies en de visie van de paus over actieve geweldloosheid. Hoe reageren leerlingen daarop?

“Als ik met Call of Duty in de klas kom, dan likkebaarden ze, dan wrijven de leerlingen zich in hun handen. Maar als je dat dan vervolgens gaat bespreken gaat er een wereld voor ze open. Wat voor visies op oorlog zijn er? Wat voor visie heeft het spel zelf? Zo worden leerlingen gemotiveerd om verder te kijken dan het pure geweld. Het laatste game van Call of Duty gaat overigens ook over dat personages mensen kunnen gaan helpen op het slagveld.”

 

U klinkt eigenlijk best wel positief over de visie van het spel zelf op geweld.

“Je hebt een variant van Call of Duty met zogeheten Nazi-zombies en daarbij gaat het echt alleen om het schieten om het schieten. Maar bij de singleplayer (de variant met gewone spelers, red) zijn soldaten geen moordmachines maar mensen van vlees en bloed. Zij vinden bijvoorbeeld mensen die zich hebben verstopt voor het nazisme en discussiëren dan met elkaar: moeten we deze mensen achterlaten? We hebben immers ook een functie als humanitaire hulpverlener. Behalve dat het een schietspel is kun je er dus ook vragen over stellen als: wat is geweld? Hoe ver moeten we gaan om de vrijheid te verdedigen? Wat is vrijheid eigenlijk?

Maar er worden ook heel andere oorlogsspellen gemaakt dan Call of Duty. Het spel This War of Mine is bijvoorbeeld een spel vanuit het perspectief van oorlogsslachtoffers. Er is dan geen richting, de speler moet in chaos overleven. Want er is geen draaiboek voor iemand die in oorlog leeft. Dat spel is confronterend om te spelen, ook als je daarbij het contrast met Call of Duty bedenkt. Daarbij ben je de held, en sta je aan de veilige kant van het wapen. Dat besef komt als je die spellen met elkaar vergelijkt.”

 

Een andere game die u bespreekt is de science fictiongame Mass Effect Andromeda. Wat maakt dit met het oog op religie zo’n interessante game?

“Science fiction is interessant om dat alles objectief gemaakt wordt. Bepaalde kwesties worden van deze wereld weggetrokken, en dat kan verhelderend zijn. Zoiets gebeurt ook in een filmserie als Star Trek, waarbij allerlei rassen en volkeren voorkomen. Dan gaat het niet om Marokkanen of Belgen of Algerijnen, Duitsers of Nederlanders, maar om abstractere rassen. Hoe gaan zij met elkaar om en hoe doen wij dat? Het abstract maken van racisme kan een opening bieden om objectief naar iets te proberen te kijken. Op die manier kun je de emotie weghalen  en blijft de essentie over.”

 

 

https://www.kuleuven.be/thomas/page/videogames-overzicht/

Lees verder

'Pionieren is vallen en opstaan'

05-04-2018

Urban Expression: dat is de naam van een moderne ‘orde’ van buurtkerken en hun leiders, die dit jaar tien jaar bestaat. Overgewaaid uit Engeland is de beweging nu in zo’n 10 Nederlandse steden actief, in creatieve christelijke gemeenschappen die in toenemende mate samenwerken met lokale kerken, én gedragen worden door de buurtbewoners zelf. Oeds Blok blikt terug op 10 jaar pionierswerk, in zijn eigen stad Amersfoort en op de ervaringen in andere plaatsen.

Van Zaanstad tot Rotterdam tot Arnhem: de afgelopen jaren zijn er op verschillende plekken in Nederland wijkkerken en -initiatieven ontstaan door teams van Urban Expression. In Rotterdam zijn er zelfs twee plekken, in Den Haag is poppenspeler en verhalenverteller Matthijs Vlaardingerbroek al vanaf 2000 gestart met een buurtkerk in de Spoorwijk. Een bekend gezicht uit Rotterdam is Daniël de Wolf, bekend van De Torrie van Mattie (het evangelie van Matteüs in de taal van de straat). Blok: “Urban Expression is eigenlijk een soort orde van pioniers, en ons hart ligt bij de mensen in zogeheten ‘krachtwijken’, wijken die schoonheid, maar vooral ook een rauwe rand hebben. We zijn ervan overtuigd dat daar iets van God te vinden is wat je elders niet vindt. Het zijn vaak plekken waar bijna niets meer van de kerken te zien is. Op die plekken zijn we actief.”

Creativiteit is bij Urban Expression een sleutelwoord; vertelt Oeds Blok in zijn woning aan een doorgaande weg in het Soesterkwartier in Amersfoort, waar hij zes jaar geleden in zijn vrije tijd zelf begon met buurtkerk.

Het is geen kerk met een toren, waar hij het over heeft: het is een groep mensen die samenkomt in en rond een speeltuin.

Hoe ziet een zondagochtend in de kerk in het Soesterkwartier eruit? Blok: “Op zaterdagavond hielden we al een spelletjesavond, en daar kwamen veel mensen. Maar we zaten lang met de zondag. Wat doe je dan, en voor wie? De stap om iets op zondag te doen was voor veel van hen te groot. De zondagochtend was voor de mensen uit de buurt geen goed tijdstip, dan ben je vrij, is dan het idee, dus dat werkte niet. Toen hebben we besloten om op zondagmiddag in de speeltuin een tafel neer te zetten. Dat was best een grote stap, want dan ben je kerk midden tussen de mensen in de speeltuin. We hadden taart op tafel staan. Het was dus een feestje, dat was de gedachte. Voor iedereen. We hebben daarna iets met een bijbelverhaal gedaan, want dat doen we altijd op de zondag. Dat hebben we afgestemd met de beheerder. Daar moet je transparant over zijn. Het leuke van een buurtkerk is dat ik kinderen en volwassen weer tegenkom op straat, in de winkel of bij voetbal of ergens op de koffie ga. Veel relaties spelen zich af in het dagelijks leven.”

 

Tentje

De manier waarop een bijbelverhaal wordt verteld of uitgebeeld is heel divers, vertelt Blok. “Laatst ging het over angst. Toen hebben we met een tobbe met water het verhaal van Jezus op het meer uitgebeeld. We hebben er ook een wedstrijd voor de kinderen aan vastgeplakt. Blazen en dan zien welk bootje het snelst naar de overkant komt. Als volwassene kon je op een papiertje schrijven waar je het meest bang voor bent. Mocht wel, hoeft niet. Het is dus heel rechttoe-rechtaan.”

Er kan dan een moment komen dat het gepast aanvoelt om te bidden met elkaar, al is bidden niet altijd aan de orde. “Normaal doen we dat niet, in het koffiehuis – waar we ’s winters kerk houden in plaats van buiten in de speeltuin - want het is geen viering. Maar dit keer hebben we wel gebeden, gewoon met iedereen, staand rond dat badje. Omdat God erbij is, als we angstig zijn.”

De vorm die wordt gekozen heeft dus altijd iets met beleving te maken, met je zintuigen. “Het zijn eigenlijk gewoon moderne leerprincipes die we toepassen, zoals dat ook in het reguliere onderwijs gebeurt. Met Pasen hebben we vijf plekken gemaakt in de speeltuin waar mensen iets konden proeven. Ik stond op een speeltoestel en mocht geurolie uitdelen. Het was eigenlijk best bijzonder dat een paar moslimvrouwen ook toelieten dat ze olie op hun hand kregen. Ik vertelde erbij: ‘Toen Jezus in het graf lag, waren de vrouwen om hem heen verdrietig. Toen hebben ze hem verzorgd met olie.’ Punt. Daar laat ik het dan bij. Op een andere plek was er brood met mierikswortel. De kinderen mochten dat proeven. Bah natuurlijk. Daar werd bij gezegd dat het lijden bitter was voor Jezus. En dat hij het uit liefde deed.”

Soms kun je ook enorm lachen met elkaar, vertelt Blok. “Er was bijvoorbeeld ook een onderdeel ‘raad dit geluid’. Dat was dus het geluid van een grote rollende steen. En dan vertelden we van de engel die de steen wegrolde. Een graf is moeilijk uit te beelden in een speeltuin. We kozen uiteindelijk voor een engel die in een tentje zat. Als laatste onderdeelkwamen alle volwassenen en kinderen in dat tentje. Degene die de engel speelde moest zeggen: Jezus was wel dood, maar op een gegeven  moment was hij er niet meer. Weg. Hij was sterker dan de dood.

Daar waren ook twee tieners bij gekropen, zoals wel vaker gebeurt natuurlijk in een speeltuin, dat er plotseling mensen meedoen die je eerder niet verwachtte. Die begonnen te lachen. Dat kan toch niet, zo’n raar verhaal. Er werd dus om gelachen. Dat kan. Maar het is ook wel een raar verhaal natuurlijk.”

De buurtkerk heeft een zomerkerk en een winterkerk, legt Blok uit. “’s Winters is het buiten te koud en dan komen we samen in een zijgebouwtje van de speeltuin. Daar is dan een koffiehuis. Er komt een vaste groep mensen, en een wisselende groep. In het koffiehuis is binnen een tafel waar een kruisje op staat. Je kunt er ook een kaarsje opsteken. Er zijn onder andere een paar Marokkaanse families die blijven komen. Dat vind ik bijzonder, blijkbaar schrikt dat kruisje niet af. We leggen ook aan de kinderen uit waar een kaarsje voor is. Dat als je iets wenst, dat God dat ook weet.”

 

Unplugged

Terugkijkend op zes jaar buurtkerk, constateert Blok dat er gaandeweg steeds meer activiteiten bij kwamen, verschillende vormen van kerk, zoals hij het noemt. “We misten op een gegeven moment body, een kerngemeenschap. Dus zijn we ook elke eerste en derde zondag van de maand met een viering bij iemand thuis gestart. Het begint met koffie. We lezen iets uit de bijbel en we zingen met elkaar. We vieren dan avondmaal, rondom Jezus. We zetten dat niet in de krant, maar nodigen mensen persoonlijk uit. We hoeven aan die vieringen niet veel voor te bereiden. Er is geen dominee die alles doet. We kunnen met meerdere mensen om de beurt het avondmaal voorbereiden. Ik wil ook graag dat het een meerstemmige gemeenschap is. Verder houden we het eenvoudig. Er wordt piano gespeeld of gitaar. We zingen een paar nummers. Er is altijd eten of koffie, voor de sociale contacten. Naast die vieringen en de bijeenkomsten op zondagmiddag zijn er ook twee groepjes ‘Bakkie & bidden’, een bij een Arubaanse mevrouw thuis. Bidden is een mooie manier om iets van God te ervaren. En er zijn twee bijbelstudiegroepjes ‘De weg’. Zo zijn er verschillende vormen van kerk, en deelnemers kiezen waar ze bij willen horen. Twee mannen hadden bijvoorbeeld weinig met Jezus, maar ze stonden wel open voor geloof, en ze waren ervan overtuigd dat er een God bestond. Toen zijn ze de verhalen over Jezus gaan lezen. Er is bij de bijbelstudie veel ruimte voor dialoog. Uiteindelijk heeft dat hun leven beïnvloed en hebben ze een soort basisrust gekregen. We lezen dus een stukje en praten erover. We lezen de bijbelverhalen over Jezus unplugged, zeg ik weleens, we slaan niets over. Ook de passages die schuren, lezen we. Het is de kunst om met de flow mee te gaan – dus het gesprek te volgen zonder te veel een bepaalde kant op te willen. Wat wel helpt om structuur aan te brengen, is het telkens weer invoegen bij de vraag wat Jezus met ons doet, wie hij is, of wat we zelf voor betekenis aan hem geven. We lazen pas een verhaal over een bezeten man. Dat is best een ruig verhaal. Maar sommige van onze mensen hadden daar helemaal geen moeite mee. Zij kenden dat. Wat blijft Jezus rustig. Dat viel hen op.”

 

 

Jezus-factor

Hoe zorg je ervoor dat je niet alleen maar bezig bent met een sociaal initiatief? Wat is, anders gezegd, de relevantie van de Jezus-factor, zoals Blok het zelf eens noemde in een interview met Andries Knevel?

“In het begin was dat voor mij wel een vraag. Ik verdiepte me toen ook in mensen die niets met Jezus hadden maar zich toch inzetten voor de buurt. Ik ging God meer in mensen zien. Maar later ben ik anders naar onze eigen initiatieven gaan kijken. Alleen al het feit dat in ons koffiehuis iedereen welkom is. Wie doet dat? Niemand. Dat is, denk ik, de Jezus-factor. Een kind dat op straat de dag doorbrengt en pas ’s avonds weer thuis mag komen, krijgt bij ons aandacht. Meer hoeft het niet te zijn, en meer kan ik er ook niet van maken.”

Er is natuurlijk een grote godsdienstige diversiteit. “Ik werk samen met moslims en ook met autochtone Nederlandse vrouwen die heel spiritueel zijn. Met deze vrouwen zit ik in een werkgroep voor buurtuitvaarten, voor mensen met een smalle beurs. Zij putten uit een andere bron, maar ik probeer nieuwsgierig te zijn. Ik leer ook van mensen om me heen van hun leven en bezieling die het verdient om gezien te worden. Bij moslims zie ik dat zij zelfbewust zijn in hun geloof. Dat vind ik mooi. Een houding van vrijmoedigheid en nederigheid, dat hebben we nodig.”

 

Tussenruimte

Pioniersplekken zijn nieuw en lijken daardoor automatisch succesvol en fris. Maar de werkelijkheid is er een van vallen en opstaan. Er is de afgelopen jaren ook weleens een buurtkerk weer gestopt. En vermoeidheid is een terugkerend fenomeen.

“Hier in het Soesterkwartier zijn we 6 jaar geleden met een groep van ongeveer 14 volwassenen gestart. Onder hen een groep van 4 mensen die de bijbelschool De Wittenberg hadden gevolgd. Dat was een geschenk. Maar uiteindelijk hielden de meeste mensen die mee gingen uit de Baptistengemeente, waar ik predikant was, het niet uit. Twee echtparen zijn gebleven, vier zijn er gestopt. Het lukte hen uiteindelijk niet goed genoeg om dit als hun kerk te zien, hun geloofsgemeenschap. Dat is natuurlijk voor henzelf, en ook voor de rest van het team wel moeilijk. Maar je moet ook de vrijheid houden om te doen wat bij je past. En zij hebben dit wel mede mogelijk gemaakt. Na een jaar of vier zijn er ook steeds meer buurtbewoners mee gaan doen”.

Een trend is dat er steeds meer wordt samengewerkt met lokale kerken. “Dat zien we bijvoorbeeld in het Oude Noorden in Rotterdam, dat mensen die meedoen met wijkgemeenschap Bless ook lid zijn van andere kerken. Dat past bij de trend van multiple religious belonging: mensen komen uit de Protestantse Kerk in Nederland, uit de Baptistengemeente, of uit de gereformeerde kerken vrijgemaakt, en ze willen tegelijkertijd betrokken zijn bij een buurtkerk.”

Uiteindelijk gaat het er bij Urban Expression om, dat er een soort tussenruimte ontstaat, zegt Blok ten slotte. “Een viering, dat is een christelijke ruimte. Daar is op zich niets mis mee, we houden ook zelf vieringen. Maar we zijn ook het liefst aanwezig op het terrein van de ander, want dat biedt kansen voor ontmoeting. Dat past ook bij het koninkrijk van God. In de creativiteit tussen mensen komen verschillende werelden bij elkaar. In die ontmoeting gebeurt Gods koninkrijk.”

 

Info: www.urbanexpression.nl.

Lees verder

De barmhartige samaritaan in Almelo

01-03-2018

Er komen steeds meer pioniersplekken in Nederland. Vorige week opende er weer een zijn deuren,  nu in Almelo. LINKT is de naam, en uitgewerkte toekomstplannen zijn er niet. ‘We zien wel wat God op ons pad brengt.’

‘Van religiestress is hier gelukkig geen sprake’, zegt ds. Catherinus Elsinga, missionair predikant in Almelo. LINKT, de pioniersplek van de plaatselijke protestantse gemeente, is ingebed in het welzijnswerk, de huisartsenposten en de geestelijke verzorging van het ziekenhuis. ‘Als die hulpverleners in hun dagelijks werk mensen ontmoeten die behoefte hebben aan een goed gesprek, of aan een netwerk waarin ze persoonlijke aandacht krijgen, kunnen ze hen doorverwijzen. Van een taboe heb ik niets gemerkt; er is juist veel openheid en bereidheid om mee te werken.’

We staan in ‘Het Pakhuis’, een uit de kluiten gewassen huiskamer op de benedenverdieping van een pand in het centrum van de stad, op steenworp afstand van het station. Her en der zijn wat zitjes gecreëerd, er staat een bankstel en een grote stamtafel. Het is allereerst een ‘pleisterplaats’, waar bezoekers kunnen binnenwaaien voor koffie, thee, broodjes, soep en een goed gesprek. Verder is het de thuisbasis van het stadspastoraat. Je kunt er terecht voor gesprekken die net even verder gaan dat een borrelpraatje in de kroeg; ‘vertrouwelijk, gratis en vrijblijvend’. De derde ‘poot’ van LINKT vormen de zondagse bijeenkomsten, het gesprek rond de tafel, over de God, de Bijbel en het dagelijks leven.

Werkloosheid

Burgemeester Arjen Gerritsen (VVD) is te gast bij de kick-off. De bijna-buurman van LINKT, dat vrijwel naast het stadhuis ligt, omarmt het initiatief als één van vele organisaties die een bijdrage leveren aan het welzijn van de 73.000 inwoners van zijn stad. Ruim 8% daarvan is werkloos. ‘Er zijn families waarin de derde generatie op rij geen werk heeft. ‘Opa, vader, zoon. Dan wordt armoede een cultuur. Je ervaart afstand, niet alleen tot de arbeidsmarkt, maar ook tot welvaart, liefde en gemeenschap. In zulke situaties kan LINKT veel betekenen.’

Passie voor mensen

Bij een kop soep spreek ik Hans ter Braake. Hij blijkt de eigenaar van het pand en woont met zijn gezin op de eerste verdieping. ‘Sinds we het zes jaar geleden kochten, hebben mijn vrouw Ingrid en ik vaak gesproken over onze wens om vanuit onze christelijke achtergrond iets te doen voor de stad. Vorig jaar hadden we net het plan opgevat om in de wijk hier tegenover te gaan folderen. We zouden de deuren opengooien voor iedereen die zin heeft in een bak koffie en een praatje. Precies op dat moment kwamen we via-via in contact met dominee Elsinga, die met een soortgelijk idee bezig was. We vonden elkaar snel in de opzet van LINKT.’

Onderkant

Ter Braake is eigenaar van een groothandel in gereedschappen. ‘En ik heb een passie voor mensen’, voegt hij er in één adem aan toe. ‘Ik heb niets met glitter and glamour. Het is veel leuker om je in te zetten voor anderen. Ik coach bijvoorbeeld jonge ondernemers. Maar het liefst zet ik me in voor de mensen aan de onderkant van de samenleving. De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan vind ik daarbij bijzonder inspirerend. De Samaritaan is ergens onderweg, loopt tegen een probleem op en toont dat hij hart heeft voor zijn naaste. Hij verzorgt hem, brengt hem naar de herberg, zorgt voor een goeie follow-up en trekt weer verder. Dat breng ik ook graag in praktijk. ‘

Teleurgesteld

Hans en Ingrid zijn lid van een gemeente van Vrije Baptisten in Wierden. ‘Het is daar niet anders dan in veel andere gemeenten: de kerk is nogal naar binnen gericht. Dat verwijt ik hen niet, het is gewoon zo. Het zijn ingesleten tradities en gewoonten. Ik ben  daar niet teleurgesteld over. Als je teleurgesteld bent in de kerk, ben je dat eigenlijk in jezelf. Want de kerk, dat zijn we zelf, toch? Diep in hun hart weten gemeenteleden wel dat het nooit de bedoeling van Jezus is geweest dat we alleen maar in onze eigen kringetjes ronddraaien. Als ze van zo’n initiatief als LINKT horen, zijn ze enthousiast en doen we niet te tevergeefs een beroep op hen om een handje uit te steken.

Toekomst

Wat moet LINKT worden? ‘Daar maak ik me geen concrete voorstellingen bij. Overdag, in mijn business, moet ik bezighouden met toekomstplannen en prognoses; dat is ook je verantwoordelijkheid voor je personeel. Maar bij LINKT doe ik dat principieel niet. Hier hoef ik alleen maar te bidden. We zien wel wat God op ons pad brengt. Hij zal voorzien. We houden onze hand op en zien wel hoe die gevuld wordt. Als LINKT in het komend jaar voor 1 persoon van grote betekenis blijkt te zijn, is het niet voor niets geweest.’ Met pretoogjes: ‘En als er 100 man komt, prachtig. Ook goed.’

 

 

KADERTEKST

Missionair werk in textielstad

Almelo is een oude textielstad. Het gemiddelde inkomen is laag. De stad kent een relatief grote populatie met een Turkse en Armeense achtergrond. In 2012 is ds. Catherinus Elsinga aangesteld als missionair predikant. Een paar dagen per week werkte hij voor wijkgemeente De Ontmoeting. Twee dagen legde hij zich toe op het ontwikkelen van missionair werk op stedelijk niveau. LINKT is te beschouwen als een vervolg op dat werk. Drie protestantse wijkgemeenten zijn betrokken bij het initiatief, dat sinds oktober 2017 officieel de status heeft van pioniersplek van de Protestantse Kerk in Nederland en de missionaire organisatie IZB.

LINKT richt zich op de brede doelgroep van 25-45 jaar. Veel inwoners uit die leeftijdscategorie staan nog wel geregistreerd in de kaartenbak van de kerk, maar zijn niet meer actief betrokken. Uit pastorale contacten blijkt dat bij een deel van hen wel openheid is voor gesprekken over het geloof.

Elsinga: ‘Bij de ontwikkeling van LINKT mobiliseren we het maatschappelijk netwerk van de leden van drie wijkgemeenten. In het pastoraat ontmoeten ambtsdragers randkerkelijken die gebaat kunnen zijn bij een laagdrempelige ontmoetingsplek als LINKT. Gemeenteleden kunnen mensen die ze kennen uit hun straat of buurt, erop attenderen. Het blijft pionierswerk, we zullen zien wat er op ons pad komt. Zo sprak ik bijvoorbeeld iemand die contact heeft met prostituées in de stad.  Ik was aangenaam verrast door de goede contacten met huisartsen, de welzijnsorganisaties en andere hulpverleners in de stad, die het initiatief warm verwelkomen. Mensen verblijven tegenwoordig relatief kort in het ziekenhuis; ze zijn blij dat ze hen dan kunnen wijzen op LINKT.’

Lees verder

Abortus: vrij kan zomaar vogelvrij worden

12-01-2018

Draag je je zwangerschap uit of laat je hem beëindigen? Vrouwen die voor deze keuze staan, worden vaak door voor- zowel als tegenstanders van abortus in de steek gelaten. Een pleidooi voor een echt kindvriendelijke samenleving.

Het leek een tijdlang rustiger te worden rond de abortusdiscussie. Ook voorstanders van de mogelijkheid erkenden de mogelijk traumatische gevolgen van abortus, en tegenstanders leken meer begrip te krijgen voor de penibele omstandigheden van ongewenst zwangere vrouwen. Voor euthanasie geldt toename van begrip bij christenen mogelijk nog meer - dat wil zeggen, daar waar euthanasie zich beperkt tot terminaal zieke patiënten.

Maar toen kwam de Mars voor het Leven van 9 december. Organisator was ‘Schreeuw om Leven’, bekend van acties als plastic foetussen op ware grootte en demonstraties bij abortusklinieken. Voorop liepen CU-voorman Gert-Jan Seegers en SGP-fractievoorzitter Kees van der Staaij.

Twitter ontplofte, zoals gebruikelijk. De reacties waren ongemeen fel en hard, zelfs voor onze uiterst gepolariseerde samenleving. Ongenuanceerd als Twitter is, werden voor het gemak alle christenen over één kam geschoren. Het was gefundenes Fressen voor iedereen die religie eerder vandaag dan morgen achter de voordeur ziet verdwijnen. Menigeen zag zijn eigen vrijheid alleen al aangetast doordat de Mars überhaupt plaatsvond.

 

Buikpijn

Toch zullen ook veel christenen een beetje buikpijn hebben gekregen van deze Mars voor het Leven. Dat begint al met het feit dat abortus en euthanasie onder één noemer worden gebracht, terwijl het toch echt verschillende onderwerpen zijn. Het maakt nogal verschil of je het leven van een terminaal zieke patiënt beëindigt waardoor deze enkele dagen of weken eerder sterft, of dat een ongeboren kind niet eens kan beginnen aan zijn of haar leven.

Daarbij is de prominente aanwezigheid van politici een complicerende factor. Zeker waar het de SGP betreft, zijn er nogal wat kanttekeningen te plaatsen. Deze partij had tot voor kort nog de doodstraf in zijn  programma staan. Daarnaast profileert de partij zich sterk als gezinspartij, waarbij gezin ook echt staat voor het traditionele gezin met een vader, een moeder en kinderen. Verder staat de SGP niet direct bekend als royaal met sociale voorzieningen, en daar zullen veel alleenstaande moeders toch regelmatig - en zeker voor een bepaalde periode - op aangewezen zijn.

De ChristenUnie heeft zo zijn  eigen imagoprobleem. De partij maakt op dit moment immers deel uit van een coalitie die geen goede reputatie heeft op het gebied van kindvriendelijke maatregelen. Zo is daar bijvoorbeeld het kinderpardon dat de onderhandelingen niet heeft overleefd. Het werd de partij als verwijt voor de voeten geworpen. Wel op de bres staan voor ongeboren kinderen, maar als ze er dan zijn moeten ze zich maar redden? Hypocriet!

Maar een alternatief bieden degenen die de christelijke partijen bekritiseren feitelijk niet. Want niet zelden betekent ‘je eigen keuze’ in de praktijk: ‘red je er maar mee’. Feministen hebben in deze discussie vanaf het begin al het standpunt ingenomen dat de vrouw beslist. Dat klinkt logisch, maar is tegelijkertijd ook heel kort door de bocht. Een foetus is immers  geen klompje cellen zonder meerwaarde. Versluierend taalgebruik als ‘zwangerschapsweefsel’ en ‘weghalen’ doet daar niets aan af. De praktijk is anders. Een gewenst zwangere vrouw spreekt al vanaf het begin van de zwangerschap over ‘mijn kind’. Ook vrouwen die een abortus ondergaan, beschrijven het niet zelden als een traumatische ervaring.

Waarom de discussie tussen voor- en tegenstanders dan toch zo vaak een gesprek is tussen doven, wordt deels verklaard door de botsing tussen twee grondrechten: die op leven en die op vrijheid. Tegenstanders van abortus hebben gelijk als ze claimen dat abortus strijdt met het recht op leven. Voorstanders hebben gelijk als ze de vrijheid van vrouwen verdedigen, zeker in het bredere kader van de geschiedenis waarin vrouwen op dit punt toch al zo vaak het onderspit delven.

Of vrouwen iets opschieten met deze patstelling is de vraag. Het wordt voor onwillige mannen nog makkelijker hun verantwoordelijkheid over de schutting van vrouwen te werpen. ‘Dan laat je het toch weghalen’, is niet zelden de reactie. ‘Het is jouw keuze’ klinkt schril als je als vrouw vanaf dat moment geacht wordt het zelf maar op te knappen. De verantwoordelijkheid voor onbedoelde zwangerschappen komt zo helemaal op het bordje van vrouwen te liggen. Draagt ze de zwangerschap uit, dan komt ze tal van problemen tegen. Ondergaat ze een abortus, dan draagt ze dat vaak haar leven lang met zich mee.

 

Isolement

In de discussies naar aanleiding van de Mars voor het Leven was voortdurend te horen dat vrouwen zich niet schuldig hoeven te voelen omdat ze over hun eigen lichaam mogen beslissen - ofwel dat het schuldgevoel een gevolg is van christelijke indoctrinatie. Maar zulke bezweringen helpen niet altijd. Op dit punt hebben kerken - juist die aan de meer orthodoxe kant - trouwens ook nog wel wat huiswerk te verrichten. Hoeveel ongewenst zwangere christelijke meisjes hebben een abortus ondergaan uit angst voor afwijzing en sociaal isolement?

Het zou goed zijn als christenen die zich achter de Mars voor het Leven scharen zich dringend beraden. Hoe behandelen zij onbedoeld zwangere vrouwen, en wat mag het de samenleving kosten aan hulp en begeleiding, ook als het kind er eenmaal is?

Inderdaad, de meeste vrouwen plegen niet zomaar een abortus. Maar in onze maatschappij worden mensen wel opgejaagd. Een studente van begin twintig moet stevig in haar schoenen staan om een kind en een studie te kunnen combineren. En niet zelden wordt geldgebrek als belangrijk motief voor een abortus opgevoerd. Daar zouden christelijke partijen weleens wat meer naar mogen kijken.

 

Ineke Evink

 

Ineke Evink is eindredacteur van CW Opinie

Lees verder

Herman Paul: 'Het hart is een arena vol verlangens'

11-01-2018

Voor veel christenen staat de secularisatie voor niets minder dan een verlieservaring. Maar er is een andere manier om tegen dit fenomeen aan te kijken, meent hoogleraar Secularisatiestudies Herman Paul. Zijn boek ‘De slag om het hart’ is een zoektocht naar de vraag waarom hij zelf zo’n geseculariseerde christen is, en een ode aan christelijke denkers die hem op een ander spoor zetten.

Het is een druilerige dag waarop ik afspreek met prof. dr. Herman Paul, die als historicus verbonden is aan de universiteit van Leiden en daarnaast één dag in de week in Groningen doceert. Hij ontvangt me op zijn werkkamer aan de Leidse Universiteit, die uitziet op een binnentuin die duidelijk met zorg is aangelegd: bomen met donkergroen blad wisselen af met struiken in diverse herfstkleuren. Zelfs op deze grauwe dag ademt de tuin schoonheid uit.

‘De slag om het hart’ is de titel van een nieuw boek van Paul, dat handelt over ‘secularisatie van verlangen’.

 

Wat heeft iets abstracts als secularisatie met concrete verlangens te maken?

“Het boek is eigenlijk uit twee vragen geboren. Hoe komt het dat ik zo’n geseculariseerde christen ben? Ik ga braaf naar de kerk, maar toch vraag ik me af hoe het komt dat ik bijvoorbeeld zo kan opgaan in mijn werk. Het boek is dus ook een persoonlijke zoektocht. Hoe kan ik begrijpen wat hier gebeurt?

Daarnaast had ik de meer wetenschappelijke vraag of secularisatie wel helemaal verklaard is door de cijfers van afnemend kerkbezoek. Cijfers maken het fenomeen voor sociologen meetbaar. Maar het zorgt ook ervoor dat veel verklaringen opvallend cognitief geladen zijn.  Alsof het vooral argumenten zijn die mensen ertoe brengen zich te laten uitschrijven uit de kerk. Dat geeft veel gewicht aan de opvattingen van mensen. Maar ik wil het vraagstuk graag breder benaderen. De mens is immers ook een verlangend wezen.”

 

Secularisatie wordt door gelovigen vaak als een bedreiging gezien, een soort monster dat je kinderen opslurpt als ze niet meer naar de kerk gaan, bijvoorbeeld. Waarom heeft het woord zo’n negatieve gevoelslading?

“Dat heeft het niet altijd voor iedereen gehad. Het werd in bijvoorbeeld de jaren zestig ook wel als een kans gezien door vrijzinnige theologen. Sommigen zagen het als winst en verlies tegelijkertijd. Maar in het algemene kerkelijke taalgebruik is secularisatie inderdaad altijd heel negatief geladen geweest. Het staat toch voor gebouwen die worden gesloopt, voor ouders die zien dat hun kinderen niet meer naar de kerk gaan. Het is een soort codewoord voor verlies en verdriet. Het woord helpt om verlieservaringen te benoemen. Secularisatie is dus niet alleen een historisch, maar ook een psychologisch geladen begrip.”

 

U zegt ergens in uw boek: secularisatie is geen onomkeerbaar proces, maar het is inzet van strijd. Hoe bedoelt u dat?

 “Ik probeer aan te sluiten bij godsdienstsociologen als Smith en Gorski, die bezwaren hebben tegen een heel massief secularisatiebegrip, alsof het een anonieme kracht zou zijn. Dat is voor sociologen en ook voor historici heel onbevredigend. Bij Smith gaat het om de secularisatie van de publieke ruimte. Wat is de plek van religie daarin? In de rechtspraak en de politiek is daar voortdurend strijd over: denk aan het privilege om kerkklokken te mogen luiden, om eigen christelijke scholen te hebben. Die strijd is overigens niet lineair, maar kent altijd verrassende wendingen.

Deze sociologen hebben het over de publieke ruimte, maar hun model van secularisatie pas ik in mijn boek toe op het innerlijk. Het hart is een arena waarin verlangens voortdurend met elkaar botsen. De titel van mijn boek, ‘De slag om het hart’ is ontleend aan de Franse tragediedichter Jean Racine, die het heeft over twee mannen die strijd voeren in zijn binnenste. Die secularisatie als strijd in het hart kent evenmin een lineair verloop als de strijd in de publieke ruimte, en het is ook niet een onomkeerbaar proces.”

 

Hoe moet je die strijd dan voeren? De manier waarop evangelische christenen de afgelopen decennia de strijd aanbonden tegen bijvoorbeeld abortus, roept bij mijn generatie geen strijdlust, maar juist schaamte op.

“De strijd zoals ik die voor mij zie, vindt ook niet plaats met spandoeken voor het parlement. Het belangrijkste verschil is: wij zijn niet één van de strijdende partijen, maar we zijn inzet van de strijd. Denk maar aan de voorstelling zoals je die ziet op middeleeuwse retabels, waarop mensenlevens heen en weer getrokken worden tussen een engel en een duivel. Ik merk dat er van verschillende kanten aan mij getrokken wordt.

Misschien is het moderne gezinsleven een goed voorbeeld. Ik heb twee jonge kinderen, en als jonge ouder word je direct bestookt met kraampakketten. Je wordt ook nog eens omringd door andere jonge ouders die allemaal fungeren als een spiegel. De Prenatal roept je toe: als ouders wil je toch het beste voor je kind? Koop dan deze wandelwagen van 1.200 euro!

Er wordt daarbij voortdurend geappelleerd aan ongebroken geluk. Overal zie je stralende babyfoto’s, die natuurlijk een onrealistisch beeld geven van de werkelijkheid. Je wordt kortom geconfronteerd met je eigen onzekerheid, je spiegelt je aan anderen, en dat wringt voor mij met het zingen van de lofzang op zondagochtend in de kerk. Dat is een ander soort geluk dan de idylle die te realiseren is met de juiste spullen.”

 

De Britse theoloog David F. Ford noemt het moderne leven ‘overwhelming’ oftewel overstelpend, schrijft u in uw boek.

“Ford kiest als beginpunt van zijn theologie de ervaring van overweldigd zijn, bijvoorbeeld door de geboorte van een kind. Je kunt ook juist overweldigd zijn door de druk die op je schouders rust door je werk of  door zorg voor anderen. Het gaat hem hoe dan ook om momenten waarop we naar adem happen. Zijn vraag daarbij is: heeft dat iets te maken met God, die immers overstelpend goed is? Vaak zijn we geneigd om zulke ervaringen met rationele wapens te lijf te gaan: maak de juiste keuzes, neem afstand. Maar als iets echt je leven overstroomt, gaat dat niet werken. Ford pleit er daarom voor om niet te proberen zulke ervaringen klein te maken, maar juist de vraag te stellen of God er iets mee te maken heeft. Als God zo veel groter is dan wij denken, dan kunnen daardoor al die andere overweldigende dingen ook op hun plaats vallen.

Bernd Wannenwetsch, een Duitse theoloog die ik erg waardeer, zegt iets dergelijks ook. Een groot verlangen krijg je niet klein door ertegenin te preken. Als iemand bijvoorbeeld single is en dat graag anders zou zien, helpt het niet om te wijzen op de flexibiliteit die het single-zijn met zich meebrengt. Wat wel helpt, is het voeden van een groter verlangen. Dus niet door te preken, maar door een sterker verlangen te voeden, kan het andere verlangen op z’n plek worden gezet. Dat neemt de kracht van verlangens serieus en dat helpt het ook om je leven richting te geven – om het op God te richten en om de secularisatie van verlangen te weerstaan.”

 

In uw boek confronteert u ook de denkbeelden van twee andere prominente theologen, Stanley Hauerwas en Rowan Williams met elkaar. Op welk punt raken zij elkaar?

“Ze staan voor totaal verschillende stijlen van theologie bedrijven, maar beiden hebben een grote gevoeligheid voor de subjectpositie van de mens. Als je zegt ‘We moeten een dam opwerpen tegen secularisatie’, wat zeg je dan over je eigen positie? Ben je dan groot genoeg om dat te doen? Kun je er wel wat aan doen? Om bij het voorbeeld van die babyreclame te blijven: die gaat ervanuit dat jij als ouder je kind het geluk kunt geven. Die suggestie van maakbaarheid, gecombineerd met de neiging tot beheersen, dat vinden Hauerwas en Williams allebei heel problematisch.

Williams en Hauerwas doen een oproep tot ‘living out of control’, en dat betekent niet zozeer een afhankelijkheidsgevoel van God, als wel een besef dat Gods handelen belangrijker is dan dat van mensen. In dat licht kan het zinvoller zijn om als reactie op terreur in de kerk bijeen te komen en psalm 91 te zingen, over de schuilplaats van de Allerhoogste, dan een petitie in te dienen voor deze of gene maatregel.”

 

Het vraagt wel veel vertrouwen van mensen om de controle over hun leven uit handen te geven, zoals Hauerwas en Williams bepleiten.

“Dat is ook niet iets wat je per decreet kunt regelen. Het vraagt een leerschool om stapje voor stapje te leren vertrouwen. Hoe moeilijk dat is, kun je zien aan wat bijvoorbeeld ziekte doet met mensen. Ziek zijn is bij uitstek iets wat je in je greep kan proberen te krijgen. De verleiding is groot om in allerlei databases op internet te kijken wat de statistische kans is op verslechtering of herhaling. Dat is een natuurlijke neiging die ik ook zelf herken.

Maar misschien is er ook een andere manier van leven mogelijk en kan die door de kerk gestimuleerd worden. Niet: hoe kan ik grip krijgen op mijn ziekte, maar: hoe kan ik groeien door mijn ziek-zijn? Hoe kan ik daardoor leren, bijvoorbeeld, om anders met mensen om me heen om te gaan? Dat bedoel ik niet als een lesje leren. Ik denk bijvoorbeeld aan de plek die ziekte inneemt in een gebedenboek als The Book of Common Prayer. Daarin gaat het veel meer om leven met ziekte dan om het uitbannen ervan.”

 

In uw boek gaat het ook over discipelschap als manier van omgaan met angst voor de toekomst. Op welke manier stimuleert onze maatschappij gevoelens van angst?

“Ik denk dat die stimulans er zeker is. Vooral in economische zin wordt de angst voor tekort gecultiveerd. En als we continu worden opgeroepen tot het maximaliseren van geluk en status, dan is concurrentie bedreigend. Zo zullen we muurtjes blijven bouwen, elkaar blijven wantrouwen. Want de economie van het tekort is een verhaal voor winnaars, dat de rest als verliezers achterlaat.

De cultuur kan daarin ook een bedreiging zijn voor kerken die krimpen. Als maximaliseren de norm is, zullen we slecht kunnen omgaan met verlies. Het is natuurlijk verschrikkelijk verdrietig als een kerk krimpt van 500 leden naar 50 leden. Maar er kunnen daardoor ook vensters opengaan, je kunt in een andere relatie tot God komen te staan. Daarom is die thematiek van verdriet in relatie tot secularisatie, waar ons gesprek mee begon, ook zo belangrijk. Want ook bij verdriet speelt de vraag: hoe kunnen we verder? Theologen als Ford en Williams helpen mij om die vraag te beantwoorden.”

 

Wat heeft dit boek u zelf geleerd over het verband tussen verlangen en geloof?

“Ik ben aangenaam verrast door de prominente plek die verlangen inneemt in de christelijke traditie. Niet alleen bij Augustinus, die in mijn boek voortdurend opduikt. Ik heb bijvoorbeeld pas de Regel van Benedictus herlezen, en daarin gaat het ook constant over verlangen. Het is dus al een heel oud thema, en niet alleen iets voor de ‘economy of desire’ waarin we nu leven.  In de Middeleeuwen is er veel over geschreven, en al is dat natuurlijk niet allemaal een-op-een over te nemen, maar het zijn wel stemmen die ik belangrijk vind omdat ze kritische vragen stellen over de wijze waarop onze verlangens gemanipuleerd worden. Hoe werken dat soort mechanismes? Daar zou ik nog weleens dieper op in willen gaan. René Girard heeft laten zien dat we elkaar imiteren in onze verlangens. Maar een fenomeen als reclame verdient ook een genuanceerde blik: mensen zijn vaak heel goed in staat om zich voor het bombardement aan prikkels af te sluiten. Hoe werkt dat? Met die confrontatie van de ‘morele economie’ met premoderne denkers hoop ik nog een poosje door te kunnen gaan.”

Nels Fahner

Herman Paul, De slag om het hart. Over secularisatie van verlangen. Uitg. Boekencentrum, 16,99 euro

Lees verder