2018

'Dominee verdient menselijke maat'

11-10-2018

‘Het ambt van predikant is aan herziening toe’, hoor je regelmatig. Waar gaat het dan precies mis? Klopt het dat predikant een eenzaam beroep is, en wat heeft dat voor invloed op de slagkracht van de kerk? CW onderzoekt de valkuilen en mogelijkheden voor de toekomst in een serie interviews over ‘de nieuwe dominee’. Vandaag deel 1: Alex Boshuizen.

Dominee Gert Hutten was er duidelijk over, onlangs in het blad OnderWeg (www.onderwegonline.nl): ‘Eigenlijk geloof ik er niet meer in, in dominee-zijn op die manier. Het is gewoon niet te doen. Op een gegeven moment had ik zes begrafenissen achter elkaar, waaronder kinderen. En dan moet ik gewoon doorknallen ofzo? Net doen of het geen pijn doet? Wat een onzin! Toen ik bij de huisarts kwam, zei hij: ‘Dit is belachelijk. Als ik een kind begeleid bij het sterven, staat er een team collega’s voor me klaar, hebben we intervisie en alles.”

Het blad OnderWeg interviewde Hutten, parttime dominee in een Gereformeerde Kerk vrijgemaakt in Arnhem, en daarnaast directeur van de christelijke organisatie Tot Heil Des Volks.

Hij heeft het met zijn twee banen minder druk dan toen hij nog fulltime predikant was, zegt hij in hetzelfde interview. En minder eenzaam vooral. ‘Ik merk, wanneer ik open ben naar collega’s, dat bijna iedereen die eenzaamheid herkent.’

Hoog tijd eens te onderzoeken waar de knelpunten zitten en wat de gevolgen zijn voor de kerken van eenzaamheid bij predikanten. Is dat misschien waarom de ambten in de kerk zo impopulair zijn?

Alex Boshuizen is coach en parttime predikant in de Nederlands Gereformeerde kerk van Heemstede.

Boshuizen coacht onder meer beginnende predikanten. Wat vinden zij het moeilijkst aan het vak?

“De drukte. Je wordt van het ene op het andere moment ondergedompeld in de drukte en de verantwoordelijkheid. In de opleiding die ik ken, de Nederlands Gereformeerde predikantenopleiding, is wel een verbeterslag gemaakt. Studenten doen nu al tijdens hun studie ervaring op in pastoraat. In mijn tijd kon je in theorie afstuderen zonder ooit één pastoraal gesprek te hebben gevoerd. Dat vind ik nog steeds belachelijk.  Nu worden studenten veel beter voorbereid op de praktijk. Ook is er meer aandacht voor persoonlijke vorming. Vooraf moet je wat over jezelf weten: wie ben ik? Wat vind ik belangrijk? Wat zijn de valkuilen van mijn persoonlijkheid?

Je moet in ieder geval zorgen dat je je tijd afbakent. Ik merk dat beginnende predikanten een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Ik zag pas dat een collega zijn mail had uitgezet, omdat hij ziek was. Maar hij mailde wel: kan iemand dan en dan voorgaan? Ze zeggen niet: ik ben ziek dus nu kan ik even helemaal niets meer.”

 

In een interview in Onderweg zegt Hutten over het predikantschap: 'Het is een functie die eenzaam maakt'.

“Die eenzaamheid hangt ermee samen dat alle verbanden door elkaar lopen. Vriendschappen, je sociale leven, maar ook je professionele leven: alles loopt doorelkaar in de kerk. Daarbij komt dat het vak vraagt dat je je als geestelijk leider profileert. En tegelijkertijd werk je met mensen die mogen rekenen op absolute vertrouwelijkheid. Ik denk weleens: dat is eigenlijk bezopen.

Vroeger zeiden predikanten: ‘Je moet in de kerk absoluut geen vrienden hebben. Dat gaat altijd mis’. En dat terwijl een belangrijke reden om je aan te sluiten bij een gemeente is, dat je daar vrienden hebt. Wij hebben wèl het risico genomen vriendschappen aan te knopen in de kerk, je werkt er 60 uur en je hebt geen tijd voor andere vrienden. De klassieke manier waarop predikanten werken is heel veeleisend en druk. Maar ik heb het al lang geleden zo georganiseerd dat die druk ervan af is.”

 

Vakantie

Hoe is dat zo gekomen? In zijn eerste gemeente werd hij ondergedompeld in het werk, vertelt hij. “Na een jaar zei ik: twee preken per week, dat ga ik niet redden. Ik heb dat toen onderhandeld naar anderhalve preek per week, de rest van de diensten ruilde ik. Ik herinner me uit die tijd dat ik een keer op vrijdagmiddag al klaar was met mijn preken. Dat voelde als vakantie. Ik werkte toen zes dagen, en doordeweeks altijd drie dagdelen. Het was belachelijk maar ik deed het wel.”

Hij werd dan ook zo moe dat hij niet meer kon. “Daar heb ik veel van geleerd. Ik heb geleerd te kijken naar wat ik - met wie ik ben - nodig heb om gezond te blijven. Dat is natuurlijk een minimum.

Ik herinner me dat ik last had van mijn nek. De fysiotherapeut vroeg hoe lang ik dat al had. Een half jaar, zei ik. ‘Het zit een beetje vast.’ Een beetje?’ zei de fysiotherapeut. En ook toen ik haar na de vakantie sprak: ‘je hebt nu een week aan je herstel gewerkt. Nu heb je een week vakantie nodig’. Pas later zag ik in dat ze gelijk had.”

 

Taakopdracht

Boshuizen: “In Oegstgeest, mijn tweede gemeente had ik het geluk dat ik een voorzitter van de kerkenraad trof, die mij vroeg waar ik van oplaadde. Af en toe een paar dagen stilte, zei ik. ‘Dan zetten we dat in je taakopdracht’, zei hij. Ik denk dat weinig gemeentes dat zeggen: wij willen dat je eens in de zes weken een halve week stilte neemt.”

Toen de gemeente groeide, nam ook het werk toe. “Ik ben toen strakker aan vakanties gaan vasthouden. Bij vakanties regelde ik, ook als ik thuis was, vervanging voor het geval van een begrafenis.”

Een aantal jaren geleden ging hij een stap verder door een coachpraktijk te beginnen. Daarmee creëert hij nu zelf de nodige ruimte. “Nu werk ik nog voor 60% als gemeentepredikant en voor 40% in de coachingspraktijk, samen met mijn vrouw. Dat heeft als voordeel dat ik in de zomermaanden maar voor 60% hoef te werken. Voor de rest loop ik dan wat omzet mis, maar dat is dan jammer. Ik kan nu ook zeggen: woensdag ben ik klaar met de preek, en ik ben donderdag, vrijdag en zaterdag weg. Wat ik ook weleens doe.”

Boshuizen: “Wat mijn weekschema betreft ben ik ook  laconieker geworden. Bij een begrafenis is het nu zo dat ik mijn agenda leegmaak. Dat doen weinig collega’s, die hebben het dan gewoon even heel veel drukker. Maar ik merk dat iedereen het begrijpt als ik het uitleg dat ik een uitvaart heb. Dus dan ben ik die week even niet bij die commissievergadering.”

In het interview in Onderweg geeft Gert Hutten het voorbeeld van een moment dat hij zes begrafenissen achter elkaar had, waaronder kinderen. En dat er achteraf geen intervisie was.

Boshuizen: “Dat is er inderdaad niet als je het niet zelf regelt. Dat is een belangrijke les. Dat je heel bewust keuzes moet maken om je eigen ruimte te scheppen.”

 

Stress

Kun je een burn-out aan zien komen?  “Je kunt het aan zien komen als je weet waar je op moet letten. Maar meestal is het te laat. Ik had een keer een collega aan de telefoon, hoorde zijn verhaal en ried hem aan om meteen zijn huisarts te bellen. Hij vond het niet zo nodig. ‘Je moet het nu doen!’ zei ik. Hij belde me later terug en zei: ‘Moet je horen! Hij wil dat ik onmiddellijk stop!’ Hij was daar heel verbaasd over. Je kunt het voor jezelf heel lang niet zien.”

Boshuizen ziet overigens stress niet alleen negatief. Het kan ook bijdragen aan goede prestaties. “Dat is ook het mooie van de manier waarop we geschapen zijn. Een mens kan veel stress aan. Er zijn daardoor periodes waarin we veel kunnen presteren. God heeft ons wonderbaarlijk gemaakt. Maar de kick van de prestatie kan ervoor zorgen dat je te lang doorgaat en dat je dan niet anders meer kan dan stoppen.”

Er zijn veel dingen bij een predikant die, in de termen van de managementgoeroe Stephen Covey,  belangrijk zijn én dringend. “Het je kunt bijvoorbeeld wel één keer zeggen ‘het is niet gelukt met de preek’ maar dat kun je niet drie keer achter elkaar doen. En als iemand belt in een crisis, moet je optreden. Als je dat niet wilt, moet je geen dominee worden.”

Dat is een nadeel van het vak, dat er het gevaar is dat je snel veel energie verbruikt. Bij Covey is er ook een categorie zaken waarvan je oplaadt, die belangrijk zijn maar niet dringend. Een goed boek lezen, sporten, zorgen dat je fit blijft. Als je je daarin verdiept hebt, kun je zien aankomen dat het niet goed zit.

“Ik moest zelf door een periode heen van echt niet meer kunnen. Bij mijn eerste gemeente ging het mis, maar ben ik toch weer opgekrabbeld. Toen kreeg ik aan het begin van de tweede gemeente een boost van alles wat nieuw was. Maar na anderhalf jaar kwam de klap alsnog. Toen heb ik bijna een seizoen lang op een heel laag tempo gewerkt. Minder gepreekt, alle avonden vrij gehad. En ondertussen heb ik me bezonnen op de vraag waar dit vandaan kwam.”

 

Stress wordt wel uitgelegd als een onbalans in draaglast en draagkracht. Op welke punten zou de draaglast van een predikant moeten verminderen?

“Dat verschilt per predikant. Volgens mij is dat de grote bottleneck. Na een academische studie is het gewoonlijk zo dat ieder zijn eigen pad volgt: de één duikt bij wijze van spreken in de bibliotheek, en de ander wordt ceo van Shell. Zo zie je dat ieder eigen gaven heeft en een eigen ontwikkeling doormaakt. En de één kan veel meer stress aan dan de ander.

Maar als predikant gaan we allemaal hetzelfde doen. Ik zie collega’s die heel hard werken en bij wie ik denk: je zou niet zo hard moeten werken. Maar bij hen is er misschien niets op tegen is. Dat maakt dat het lastig is het predikantschap helemaal op je persoonlijke maat in te vullen.”

 

Op uw website zegt u wel dat bezinning en verdieping ‘opzienbarende resultaten’ hebben opgeleverd.

“Ja. Ik werk veel met de categorieën van Stephen Covey, die al eerder langskwam in dit gesprek. Veel predikanten besteden een hoop tijd aan dingen die in Stephen Covey’s derde categorie zitten: dringend, maar niet belangrijk. Algemene mailtjes, sociale media. Of je iets daarin wilt veranderen hangt af van hoe je leeft, of wat je belangrijk vindt.

En dan heb je nog de  categorie ‘niet belangrijk, niet dringend’. Daar moet je natuurlijk bij wegblijven. Het kan zijn dat googlet op een bepaalde bijbeltekst en dan twee uur bij een youtubefilmpje blijft hangen. Het is goed om te onderkennen welk probleem daar dan achter zit.

Maar opzienbarend is wat er kan gebeuren als je aandacht besteedt aan dingen die ‘belangrijk, maar niet dringend’ zijn. Voor mij zijn dat de retraites waarmee ik in Oegstgeest kon beginnen. Een collega beschreef eens iets wat hij heel mooi vond om te doen. We zeiden tegen hem: probeer ’t eens. Elke dag een uur. Drie maanden later kwam hij terug en zei: je weet niet wat er gebeurd is. Ik merk dat de voorbereiding van mijn preek sneller gaat, dat ik beter preek, en dat mijn preken beter landen.

Dat kan  van alles zijn - schilderen, muziek maken - als het maar iets is wat je heel erg oplaadt. Maar soms zegt iemand ‘ik ga toch niet midden op de dag schilderen?’.

 

Hangt de stress bij predikanten ook samen met bredere maatschappelijke ontwikkelingen? Jan Martijn Abrahamse promoveerde op een proefschrift met als titel ‘de ontmanteling van de dominee’ Hij pleit  ervoor om terug te gaan naar de kern, woord en sacrament.

“Dat is inderdaad de kern, maar daar hoort wel de dimensie van het pastoraat bij. Anders preek je in de leegte. Als je lekker relaxed in je studeerkamer je preken maakt, loop je het risico dat je het contact verliest. Met mijn parttime aanstelling ben ik niet eindverantwoordelijk voor het pastoraat, maar ik weet niet hoe ik predikant moet zijn zonder pastoraat. En het hoort ook bij mijn rol om aan te schuiven bij bepaalde commissies. Dus in de praktijk komt er veel werk bij. Daar ontkom je niet aan en dat is ook prima.”

 

‘De ontmanteling van de dominee’ klinkt een beetje alsof we af moeten van het traditionele gezag van de dominee.

“Een dominee die uitstraalt dat dat hij of zij alles weet heeft, terecht, geen best leven. Maar het is verwarrend. Op dat gebied zijn allerlei  paradigma’s aan het schuiven. Enerzijds past het in onze tijd dat een predikant net als iedereen aanschuift in de gemeente. Ik vind het bijvoorbeeld ook leuk dat de kinderen in de kerk - terwijl ik toch geen jonge dominee meer ben - me gewoon met Alex aanspreken. Soms is het ‘dominee Alex’ - daar zit al wat meer afstand in.

Dat laagdrempelige past bij onze cultuur. Maar wat daarbij ingewikkeld is, is dat je als je preekt, automatisch de plek inneemt van een geestelijk leider. Dat kun je wel niet willen, maar je bent het gewoon. Als je je geroepen voelt Gods woord uit te leggen, zet je jezelf neer als leider. Onherroepelijk. En als je dan ook nog in de kerkenraad functioneert, ben je medeverantwoordelijk voor beleid. Het venijnige in onze tijd is dat dus je niet per se geestelijk leider bent, maar het wel moet waarmaken.

Dat was 40 jaar geleden anders. Als de dominee even niet zo vaak op pastoraal bezoek kon komen, dan was dat gewoon de predikant. Dat moest hij weten. Dat is nu anders. En dat vraagt andere dingen van een predikant. Ik denk daarom - en dan preek ik natuurlijk voor eigen parochie - dat iedere predikant elke drie jaar door een sessie van supervisie heen moet. Dat je over een langere periode iemand met je mee laat kijken in je werk en in je drijfveren. Zo kun je je motivaties onderzoeken en reflecteren op je onzekerheden en angsten. Reflectie blijkt vaak een krachtig middel; dan kan het zijn dat je dingen opschrijft die je eigenlijk daar helemaal niet wilt hebben staan.

Dus ik zou zeggen: geef iedere predikant de ruimte om goed naar zichzelf te kijken, dit regelmatig te doen, en op tijd te ontdekken waar het eventueel mis gaat. Wat wil je bereiken en wie betaalt daarvoor de prijs?’

 

In hoeverre kunnen predikanten in teamverband werken, op locatie, naar het voorbeeld van een huisartsenpost?

“In principe denk ik dat dat heel goed kan als je bij elkaar in de buurt werkt. Ik weet van collega’s die dat doen met hun preekbespreking. Die zitten één of twee dagdelen samen te studeren. Hoe pak jij die tekst aan? En sowieso doen veel predikanten aan intervisie, dat je op een of andere manier je werkwijze spiegelt aan die van anderen. Dat gebeurt steeds vaker.”

 

Bij intervisie denk ik aan een paar keer per jaar bij een kop koffie een casus bespreken. Wanneer is intervisie genoeg?

“Het is genoeg als je veel discipline hebt, een goede structuur, en je in vrijheid dingen kunt leren. En als de veiligheid absoluut gewaarborgd is.”

 

Nels Fahner

Lees verder

Gastvrijheid is ook spiritualiteit

07-09-2018

Iedereen is welkom in de kerk, de deur staat elke zondag open. Dat is als het goed is meer dan een trucje om mensen binnen te loodsen, het is een manier van kerkzijn die invloed heeft op alles wat er in de kerk gebeurt: zingen, spreken en bidden. En zelfs de manier waarop je collecteert, betoogt Stefan Paas in de aanloop naar de landelijke Kerkproeverij.

Het Evangelie naar Johannes begint met een aardig verhaaltje over een uitnodiging. Jezus is bezig met het uitkiezen van zijn leerlingen, degenen die hem de komende tijd zullen volgen. Een van die leerlingen is Filippus, uit Betsaïda. Er staat dat Jezus hem vond toen hij op weg was naar Galilea. Hij nodigde hem uit: ‘Volg mij.’ En dat deed Filippus. Maar dat niet alleen. Hij ging op zoek naar zijn goede vriend Natanaël, om die ook uit te nodigen.

Als het over ‘uitnodiging’ gaat, denk ik altijd aan dit verhaaltje over Filippus en Natanaël. Je kunt het allemaal heel moeilijk maken, maar dat is toch de kern: getuigenis. En een ‘getuigenis’ is wat anders dan een gelikt promopraatje, of voor één keer per jaar net doen alsof je heus een heel hippe kerk bent. Het is ook niet een antwoord hebben op alle vragen.

In het hart van de uitnodiging zit kwetsbaarheid, zeker in deze postchristelijke cultuur. Uitnodiging is altijd getuigen. Dat geldt volgens mij trouwens niet alleen bij de kerk, het geldt bij alles. Ook bij de muziekschool en de voetbalclub; het gaat uiteindelijk niet om de ledenlijst of om de begroting, het gaat om het verhaal dat verteld wordt, de bezieling die wordt overgedragen.

 

Zonder kromme tenen

Als ik hier weer met een Bijbelse observatie mag beginnen: het valt me op hoezeer de apostel Paulus verwacht, het vanzelfsprekend vindt, dat de gemeente gastvrij is.

Toen wij ruim tien jaar geleden begonnen met Via Nova in Amsterdam, wilden we een kerk waar je zonder kromme tenen je vrienden en collega’s mee naartoe kon nemen. We hebben de hele kerk, de liturgie, de cultuur in de gemeente, de organisatie, de manier van leidinggeven, de website en wat ook maar, doordacht en opgezet vanuit dit principe van gastvrijheid.

We wilden een uitnodigende kerk zijn. En ik heb gemerkt dat dit veel meer is dan een trucje, veel meer dan marketing. Gastvrijheid is als een zuurdesem; het doortrekt je hele manier van kerkzijn, het vormt je theologie en spiritualiteit, de taal die je spreekt, de liederen die je zingt, de manier waarop je collecteert en voorbede doet.

Een gastvrije kerk doet niet gastvrij, zo eens per jaar; een gastvrije kerk ís gastvrij. Het valt me op dat in vrijwel alle nieuwere kerken, zowel hier in Nederland als elders in Europa of in Amerika - en juist in de meer seculiere delen van de wereld - gastvrijheid de kernpraktijk is die alle andere praktijken van het gemeenteleven vormgeeft.

Misschien begint het wel in het hart van het gemeentezijn: de viering, de liturgie. De gastvrijheid van de liturgie begint daar waar die niet meer een eentweetje is tussen de professionele theoloog (dominee, priester) en de organist, maar echt een ‘werk van het volk’ wordt.

Vanaf het allereerste begin hebben wij de voorbereiding van de viering op zondag altijd met zoveel mogelijk mensen gedaan. We hebben mensen voor de muziek en de liederen, voor de verbeelding (dat wil zeggen: foto’s, filmfragmenten, kunst), voor de interactiemomenten, en ga zo maar door.

Mijn eigen rol als voorganger is eigenlijk beperkt tot het aandragen van een ruwe schets van m’n preek, een paar weken van tevoren. Ik heb gemerkt dat dit uit handen geven van je macht een enorme vreugde geeft.

 

Ruimte maken

Gastvrijheid begint misschien wel daar waar degenen die de macht in de gemeente hebben een stapje terug durven doen en ruimte maken voor de inbreng van anderen. Wij hebben bijvoorbeeld twee tot drie liturgische formats gemaakt - variërend op de ingrediënten van de klassieke liturgie en passend bij de tijd van het kerkelijk jaar.

Zo van buiten naar binnen denken - want dat is het eigenlijk als je gastvrijheid als DNA neemt - maakt natuurlijk ook dat je kijkt naar je website en je gebouw.

Websites van kerken zijn vaak of gortdroog en zeer informatiedicht, of ze staan vol foto’s van mensen met de ogen in aanbidding dicht, maar wat ze gemeen hebben: ze zijn gericht op kerkmensen, niet op mensen. Dus kijk nog eens naar je website samen met mensen die je als gast zou willen uitnodigen. Laat hen advies geven, eerlijk en direct.

Idem dito met het gebouw. Hoeveel kerkgebouwen zijn nu echt uitnodigend? Natuurlijk, je hebt prachtige oude gebouwen met veel glas in lood. Die verkopen zichzelf wel, zogezegd. Maar het gros van de kerkgebouwen is wanhopig specialistisch: stralen vooral uit dat dit voor mensen is die van de hoed en de rand (soms letterlijk) weten. Kantoorgebouwen voor Gods grondpersoneel.

Onduidelijk informatie, met afkortingen die alleen voor ingewijden te begrijpen zijn, parkeerplaatjes met bordjes ‘alleen voor de predikant’, of met ‘ophaaldienst’ (kun je daar chinees krijgen?). Kijk naar zo’n gebouw met de ogen van een buitenstaander: is het vooral een clubhuis of echt een gastvrij gebouw? Straalt het warmte uit?

 

Ongeïnteresseerd

Gastvrijheid is wat anders dan slimme manieren vinden om mensen te recruteren. In een cultuur als de onze is de meerderheid totaal niet geïnteresseerd in het bijwonen van een kerkdienst of lid worden van een kerk, en het maakt echt niet uit hoeveel marketing je erin investeert - dat blijft zo.

Gastvrijheid gaat veel dieper; het is echt een manier van zijn. Het is geen instrument om zo missionair effectiever te zijn; gastvrijheid is de missie.

Gastvrijheid kun je op zoveel manieren invullen. Het is meer een DNA dan een serie tips en tops. Het hangt er ook een beetje van af wat voor kerk je bent, hoe heilig je liturgie is, wat voor mensen je in huis hebt, uit welke traditie je komt.

In onze eigen kerk hebben we een liturgie die verzorgd is en gestructureerd, maar wel inclusief. Wij zijn kerk voor mensen, niet voor kerkmensen, zeggen we altijd.

Dus om protestants te beginnen: we preken alsof de hele stad meeluistert. Altijd, of er nu gasten zijn of niet. We doen het niet voor gasten; we doen het simpelweg omdat dit is wat we zijn. In taal van deze tijd, over alle teksten van de Bijbel, en vol in contact met de tijd.

We zeggen altijd: mensen hoeven heus niet alles te begrijpen, maar ze moeten wel het idee hebben dat ze gezien en gehoord zijn. We praten nooit over mensen alsof ze er niet bij zijn, dus ook niet over mensen uit andere kerken, ‘ongelovigen’, moslims, boeddhisten, PVV’ers, PvdA’ers, of wie dan ook.

 

Uitleggen

Het mooiste compliment dat ik kan krijgen als prediker is wanneer iemand uit de gemeente zegt: ‘Afgelopen woensdag hadden we een training op het werk, en toen heb ik wat dingen uit de preek van zondag genoemd. Dat sloot er geweldig op aan!’

En ga er maar van uit dat zo iemand de volgende keer een collega uitnodigt. Want met uitnodigen is het toch een beetje zo: zolang je mensen steeds moet vertellen dat ze toch vooral anderen moeten uitnodigen, dan ben je als kerk waarschijnlijk niet gastvrij genoeg. En dat doen we dus ook nooit.

We doen gewoon altijd alsof er gasten zijn, ook door bijvoorbeeld kort de onderdelen van de liturgie uit te leggen. Ook door telkens weer te zeggen: we gaan zingen, voel je vrij om mee te doen, maar prima als je liever kijkt en luistert. Door altijd te vertellen hoe lang de dienst gaat duren, want kerkmensen denken al veel te snel dat iedereen dat wel weet. En zo maar door: gastvrij zijn, niet doen. En als je dat doet, dan krijg je steeds meer samenkomsten waar mensen gaan denken, achteraf: Daar had m’n buurvrouw bij moeten zijn. En dan heb je bingo.

 

Broedplaats

Gastvrijheid gaat ook over ‘third places’: plekken om elkaar te ontmoeten, zonder dat ze meteen heel kerkelijk voelen. Bij ons en bij veel andere nieuwe kerken gebeurt dat haast vanzelf al, doordat je geen eigen gebouw hebt.

Wij zitten in een broedplaats, een voormalig pathologisch-anatomisch laboratorium, dat nu helemaal wordt gebruikt door filmmakers en een art-house bioscoop. Wij zitten beneden in de kelder, waar vroeger pathologisch-anatomische dingen gebeurden, waarover ik nu niet zal uitweiden, maar het punt is: in ons gebouw zijn wij zowel gast als gastheer.

Wij delen het met anderen die er wonen en werken en mooie dingen maken. Ik kan het iedere kerk aanbevelen, omdat het meteen al iets weghaalt van de rare spanning dat de kerk de gastheer is en de ander de ‘gast’, die ‘jouw’ gebouw mag binnenkomen.

Maar anders zijn er andere ‘third places’: een inloophuis misschien, een kroeg, een boekwinkel, een jeugdhonk, een bioscoop, huiskamerconcerten - ik heb allerlei voorbeelden gezien waar mensen elkaar spontaan kunnen ontmoeten en hun levens kunnen delen. Kerken kunnen daar veel meer mee doen, ook qua uitnodiging.

En mocht u denken: dat is allemaal ‘horizontaal gedoe’. Dat is het niet! Dat is voluit christelijk! Gastvrijheid is geen marketing, het is ook geen organisatiemodel, en het is ook niet ‘vrijzinnig’.

Tussen haakjes: onderzoek laat zien dat kerken die het meest verweven zijn met hun buurt het minste last hebben van allerlei spanningen tussen ‘evangelicaal’ en ‘vrijzinnig’. Hoe dieper het contact met Gods missie in de buurt, hoe meer zulke verschillen relatief blijken te zijn.

 

Relaties aangaan

Maar mijn punt is: gastvrijheid is ook spiritualiteit.

Als gastvrijheid je missie is, draait het niet allereerst om wat wij in bezit hebben dat we anderen kunnen aanbieden. Het draait erom dat we relaties aangaan en ons leven open maken, omdat we geloven dat daardoorheen God ons roept bij zijn zaak, ons verandert als mensen naar zijn beeld. Gastvrij kerkzijn heeft alles te maken met de Geest: met fijngevoeligheid ontwikkelen voor zijn aanwezigheid.

Als ik hier nog een Bijbelverhaal mag noemen: het verhaal van de verloren zoon. Wat me altijd zo enorm treft in dat verhaal is nog niet eens dat die jongen thuis mag komen en dat zijn vader hem omarmt - zie dat geweldige schilderij van Rembrandt.

Nee, wat me daarin raakt is de oudste zoon: als zijn broer thuiskomt, ontdekt hij voor het eerst hoe zijn relatie met zijn vader echt is. En dat blijkt niet zo best te zijn; hoe lang hij ook al bij zijn vader woont, en hoeveel tijd hij ook met hem doorbrengt, als de verloren zoon, zijn broer, thuiskomt, wordt hij ontmaskerd. En uit die ontmaskering volgt een nieuwe uitnodiging door zijn vader aan hem: ‘Zoon, je broer was dood en is levend; kom naar binnen en vier het feest.’

Gastvrijheid is hard nodig, omdat dit de belangrijkste manier is waarop God de gemeente vormt en uitdaagt en dicht bij hem brengt.

De kerk is een plek van gastvrijheid, een plek waar de aarde gastvrij is voor de hemel en waar de hemel een beetje open gaat voor de aarde.

Een plek waar mensen ruimte maken door lief te hebben, door zelf een stapje terug te doen zonder zelf te verdwijnen. Een plek, of een netwerk van plekken, waar echte ontmoeting kan gebeuren. ‘Kom en proef dat de Heer goed is.’

 

Prof. dr. Stefan Paas (Apeldoorn, 1969) is hoogleraar missiologie en interculturele theologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en hoogleraar missiologie aan de Theologische Universiteit Kampen.

Deze tekst is een bewerkte lezing op een voorbereidingsdag voor Kerkproeverij 2018: op 15 of 16 september nodigen kerkgangers vrienden, kennissen, buren, collega’s uit om eens mee te gaan naar een dienst in hun vaste godshuis.

Vorig jaar was dit voor het eerst. Honderden kerken uit 22 kerkgenootschapen deden mee.

Lees verder

De kracht van Umoja

23-07-2018

Eeuwenlang gingen mensen uit Europa naar Afrika om daar het goede nieuws te vertellen. En in hun kielzog kwamen Europeanen met medicijnen, onderwijs, kunstmest en landbouwtechnieken. Maar wat als je dat nu eens omkeert? Een groep voorgangers uit Nederland ging naar Afrika om te leren en te ontvangen.

Over de weg die als een rood lint door het groene landschap slingert, bewegen zich twee minibusjes in traag tempo voort. Onder de blakerende zon schommelen ze door kuilen en langs modderpoelen, terwijl in het lange bermgras kleine jongens op blote voeten in bestofte schooluniformen uitgelaten zwaaien en roepen. Af en toe schemeren ronde lemen hutten in de verte, in een cirkel gerangschikt rond een erf. Het land strekt zich eindeloos uit in vruchtbare pracht. Dit is Soroti, in het oosten van Oeganda. Een van de armste gebieden van het land dat ‘De parel van Afrika’ genoemd wordt. Schraal en kleurrijk, achtergebleven maar vol rijkdom, gebroken maar van grote schoonheid.

In de busjes zitten vijftien mensen uit Nederland, waaronder ik, als verdwaalde missionarissen in dit enorme gebied. Het zijn voorgangers, diakenen en actieve gemeenteleden die op uitnodiging van christelijke ontwikkelingsorganisatie Tear op weg zijn naar dorpjes waar plaatselijke kerken bijdragen aan de bestrijding van armoede en de gevolgen van onrecht. We willen geen wijsheid brengen, maar vooral halen, luisterend naar de verhalen van mensen die hier met heel weinig middelen maar een groot en levend geloof hun gemeenschappen helpen opstaan uit armoede en achterstelling.

Een andere blik

Dat betekent een omkeer van perspectief. Meestal komen de rijke, geschoolde, blanke hulpverleners immers vanuit hun christelijke missie een hulpprogramma opzetten. Of ze komen geld doneren dat vervolgens moet worden omgezet in scholing, voedselproductie of medische zorg. Natuurlijk is deze ondersteuning meer dan welkom, maar tegelijkertijd blijven de mensen daarmee in hun positie van afhankelijkheid en machteloosheid steken.

Uitgerekend de kerken in het armste deel van Oeganda hebben dit inzicht in een heel nieuwe geestelijke en sociale beweging omgezet: Umoja. Het is een Swahili-woord dat moeilijk te vertalen is, maar ‘dragende gemeenschap’ komt dicht bij de betekenis. Umoja is de levenskracht die een gemeenschap tot bloei brengt door samenwerking, gedeelde dromen en praktische stappen waarin iedereen kan meedoen. Ongeacht zijn of haar sociale status, armoede of lichamelijke kwetsbaarheid. Het gaat uit van hun kracht, hoop en mogelijkheden om overeind te komen uit verlammende omstandigheden of pijnlijke uitsluiting.

Een mooi voorbeeld is Pentecostal Assemblies of God (PAG), een van de grootste kerkelijke denominaties in Oeganda. Al zo’n twintig jaar vertaalt de Oegandese pinksterkerk de kracht van de Umoja-traditie in een ontwikkelingsprogramma voor plaatselijke gemeenschappen. Dat begint bij de vaak kleine kerkjes in dorpen. PAG zag in dat de opstandingskracht van Umoja werkt vanuit lokale kerken en door middel van geïnspireerde plaatselijke leiders, ook als die ongeschoold zijn en over weinig financiële middelen beschikken. Christelijk geloof in Gods scheppende en overvloedige liefde, de Heilige Geest waardoor mensen worden opgewekt, en de weg van Jezus Christus die mensen heelt en geneest, bleek een geweldige voedingsbodem voor de Umoja-benadering. Gods Koninkrijk is immers overal.

Hoe Umoja werkt

Het Umoja-model werkt dan ook met bijbelteksten als basis onder het programma, dat door plaatselijke pastors wordt uitgewerkt in bijbelstudies. Als deze teksten eenmaal vrucht gaan dragen in de levens van mensen, heeft dat effect op de hele gemeenschap. Het trekt haar op uit passiviteit en machteloosheid. Tear nodigt daarom elk jaar predikanten en andere kerkelijk werkers uit om kennis te maken met het Umoja-programma en ervan te leren, zodat ook Nederlandse gemeenten ermee aan de slag kunnen gaan.

Als onze groep in juni op het arme platteland rond de stad Soroti terechtkomt, worden we op sleeptouw genomen door Jane Achaloi, een warmhartige en wijze Oegandese vrouw die op het hoofdkantoor van PAG in Kampala werkt. Ze is verantwoordelijk voor het introduceren van het Umoja-programma in dorpen in heel Oeganda.

Een groot deel van de groep Nederlanders is nog nooit eerder in Afrika geweest, en moet wennen aan de warmte, de enorme kuilen in de weg, en de aanblik van de armoede: geen elektriciteit of stromend water, kleine hutjes zonder enig comfort en talloze kinderen in bij elkaar gescharrelde en gescheurde kleren. Maar Jane loodst ons vasthoudend de enorme gastvrijheid en warmte van plaatselijke gemeenten binnen, waar we met ontroerende vreugde worden onthaald. Niet als geldschieters, maar als vrienden die zijn gekomen om te ontvangen en te delen in de rijkdom van de gemeenschap: vreugde, enorme gulheid, humor, enthousiasme, hoop en geloof.

Opstandingskracht in de levens van mensen

Alle gemeentes waar wij komen hebben ervaring opgedaan met Umoja, en zij delen hun verhalen over de invloed die dat heeft gehad op hun persoonlijke leven en dat van de gemeenschap. Zo vertellen meerdere mensen over de omkeer in hun bestaan doordat zij meer zelfvertrouwen kregen en zicht op de krachtbronnen waarover ze ondanks alles beschikken.

Een van hen is Amos, een kleine boer, die uitlegt hoe hij zijn leven een andere wending gaf door zijn mogelijkheden te benutten in plaats van in moedeloosheid te blijven vastzitten. Door de bijbelstudies en trainingen raakte hij enthousiast voor het zaaien van watermeloenzaadjes, het kweken van sinaasappelstekjes, notenbomen en komkommers. Langzamerhand groeiden daarmee letterlijk zijn kansen op een beter leven: hij deelt zijn opbrengst trots met ons. Doordat hij nu een inkomen heeft, kan hij een klein winkeltje drijven in zijn eigen huis en kunnen zijn kinderen naar school.

Ook Naomi, Amos’ vrouw, neemt het woord: zij is verloskundige en is dankzij Umoja vrouwen uit omliggende dorpen gaan helpen met hun bevalling en kraamzorg. Ook geeft ze voorlichting over het voorkomen van aids en stimuleert ze vrouwen om beter voor zichzelf te zorgen. Zo worden vrouwen en hun gezinnen minder afhankelijk van de vaak slecht bereikbare gezondheidszorg en helpen ze elkaar om samen de lange weg naar het ziekenhuis te overbruggen. Naomi heeft een eenvoudige kraamkliniek in een hut ingericht om barende vrouwen te ondersteunen. De kracht van verandering zit blijkbaar niet in geld, maar in vertrouwen op de mogelijkheden die God ons aanreikt en in liefde, solidariteit, zelfvertrouwen en hoop.

In Nederland kan het ook

De groep voorgangers is inmiddels weer in Nederland, vol van indrukken en plannen om met het geleerde aan de slag te gaan. Hoe kan Umoja ook voor de Nederlandse plaatselijke kerken een omkeer betekenen? Gemeenten in ons eigen land hebben geen last van armoede, corruptie, een slecht functionerende overheid, extreme droogte als gevolg van klimaatverandering en te weinig water en voedsel. Maar tegelijkertijd is er wel sprake van een ander soort armoede: gebrek aan contact met de samenleving bijvoorbeeld, een moeizaam geloofsleven, krimpend aantal kerkgangers en weinig verbinding met andere culturen. En dat terwijl de christelijke kerk een geweldige boodschap heeft voor onze welvarende wereld. Umoja zou ook in Nederlandse geloofsgemeenschappen nieuwe wegen kunnen openen door hen te helpen, hun geloofsbronnen te herontdekken en weer opnieuw in haar eigen missie voor de wereld te gaan geloven.

Gelukkig kan dat! Verschillende gemeentes zijn al met het Umoja-programma begonnen. Tear gelooft intens in de kracht van plaatselijke gemeentes en hun potentie om de samenleving te helpen veranderen. Door geloof in het Koninkrijk, dat voor iedereen bedoeld is, en de transformerende kracht van Gods levende Woord en Geest in onze wereld. Amos, onze broeder uit Soroti met zijn stukje grond en winkel, gaat ons voor op deze weg. Met een brede lach en sinaasappels van eigen oogst in zijn handen. Hij gelooft in ons!

 

Margrietha Reinders, predikant en pionier/kerkvernieuwer in Amsterdam

Lees verder

Duurzaamheid wordt steeds meer mainstream, maar het kan nog beter

29-06-2018

Voor de beweging Groengelovig, onlangs bijeen in Ede, staat het als een paal boven water: als je christen bent, geef je om de schepping. Maar boeren, burgers en natuurbeschermers staan vaak tegenover elkaar, als het om duurzaamheid gaat. Dat moet anders.

Zo’n 130 mensen kwamen naar de Groengelovig-bijeenkomst op vrijdag 15 juni in het gebouw van de Christelijke Hogeschool Ede. Doel: de kloof tussen boeren, burgers en natuurbeschermers dichten, want die hebben elkaar nodig. En nu maar hopen op olievlekwerking.

In de hoge lichte aula was het glazen plafond al bedekt met witte zonneschermen, maar desondanks liep de temperatuur af en toe hoog op. Halverwege de dag kwamen er kannen water met citroen en munt langs. De deelnemers komen overal vandaan. Het zijn boswachters, boerenzonen en -dochters met zelf een ander beroep, mensen die actief zijn in de politiek en kerken.

Christenen in beweging voor de schepping, is het motto van Groengelovig. ‘Voedsel verbindt’ is het hoofdthema. Weet je wat er op je bord ligt? Wat koop je in de supermarkt, waar komt het vandaan? En ook belangrijk: hoe ga je verspilling tegen? Want verspild wordt er, door producenten, consumenten, restaurants en supermarkten.

 

Diepe kloof

Dagvoorzitter Elsbeth Gruteke introduceert Carla Dik-Faber, Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie en een van de drijvende krachten achter Groengelovig. De politiek is niet ver weg, en dat is geen wonder met zo veel wet- en regelgeving op voedsel- en duurzaamheidsgebied van zowel Europa als Nederland.

De grote uitdaging is zorgen voor verbinding tussen boer en burger, vertelt Dik-Faber. Want er is een diepe kloof ontstaan tussen beiden, waarbij de ger van alles van de boer verwacht, zoals goedkoop en veilig voedsel, maar tegelijkertijd wil dat de boer rekening houdt met broedende vogels en bloeiende bermen. De boer komt op zijn beurt de burger nauwelijks tegen, alles wat hij produceert bereikt de burger via de supermarkt.

Franciscaanse minderbroeder Rangel uit Stadsklooster San Damiano in ’s-Hertogenbosch verzorgt de opening van Groengelovig met onder meer - hoe kan het anders - een gebed van de heilige Franciscus. Hij was tot kort geleden kok in het klooster in Megen en kookte daar aan de hand van twee stelregels: niet meer nemen dan de aarde kan voortbrengen, en rekening houden met mensen elders op de wereld. Duurzaamheid gaat verder dan alleen zorgdragen voor het milieu, zegt Rangel. Duurzaam leven doe je door eerbied te hebben voor de hele schepping, voor iedereen en alles.

 

Natuur

Een middag is zo om en daarom gaat alles in hoog tempo. Er zijn drie speed-lectures, en daarna social hacketons waarbij 21 groepen van vijf of zes mensen in een twee uur een idee en de uitvoering daarvan moeten bedenken voor duurzaam leven.

De verbinding tussen natuur, boer en burger is af te lezen aan wie de speed-lectures verzorgen: directeur van Natuurmonumenten Mark van den Tweel, boer en ZLTO-er Hans Huijbers, en lector Ethiek en Technologie bij hogeschool Saxion Martine Vonk, die de rol van consument op zich neemt.

Van den Tweel is zich goed bewust van de nauwe band tussen boer en burger. “Natuur is in Nederland in feite gestold agrarisch verleden, het is erfgoedbeheer.” Echte oernatuur is er al lang niet meer in Nederland, maar er zijn wel gebieden voor wilde planten en dieren.

Natuur is ook wat burgers zelf kunnen doen in hun eigen tuin, en wat gemeentes kunnen doen aan beheer van de bermen. Op intensief beheerd grasland echter is geen plaats meer voor kruiden en vogels, die kunnen daar niet leven.

Van den Tweel wil weg blijven van de schuldvraag. Boeren zijn immers ook ondernemers die leveren wat de consument wil: goed en goedkoop voedsel voor een lage prijs. En dat krijgt hij. Want ons voedsel is nog nooit zo goedkoop en gevarieerd geweest. Slechts 11 procent van het gemiddelde inkomen gaat naar voedsel. We zijn samen verantwoordelijk voor een duurzame wereld: boer, consument, supermarkt en tussenhandel.

Wordt het allemaal niet wat elitair en duur, met dat biologische eten, vraagt Gruteke hem. Dat hoeft niet, antwoordt Van den Tweel. Je kunt ook weidemelk kopen, dat is maar een fractie duurder terwijl boeren die hun koeien buiten laten grazen meer geld voor hun melk krijgen.

 

Duizend dilemma's

Boer Hans Huijbers uit de Noord-Brabantse Kempen is dan ondernemer alleen, hij is ook verzorger. Het leven van een boer is complex geworden. “Wij staan voor duizend dilemma's.” Die Ecologische Hoofdstructuur (EHS), met al zijn beperkingen voor boeren, vindt Huijbers bijvoorbeeld een onding. Ook de banken spelen een kwalijke rol, ze jagen boeren op. “Als een boer alleen maar ondernemer is, neemt de economie het erf over.” Huijbers verlangt terug naar de brede economie van vroeger, naar contact tussen boer en burger.

Hoe kunnen burgers daarbij helpen, vraagt Gruteke. Neem de dilemma’s van de boer serieus, antwoordt Huijbers.

Vonk, die de consument vertegenwoordigt, is een wel heel bewuste consument. Twintig jaar geleden studeerde ze Milieukunde en jarenlang had ze haar eigen bedrijf op dat terrein. Maar de andere kant kent ze als boerendochter ook. De verbinding tussen boer en consument komt tot stand via voedsel, maar consumenten staan vaak ver af van de boer.

Maar er is hoop. Boeren staan steeds meer open voor duurzaamheid, en consumenten ook. De laatste cijfers laten zien dat bijna de helft van de consumenten op duurzaamheid let als ze iets kopen, en ook bereid zijn daarvoor te betalen. Vijf jaar geleden was dat nog maar 30 procent. Ongeveer evenveel mensen letten op dierenwelzijn.

Afhankelijk van de supermarkt bedraagt het aandeel duurzame producten 12 tot 22 procent. Meer plantaardige eiwitten, minder vlees, dat is de toekomst, zegt Vonk.

Mag ik straks geen biefstukje meer, vraagt Gruteke? Dat mag best, maar minder vaak, en biologisch. En moeten de kerken niet actiever worden? Dat is vanzelfsprekend, vindt Vonk. De schepping, dat is immers niet alleen de mens.

 

Paprikasoep

De social hackaton - een groep mensen die in een kort tijdsbestek een idee bedenken en uitwerken - is voor velen een nieuw concept, maar de deelnemers storten zich er met hart en ziel op. Er zijn 21 groepen van een man of vijf, zes en in een moordend tempo bedenken ze manieren om een leefbare wereld wat dichterbij te brengen.

Voedsel staat daarbij centraal: wat ligt er op je bord, voedsel van dichtbij, en voedselverspilling zijn de drie thema’s. Na twee uur peentjes zweten, presenteren de groepen hun ideeën, een jury beoordeelt de ideeën op basis van hoopvolheid en haalbaarheid. Een van de winnaars is een Climate Aware-label, dat bedacht is als vervanger van de talloze labels op verpakt voedsel in de winkel, die de meest doorgewinterde duurzaamheidsfreak nog in verwarring brengen.

Na afloop is er soep voor de deelnemers, gemaakt van paprika’s die de supermarkt niet hebben gehaald, oftewel ‘geredde groente’. De geur van de soep - geserveerd in bamboe bakjes maar wel weer met een plastic lepel - gaat met vlagen door de aula. Zo makkelijk en smakelijk kan duurzaam leven zijn.

 

Mantelpakje van petflessen

Dik-Faber is tevreden, zegt ze na afloop. Er is een beweging in gang gezet, duurzaamheid moet mainstream worden. “Wat vind je van mijn kleren?” Het satijnachtige mantelpakje in heldere kleuren ziet er chique uit. Het is gemaakt van petflessen die anders op de vuilnishoop waren verdwenen, vertelt ze.

Dik-Faber staat bekend om haar duurzame outfits op Prinsjesdag, gemaakt van bijzondere maar altijd duurzame materialen. En dat zal komende Prinsjesdag niet anders zijn, vertelt ze alvast.

 

Is duurzaam voedsel niet duur?

“Dat hoeft niet per se. Duurzaam eten is bijvoorbeeld ook groenten eten van het seizoen, in plaats van boontjes uit Marokko. In Nederland is voedsel ook nog eens relatief goedkoop. En als duurzaamheid mainstream wordt, wordt het ook beter betaalbaar.”

 

Boer Huijbers was niet erg te spreken over de EHS. Had hij een punt?

“Ik ben wel blij met de EHS, het is goed dat er robuuste natuurgebieden zijn en niet alleen maar wat versnipperde stukjes. Maar er wordt wel eens wat te veel van de tekentafel gekeken. Wat dat betreft is het goed dat de provincies daar nu de regie over hebben.”

 

Christenen staan niet altijd vooraan bij duurzaamheid, de voorganger van de ChristenUnie het GPV vond het aanvankelijk maar een linkse hobby.

“Ik ben opgegroeid in de jaren ’70 en toen was het Conciliair Proces in volle gang: Vrede, gerechtigheid en heelheid van de Schepping. Ik kende dat woord ‘conciliair’ niet, maar de boodschap was duidelijk en die is altijd blijven hangen. Eigenlijk is Goedgelovig een voortzetting van het Conciliair Proces."

 

Ineke Evink

Lees verder

De achterdeur van de kerk staat ook wijd open

17-05-2018

Nieuwe leden van de kerk worden vaak met gejuich onthaald. Maar wat als het geloof langzamerhand van je afglijdt en je steeds minder in de kerk komt? Wim Vermeulen besloot bij de achterdeur van de kerk te gaan staan. Dat leverde de gespreksgroep In Dubio op.

Utrecht, dinsdagavond. De zon strijkt over de terrassen in de binnenstad, en mensenstromen bewegen zich langs de warenhuizen om nog wat zomerkleding in te slaan.

Even verderop is het rustiger, op het plein bij de Jacobikerk. Er jakkeren wat fietsers langs, maar dat is het. Een jonge vrouw in een gele jas zet haar fiets rustig neer en glipt de oude houten deur onder de toren binnen.

In een typisch kerkzaaltje – opgestapelde stoelen in een hoek, een vergeeld schilderij van de kerk aan de wand en een witte kantoortafel in het midden – staat Wim Vermeulen, als missionair predikant verbonden aan deze gemeente – een raam open te wrikken. Zo komt er wat frisse lucht binnen. Op tafel witte kartonnen bekertjes waarop activiteiten van de Jacobikerk, beschreven staan: zo zijn er debatten, maaltijden en nog veel meer zaken in deze actieve binnenstadskerk mee te maken.

De aanwezigen – vier vrouwen en twee mannen van rond de dertig, en een oudere heer – druppelen langzaam binnen.

Dit is de kring ‘In Dubio’ die zo’n anderhalf jaar geleden door Vermeulen is opgericht. De Jacobikerk is volgens hem een kerk ‘met een oprecht missionair elan, maar er zijn ook vragen, twijfels en apathie. ‘Ik zag mensen door de voordeur binnenkomen en aanhaken, maar ik zag ook mensen via de achterdeur verdwijnen. En bij die achterdeur staat meestal niemand’, zo schreef hij hierover in een eerdere publicatie.

Daar wilde hij verandering in brengen, en daarom zette hij een berichtje in de weekbrief van de kerk.  ‘Stel, je bent keurig netjes kerkelijk opgevoed, je noemde jezelf altijd best wel of heel erg gelovig, maar de laatste tijd knaagt het. Je kunt er niet eens echt de vinger op leggen, maar de innerlijke afstand ten opzichte van kerk, geloof en God groeien en je hebt steeds vaker het gevoel dat je ‘het’ kwijt bent. Als je dat herkent en je wilt er iets mee, meld je dan middels een berichtje.’

Er meldden zich binnen een week veertien mensen.

In eerste instantie werden er drie avonden gepland. Vermeulen: ‘Ik nodigde iedereen uit om voorafgaand aan de eerste bijeenkomst een geestelijke levensreis te schrijven. Waar kom je vandaan, waar bevind je je nu en waar zou je naar toe willen? Ook vroeg ik hen om hun verwachtingen en vragen zo nauwkeurig mogelijk te noteren.’

In de avonden daarna bleek dat er vaak verschillende typen thema’s door elkaar speelden. ‘er waren inhoudelijke thema’s. Wie is God? Bestaat hij wel? Wat moet ik met de Bijbel aan?’

Daarnaast waren er gevoelsthema’s. “Hoe vind ik nieuw elan? Wat moet ik als christen eigenlijk hebben ervaren? Waarom maakt geloven me zo onrustig? Ik wil graag meer vertrouwen, maar hoe?”

Naast die twee thema’s waren er nog omgevingsthema’s, waar de deelnemers mee bleken te zitten: de vaak negatieve invloed van het leven in een stad op het geloof, de invloed van erfenissen uit het verleden.

 

Ervaren

Uiteindelijk werd er een top drie van vragen opgesteld die eigenlijk allemaal over de inhoud gingen: Wie is God, Hoe kan ik God kennen? Bestaat God? Vermeulen: “Tijdens onze gesprekken werden me een paar dingen steeds duidelijker. In de eerste plaats dat veel deelnemers leefden met een heel algemeen godsbegrip.  Bij God dachten ze in de eerste plaats aan een groot en almachtig iemand (is het eigenlijk wel Iemand?)  ver weg. De ervaring leert echter al langere tijd dat een algemeen godsbeeld snel vervaagt, of dat je ermee stuk loopt op de werkelijkheid van het leven.”

Ook op het gebied van het ervaren van God waren er verwachtingen die misschien niet reëel waren. “Bij God ervaren dachten ze vooral aan een fijn gevoel behelst van vertrouwen en geborgenheid, aangeraakt worden, vreugde, extase zelfs. Aan de hand van de psalmen ontdekten we dat het Bijbelse ervaringsbegrip veel breder en gelaagder is, en dat ervaring bovendien geen doel is, maar een uitgangspunt: de ervaringen die je in je leven opdoet probeer je in al hun verscheidenheid met God in verband te brengen.”

Na de eerste avonden in het voorjaar van 2017 werd besloten om nog een seizoen lang maandelijks bij elkaar te komen. De groep heette eerst “Help, ik ben het kwijt”, maar werd op suggestie van iemand tot ‘In dubio’ omgedoopt.

Vermeulen: “Er is geen vaste route. We lezen wel altijd iets dat past bij het thema waar we mee bezig zijn. Telkens zijn de vragen van de deelnemers leidend en op hun eigen verzoek ben ik met ‘voorbereidend huiswerk’ blijven werken. Dat blijkt een uitstekende manier om niet langs elkaar heen te praten.”

 

Zomergasten

Op deze zomeravond in de Jacobikerk ervaar ik hoe dat gaat en hoe gemakkelijk deze mensen met elkaar in gesprek gaan over grote onderwerpen. Op tafel ligt het boek Overvloed en overgave van Arjan Plaisier.

Plaisier schetst in dit boek verschillende seizoenen van het geloof. Na de herfst en de winter is het vandaag de beurt aan twee hoofdstukken over de lente en de zomer.

Iedere deelnemer heeft bij elk hoofdstuk minstens één streepje gezet bij een passage die op één of andere manier aan het denken zette.

Het gaat eerst een tijdlang over zogeheten ‘zomergasten’ ofwel gelovigen die door hun vrolijke inslag een voorbeeld zijn voor anderen. Maar dat voorbeeldige gedrag kan ook verlammend werken, zo blijkt al snel.

Femke: “Ik ging bij mezelf te rade of ik zulke zomergasten ken. Hebben jullie dat in jullie omgeving, een paar mensen die dat gegeven is?”

Menno: “Als je het religieuze weglaat, dan moet ik denken aan Thomas Erdbrink, die journalist in Iran. Hij heeft iets vrolijks, iets onaantastbaars. Maar religieus gezien moet ik denken aan een vriendin van mij. Zij kan met een heel klein woord iets cruciaals zeggen. Ze is ook duidelijk over wat God in haar leven betekent. Ik denk aan haar als een soort verlichte persoon.”

Elsbeth: “Het zit ‘m ook in de manier waarop ze omgaan met de strijdpunten in hun leven. Ik moet denken aan iemand op mijn bijbelkring. Zij kan als ons gesprek hapert ineens ‘pang’ zo’n vraag stellen waardoor je recht op je stoel gaat zitten. De manier waarop ze als arts omgaat met standpunten van anderen in haar werk, vind ik ook inspirerend. Ze respecteert de keuzes van anderen, maar ze durft ook te zeggen hoe ze als christen over bepaalde dingen denkt.”

Vermeulen: “Het is natuurlijk niet zo dat het een soort modelkinderen van God zijn.”

Elsbeth: “Nee. Ze is er ook eerlijk over dat ze moeilijk vindt en dat vind ik juist aansprekend.”

Femke: “Afgelopen week was ik bij mijn oma. Het gaat helemaal niet goed met haar, maar voor mij is zij een echte zomergast. Zij is constant aan het praten met God en neemt mij ook mee in dat gesprek. ‘Hoe lang nog, Heere’,  zegt ze weleens. Zij kijkt echt uit naar de volgende fase, naar het hiernamaals.”

Sara: “De manier waarop Plaisier die zomergelovigen beschrijft doet mij heel erg denken aan alle omschrijvingen van kinderen van God van vroeger. Je moet weer iemand zijn die je niet bent. Ik lees erin dat het gaat over het ‘begenadigde volkje van God’, een soort select gezelschap. Voor mijn gevoel word je dan heel erg in een bepaalde richting geduwd en daar heb ik een allergie voor.”

 

 

De poëtische inslag van het boek van Plaisier wordt stevig bekritiseerd in de loop van de avond, maar het roept ook ontegenzeglijk een open gesprek op.

Hans“Ik vond dit aanvankelijk een wijs boek. Vaderlijk en meeslepend geschreven. Maar ik ben het nu weer gaan lezen en ik ben weerbarstig geworden. Ik ben ‘In dubio’, ik begrijp niet zo veel van het geloof als ‘lentegave’ waar Plaisier over schrijft. Ik kan er niet bij. Daarom ben ik hier. Maar dat is mijn particuliere gevoel, en dat wil ik niemand opdringen.”

Derk: “Geloof je dus eigenlijk niet dat iemand verliefd kan zijn op God? Wat vind je dan van bijvoorbeeld een monnik of non?”

Hans: “Liefhebben is voor mij niet hetzelfde als een innig gevoel hebben. Die EO-zangeressen met hun smachtende stem, ze mogen er zijn, maar ik heb er niets mee. Voor mij is een monnik of non iemand die bidt voor de zonden van zichzelf en van anderen. Net als mijn moeder deed. Een paar maanden voor haar dood zat ik bij haar. ‘Voor mijn kinderen móet je wel de hele dag bidden’, zei ze. Die humor had ze behouden, ook al was ze blind geworden. Dat is voor mij een monnik, iemand die bidt voor anderen, net als mijn moeder deed.”

Hans is verreweg de oudste in het gezelschap. Hij spreekt met zelfspot over zijn twijfels, die niettemin bij hem diep gaan, ook door gesprekken met zijn kinderen, die zich afvragen of het geloof nu zo nodig is om een goed mens te zijn. Amnesty International doet toch ook goed werk? Hans: “Ik had gehoopt met het ouder worden wijs te worden, maar dat valt tegen.”

Zijn twijfels in het geloof heeft hij altijd voor zijn vrouw verborgen gehouden, toen zij nog leefde, vertelt hij, en daar sprak je ook niet over in die tijd in de gereformeerd-vrijgemaakte kerk waar ze lid van waren. “Ik heb mijn vrouw nooit geconfronteerd met mijn aarzelingen. Ik had negatieve ervaringen, maar die had zij niet.”

Het verhaal van Hans zorgt voor een interessante interactie met de anderen, die allemaal een generatie jonger zijn. Femke: “In mijn relatie vind ik het ook een lastig punt. Mijn vriend en ik hebben allebei onze strubbelingen. Hij is heel rationeel ingesteld, en hoeft niet zozeer te voelen dat hij gelooft. Bij mij zit dat wat anders.”

Gaandeweg het gesprek komt het punt naar boven dat gelovigen die een voorbeeld voor je zijn, ook een verlammend effect kunnen hebben. Het is juist op dit soort punten dat Vermeulen zelf als theoloog een extra aspect binnen het gesprek brengt.

Vermeulen: “Ik wilde graag die verlamming op tafel hebben. Al die mensen die wij noemen, zullen zichzelf niet als een voorbeeld zien, of zien dit in ieder geval niet als een verdienste. We kunnen wel proberen om hen als een voorbeeld naar ons toe te trekken, maar als dat verlammend werkt, trek je jezelf ook weer de sfeer van die verdienste in.”

Elsbeth: “Een van de dingen die mij het meest bijblijven van deze avonden is de terugkerende vraag: hoe hoog leg je de lat? Het kan inspirerend zijn om te verlangen naar groei en anderen te zien als een voorbeeld, maar het kan ook verlammend werken.”

Wim: ”Volgens mij is er ook nog een derde weg. Dat is die van Paulus. Hij heeft het over dankbaarheid, dat je God dankt voor die ander. Dus zonder in de concurrentiestand te staan. Dan wordt het gewoon een feest.”

 

Zomergevoel

Aan het eind vraag ik deelnemers –die allemaal een kerkelijke achtergrond hebben- nog eens rechtstreeks waarom het lijntje met de kerk op een gegeven moment dun werd, en wat deze kring daarin voor hen betekend heeft.

Elsbeth: “Het is iets meer dan een jaar geleden dat ik het oproepje van Wim las. Ik beschouwde mezelf steeds meer als een draaideurchristen: op het ene moment voelde ik me erbij horen, en op het andere moment had ik het gevoel dat ik erbuiten stond, ook al ben ik best actief in de kerk. Ik vond dat ik daarin een keuze moest maken. Door deze kring kreeg ik sowieso de ervaring dat je niet de enige bent die die gedachte heeft. Het zijn de vraagstukken van anderen die je aan het denken zetten: wat voor beelden heb ik zelf in mijn hoofd gehaald?”

Maria: “In dubio zijn: dat staat ook gewoon synoniem voor het geloofsleven.”

Femke: “Ik kom al ongeveer tien jaar in allerlei kerken, ik was ook sporadisch in de Jacobikerk. Het was dus vrij toevallig dat ik dit bericht las. Voor mij was het een opstapje om meer actief met deze vragen bezig te gaan. Het heeft me veel gebracht. Mijn geloof is een stuk levendiger geworden. Ik merk ook dat dit clubje vaak het begin is van mooie gesprekken.”

Menno: “Ik ging wel elke zondag naar de kerk, maar ik was het een beetje kwijt. Ik dacht, toen ik het berichtje las: baat het niet, dan schaadt het niet. Het is niet zo dat ik het geloof kwijt was, maar wat het dan wel was, weet ik nog steeds niet. Ik ben nu zo ver dat ik denk: ik geloof de kern wel, maar ik weet nog niet zo goed wat ik ermee aan moet. Ik werk in een omgeving waarin niemand religieus is. Moet je nu alweer om negen uur de koffie klaarzetten in de kerk, vragen ze dan. Daar snappen ze echt niets van. Hoe moet ik daarmee omgaan? Het is fijn om mensen te spreken die dezelfde soort twijfels hebben. Op een bijbelkring is iedereen vol vuur, maar hier merk je dat mensen in de kerk ook hun twijfels hebben. Dat gaf rust.”

Maria: “Je maakt kennis met nieuwe gezichtspunten, dat is waardevol”. 

Femke: “En er is iemand bij met kennis van zaken, die er een klap op kan geven.”

Derk: “Ik denk dat christenen elkaar graag het lente- of zomergevoel proberen over te brengen. Maar het is lastiger om te praten over de tijden dat het minder gaat. Dat je hond dood is gegaan, dat gaat nog. Maar een depressie of burnout, dat is lastiger om over te praten. Toen ik hoorde over deze kring vond ik het wel spannend: wie gaat daar zitten? Ik was van sommigen best verrast dat ik ze hier trof. Maar kennelijk ervaren wij hetzelfde, en het is mooi om dan de ervaring te hebben: hier komen we samen wel uit.”

Vermeulen: “In feite zijn we gewoon een volwassencatechesegroep geworden. We zijn gewoon bezig met de grote vragen die iedere generatie stelt. Ik denk bij deze kring steeds vaker: dit is het normale christelijke leven”.

 

Nels Fahner

 

Aan het begin van de avond was het onduidelijk hoe persoonlijk de gesprekken zouden worden. Daarom zijn de namen van de deelnemers gefingeerd.

Lees verder

Games in de godsdienstles: een goed idee

20-04-2018

Games bespreken in de lessen godsdienst: dat lijkt een droom voor middelbare scholieren, maar niet per se leerzaam. Toch worden games steeds beter, en bieden ze soms interessante aanknopingspunten voor het gesprek over levensbeschouwing en geloof, vindt docent, gamer en theoloog Liesbeth Last.

Theoloog en docent Liesbeth Last is een van de weinigen die zich bezighoudt met het verhalende aspect van games. Er wordt veel onderzoek gedaan naar het verslavende effect van games, maar dat ze ook interessant zijn vanuit levensbeschouwelijk perspectief, en dat ze discussies kunnen oproepen over religie en geloof, is minder bekend.

Op de website van de Katholieke Universiteit Leuven heeft Last hier lesmateriaal voor ontwikkeld dat voor docenten godsdienst beschikbaar is.

 

Wanneer had u voor het eerst het idee: games zijn eigenlijk een heel goed uitgangspunt voor godsdienstlessen?

“Ik ben zelf al heel lang gamer, en zo’n vijf jaar geleden viel het me voor het eerst op dat games eigenlijk veel meer waren geworden dan entertainment.  Games worden steeds beter qua verhaal en vormgeving, omdat er ook steeds meer geld in wordt gestopt. De afgelopen jaren zijn gameontwikkelaars bovendien de verhaallijn van hun spellen steeds belangrijker gaan vinden, en ook de vormgeving. Decorelementen hebben in veel games een levensbeschouwelijke achtergrond. Dat komt ook doordat die games in de VS of Europa worden gemaakt, door mensen die vaak godsdienstonderwijs hebben gehad, zelf niet meer gelovig zijn, maar wel putten uit de christelijke traditie.”

 

Een van de games die u beschrijft is Rise of the Tomb Raider met Lara Croft. De hoofdpersoon van die game is archeologe en vindt op een gegeven moment een afbeelding van Christus Pantocrator.

“In Rise of the Tomb Raider worden veel christelijke afbeeldingen en details gebruikt, die overigens op zich niet echt nodig zijn om verder te komen in het spel. Maar je kunt dan wel de vraag aan de leerlingen stellen: wat heb je nog meer ontdekt wat een link kan hebben met levensbeschouwing? In dit geval heb ik die afbeelding van Christus Pantokrator gebruiken voor een les over het gelaat van Christus. Hoe komt het dat katholieken dat wel afbeelden, terwijl protestanten dat niet doen? Zo kom je tot een inhoudelijk goed onderbouwde les op basis van een game.”

 

Kun je uit de games concluderen dat religie tegenwoordig jongeren op een heel andere manier bereikt?

“Zeker. Natuurlijk hangt het ervan af hoe je religie definieert. In spellen als World of Warcraft wordt veel gewerkt met een bepaalde vorm van transcendentie, met een kracht die de spelers stimuleert. In Rise of the Tomb Raider een sekte die Trinity heet, een verwijzing naar de drie-eenheid. Mijn taak als leraar is om duidelijk te maken dat dit termen zijn die uit het religieuze erfgoed komen. En het gesprek op gang te brengen over de betekenis van dat alles. Want zelf spelen leerlingen vooral voor hun plezier, en zullen ze niet gauw die link leggen.”

 

U had het net al over een sekte met de naam Trinity. In games lijken net als in de populaire cultuur vooral de extremen van religie aan bod te komen. Werkt dat niet juist vervreemdend?

“Ik denk dat dat wel meevalt, want de religieuze elementen vallen doorgaans niet zo op. Mensen spelen games vanwege het entertainment. Maar als je ze aan het denken zet over wat ze zien, kan dat wel leiden tot verdieping, tot de vraag wat religie kan betekenen. De grote kaskrakers als het oorlogsspel Call of Duty en Rise of the Tomb Raider hebben inhoudelijk niet echt een rechtstreekse link met religie. Maar er zijn ook games die een meer mediterend karakter hebben. Bijvoorbeeld de game Journey. Dat wordt gemaakt door een interessant gamebedrijf dat zich richt op games die de innerlijkheid proberen te raken, in tegenstelling tot doorsnee games, die vaak gericht zijn op actie, geweld, de strijd tussen goed en kwaad.”

 

Wat is de verhaallijn van zo’n game als Journey?

“Het is heel meditatief,  er is eigenlijk nauwelijks een verhaallijn. Je loopt door de woestijn, en je ziet een berg waar licht uit komt. Die moet je zien te bereiken. Het bevreemdende is dat je andere spelers tegenkomt, maar dat je niet met ze kunt communiceren. Je kunt elkaar alleen wel wat helpen om samen die berg te bereiken. Dat geeft een bepaalde vorm van vertrouwen. Iedere speler heeft bijvoorbeeld een sjaal om die je de kracht geeft om te vliegen. Maar dat werkt slechts tijdelijk, en dan beland je weer op de grond. Maar als je met z’n tweeën bent, kun je elkaar kracht geven en zo blijven vliegen. Je geeft dus eigenlijk steun aan elkaar.”

 

Er worden dus eigenlijk geloofservaringen gevisualiseerd, als ik het goed begrijp.

“Ja, inderdaad. Je loopt door een prachtig landschap en je houdt je blik gericht op de berg die licht uitstraalt. Natuurlijk zijn er wat hindernissen waar je over moet. Je kunt niet sterven in dat spel, en  er wordt ook niet geschoten. Sommige leerlingen vinden het saai om te spelen, anderen vonden het juist heel indrukwekkend. Het duurt twee of drie uur en dan ben je bij die berg. Daarbij wordt ook klassieke muziek ingezet, wat een extra dimensie geeft aan het spel. Dit spel wordt in Groot-Brittannië, in Exeter overigens ook gebruikt bij bepaalde vieringen. Het wordt blijkbaar niet als storend gezien als het dan als decor op de achtergrond functioneert.”

 

In hoeverre kunnen jongeren een onderscheid maken tussen de  wereld van de game en de echte wereld van hout en steen en echte mensen daarbuiten?

“Ik ben ervan overtuigd dat ze dat kunnen. Dat heb ik gemerkt toen ik het spel “Life is Strange” gebruikte in verschillende klassen. In de game wordt aan spelers de vraag voorgesteld: stel, een meisje is het slachtoffer van cyberpesten. Wat zou jij doen? Ga je naar de politie of ga je zelf op onderzoek uit?  In het spel gaan jongeren dan op onderzoek uit, terwijl ze in het echte leven bij dezelfde vraag aangeven dat ze naar de politie zouden gaan. In het spel gaan jongeren voor de uitdagende keuzes. Ze willen experimenteren om te zien wat de resultaten zijn, terwijl ze in het echte leven eerder naar de politie of naar een vertrouwenspersoon zouden gaan.

Het is ook niet zo dat je als je een gewelddadige game speelt, je daardoor ook gewelddadig wordt. Het is met name een vorm van escapisme. Net als liefhebbers van horror niet zozeer moorddadig zijn, maar eerder een soort ontlading zoeken. Als iemand gestorven is, is soms de neiging er ook om te lachen om de verhalen om die persoon. Dat zijn mechanismes die de stress uit de maatschappij halen.”

 

Games worden vaak gediaboliseerd, schrijft u ergens. Ze kunnen natuurlijk ook verslavend zijn. Wat brengt u ertoe om ze juist in de godsdienstles te betrekken?

“Het is belangrijk dat er ook over wordt gepraat met jongeren. Veel collega-docenten bespreken geen games, omdat ze er een afkeer van hebben of omdat het medium hen onbekend is, maar op die manier blijven ze in de taboesfeer. Het is belangrijk om die juist te doorbreken. Ik heb ook leerlingen die wel heel veel gamen. Doordat het over games gaat, komen ze ook naar me toe en dan heb ik daar als volwassene weet van. Dat is beter dan wanneer ze dat probleem alleen in hun eigen kamer laten. Dat demoniseren leidt tot extra gebruik, want mensen zijn gevoelig voor taboes, dat leert het verhaal van de zondeval al.

Ik denk dat het voor ouders ook belangrijk is om te weten wat voor games hun kinderen spelen. Toon er daarom interesse in. Dan kun je er gesprekken over hebben. Laatst zag ik hoe een kind van een jaar of negen een best wel gewelddadig spel kreeg van zijn ouders. Ik denk dan: besef dat het belangrijk is om met je kind in gesprek te gaan over videogames. Als ouder laat je je negenjarig kind toch ook niet vrij rondlopen op de Grote Markt in Brussel? Volwassenen zijn vaak bang voor games, omdat ze die met geweld associëren, maar dat is geen reden om je er maar niet in te verdiepen.”

 

U bespreekt naar aanleiding van een oorlogsgame als Call of Duty ook verschillende visies op oorlog, ook meer pacifistische visies en de visie van de paus over actieve geweldloosheid. Hoe reageren leerlingen daarop?

“Als ik met Call of Duty in de klas kom, dan likkebaarden ze, dan wrijven de leerlingen zich in hun handen. Maar als je dat dan vervolgens gaat bespreken gaat er een wereld voor ze open. Wat voor visies op oorlog zijn er? Wat voor visie heeft het spel zelf? Zo worden leerlingen gemotiveerd om verder te kijken dan het pure geweld. Het laatste game van Call of Duty gaat overigens ook over dat personages mensen kunnen gaan helpen op het slagveld.”

 

U klinkt eigenlijk best wel positief over de visie van het spel zelf op geweld.

“Je hebt een variant van Call of Duty met zogeheten Nazi-zombies en daarbij gaat het echt alleen om het schieten om het schieten. Maar bij de singleplayer (de variant met gewone spelers, red) zijn soldaten geen moordmachines maar mensen van vlees en bloed. Zij vinden bijvoorbeeld mensen die zich hebben verstopt voor het nazisme en discussiëren dan met elkaar: moeten we deze mensen achterlaten? We hebben immers ook een functie als humanitaire hulpverlener. Behalve dat het een schietspel is kun je er dus ook vragen over stellen als: wat is geweld? Hoe ver moeten we gaan om de vrijheid te verdedigen? Wat is vrijheid eigenlijk?

Maar er worden ook heel andere oorlogsspellen gemaakt dan Call of Duty. Het spel This War of Mine is bijvoorbeeld een spel vanuit het perspectief van oorlogsslachtoffers. Er is dan geen richting, de speler moet in chaos overleven. Want er is geen draaiboek voor iemand die in oorlog leeft. Dat spel is confronterend om te spelen, ook als je daarbij het contrast met Call of Duty bedenkt. Daarbij ben je de held, en sta je aan de veilige kant van het wapen. Dat besef komt als je die spellen met elkaar vergelijkt.”

 

Een andere game die u bespreekt is de science fictiongame Mass Effect Andromeda. Wat maakt dit met het oog op religie zo’n interessante game?

“Science fiction is interessant om dat alles objectief gemaakt wordt. Bepaalde kwesties worden van deze wereld weggetrokken, en dat kan verhelderend zijn. Zoiets gebeurt ook in een filmserie als Star Trek, waarbij allerlei rassen en volkeren voorkomen. Dan gaat het niet om Marokkanen of Belgen of Algerijnen, Duitsers of Nederlanders, maar om abstractere rassen. Hoe gaan zij met elkaar om en hoe doen wij dat? Het abstract maken van racisme kan een opening bieden om objectief naar iets te proberen te kijken. Op die manier kun je de emotie weghalen  en blijft de essentie over.”

 

 

https://www.kuleuven.be/thomas/page/videogames-overzicht/

Lees verder

'Pionieren is vallen en opstaan'

05-04-2018

Urban Expression: dat is de naam van een moderne ‘orde’ van buurtkerken en hun leiders, die dit jaar tien jaar bestaat. Overgewaaid uit Engeland is de beweging nu in zo’n 10 Nederlandse steden actief, in creatieve christelijke gemeenschappen die in toenemende mate samenwerken met lokale kerken, én gedragen worden door de buurtbewoners zelf. Oeds Blok blikt terug op 10 jaar pionierswerk, in zijn eigen stad Amersfoort en op de ervaringen in andere plaatsen.

Van Zaanstad tot Rotterdam tot Arnhem: de afgelopen jaren zijn er op verschillende plekken in Nederland wijkkerken en -initiatieven ontstaan door teams van Urban Expression. In Rotterdam zijn er zelfs twee plekken, in Den Haag is poppenspeler en verhalenverteller Matthijs Vlaardingerbroek al vanaf 2000 gestart met een buurtkerk in de Spoorwijk. Een bekend gezicht uit Rotterdam is Daniël de Wolf, bekend van De Torrie van Mattie (het evangelie van Matteüs in de taal van de straat). Blok: “Urban Expression is eigenlijk een soort orde van pioniers, en ons hart ligt bij de mensen in zogeheten ‘krachtwijken’, wijken die schoonheid, maar vooral ook een rauwe rand hebben. We zijn ervan overtuigd dat daar iets van God te vinden is wat je elders niet vindt. Het zijn vaak plekken waar bijna niets meer van de kerken te zien is. Op die plekken zijn we actief.”

Creativiteit is bij Urban Expression een sleutelwoord; vertelt Oeds Blok in zijn woning aan een doorgaande weg in het Soesterkwartier in Amersfoort, waar hij zes jaar geleden in zijn vrije tijd zelf begon met buurtkerk.

Het is geen kerk met een toren, waar hij het over heeft: het is een groep mensen die samenkomt in en rond een speeltuin.

Hoe ziet een zondagochtend in de kerk in het Soesterkwartier eruit? Blok: “Op zaterdagavond hielden we al een spelletjesavond, en daar kwamen veel mensen. Maar we zaten lang met de zondag. Wat doe je dan, en voor wie? De stap om iets op zondag te doen was voor veel van hen te groot. De zondagochtend was voor de mensen uit de buurt geen goed tijdstip, dan ben je vrij, is dan het idee, dus dat werkte niet. Toen hebben we besloten om op zondagmiddag in de speeltuin een tafel neer te zetten. Dat was best een grote stap, want dan ben je kerk midden tussen de mensen in de speeltuin. We hadden taart op tafel staan. Het was dus een feestje, dat was de gedachte. Voor iedereen. We hebben daarna iets met een bijbelverhaal gedaan, want dat doen we altijd op de zondag. Dat hebben we afgestemd met de beheerder. Daar moet je transparant over zijn. Het leuke van een buurtkerk is dat ik kinderen en volwassen weer tegenkom op straat, in de winkel of bij voetbal of ergens op de koffie ga. Veel relaties spelen zich af in het dagelijks leven.”

 

Tentje

De manier waarop een bijbelverhaal wordt verteld of uitgebeeld is heel divers, vertelt Blok. “Laatst ging het over angst. Toen hebben we met een tobbe met water het verhaal van Jezus op het meer uitgebeeld. We hebben er ook een wedstrijd voor de kinderen aan vastgeplakt. Blazen en dan zien welk bootje het snelst naar de overkant komt. Als volwassene kon je op een papiertje schrijven waar je het meest bang voor bent. Mocht wel, hoeft niet. Het is dus heel rechttoe-rechtaan.”

Er kan dan een moment komen dat het gepast aanvoelt om te bidden met elkaar, al is bidden niet altijd aan de orde. “Normaal doen we dat niet, in het koffiehuis – waar we ’s winters kerk houden in plaats van buiten in de speeltuin - want het is geen viering. Maar dit keer hebben we wel gebeden, gewoon met iedereen, staand rond dat badje. Omdat God erbij is, als we angstig zijn.”

De vorm die wordt gekozen heeft dus altijd iets met beleving te maken, met je zintuigen. “Het zijn eigenlijk gewoon moderne leerprincipes die we toepassen, zoals dat ook in het reguliere onderwijs gebeurt. Met Pasen hebben we vijf plekken gemaakt in de speeltuin waar mensen iets konden proeven. Ik stond op een speeltoestel en mocht geurolie uitdelen. Het was eigenlijk best bijzonder dat een paar moslimvrouwen ook toelieten dat ze olie op hun hand kregen. Ik vertelde erbij: ‘Toen Jezus in het graf lag, waren de vrouwen om hem heen verdrietig. Toen hebben ze hem verzorgd met olie.’ Punt. Daar laat ik het dan bij. Op een andere plek was er brood met mierikswortel. De kinderen mochten dat proeven. Bah natuurlijk. Daar werd bij gezegd dat het lijden bitter was voor Jezus. En dat hij het uit liefde deed.”

Soms kun je ook enorm lachen met elkaar, vertelt Blok. “Er was bijvoorbeeld ook een onderdeel ‘raad dit geluid’. Dat was dus het geluid van een grote rollende steen. En dan vertelden we van de engel die de steen wegrolde. Een graf is moeilijk uit te beelden in een speeltuin. We kozen uiteindelijk voor een engel die in een tentje zat. Als laatste onderdeelkwamen alle volwassenen en kinderen in dat tentje. Degene die de engel speelde moest zeggen: Jezus was wel dood, maar op een gegeven  moment was hij er niet meer. Weg. Hij was sterker dan de dood.

Daar waren ook twee tieners bij gekropen, zoals wel vaker gebeurt natuurlijk in een speeltuin, dat er plotseling mensen meedoen die je eerder niet verwachtte. Die begonnen te lachen. Dat kan toch niet, zo’n raar verhaal. Er werd dus om gelachen. Dat kan. Maar het is ook wel een raar verhaal natuurlijk.”

De buurtkerk heeft een zomerkerk en een winterkerk, legt Blok uit. “’s Winters is het buiten te koud en dan komen we samen in een zijgebouwtje van de speeltuin. Daar is dan een koffiehuis. Er komt een vaste groep mensen, en een wisselende groep. In het koffiehuis is binnen een tafel waar een kruisje op staat. Je kunt er ook een kaarsje opsteken. Er zijn onder andere een paar Marokkaanse families die blijven komen. Dat vind ik bijzonder, blijkbaar schrikt dat kruisje niet af. We leggen ook aan de kinderen uit waar een kaarsje voor is. Dat als je iets wenst, dat God dat ook weet.”

 

Unplugged

Terugkijkend op zes jaar buurtkerk, constateert Blok dat er gaandeweg steeds meer activiteiten bij kwamen, verschillende vormen van kerk, zoals hij het noemt. “We misten op een gegeven moment body, een kerngemeenschap. Dus zijn we ook elke eerste en derde zondag van de maand met een viering bij iemand thuis gestart. Het begint met koffie. We lezen iets uit de bijbel en we zingen met elkaar. We vieren dan avondmaal, rondom Jezus. We zetten dat niet in de krant, maar nodigen mensen persoonlijk uit. We hoeven aan die vieringen niet veel voor te bereiden. Er is geen dominee die alles doet. We kunnen met meerdere mensen om de beurt het avondmaal voorbereiden. Ik wil ook graag dat het een meerstemmige gemeenschap is. Verder houden we het eenvoudig. Er wordt piano gespeeld of gitaar. We zingen een paar nummers. Er is altijd eten of koffie, voor de sociale contacten. Naast die vieringen en de bijeenkomsten op zondagmiddag zijn er ook twee groepjes ‘Bakkie & bidden’, een bij een Arubaanse mevrouw thuis. Bidden is een mooie manier om iets van God te ervaren. En er zijn twee bijbelstudiegroepjes ‘De weg’. Zo zijn er verschillende vormen van kerk, en deelnemers kiezen waar ze bij willen horen. Twee mannen hadden bijvoorbeeld weinig met Jezus, maar ze stonden wel open voor geloof, en ze waren ervan overtuigd dat er een God bestond. Toen zijn ze de verhalen over Jezus gaan lezen. Er is bij de bijbelstudie veel ruimte voor dialoog. Uiteindelijk heeft dat hun leven beïnvloed en hebben ze een soort basisrust gekregen. We lezen dus een stukje en praten erover. We lezen de bijbelverhalen over Jezus unplugged, zeg ik weleens, we slaan niets over. Ook de passages die schuren, lezen we. Het is de kunst om met de flow mee te gaan – dus het gesprek te volgen zonder te veel een bepaalde kant op te willen. Wat wel helpt om structuur aan te brengen, is het telkens weer invoegen bij de vraag wat Jezus met ons doet, wie hij is, of wat we zelf voor betekenis aan hem geven. We lazen pas een verhaal over een bezeten man. Dat is best een ruig verhaal. Maar sommige van onze mensen hadden daar helemaal geen moeite mee. Zij kenden dat. Wat blijft Jezus rustig. Dat viel hen op.”

 

 

Jezus-factor

Hoe zorg je ervoor dat je niet alleen maar bezig bent met een sociaal initiatief? Wat is, anders gezegd, de relevantie van de Jezus-factor, zoals Blok het zelf eens noemde in een interview met Andries Knevel?

“In het begin was dat voor mij wel een vraag. Ik verdiepte me toen ook in mensen die niets met Jezus hadden maar zich toch inzetten voor de buurt. Ik ging God meer in mensen zien. Maar later ben ik anders naar onze eigen initiatieven gaan kijken. Alleen al het feit dat in ons koffiehuis iedereen welkom is. Wie doet dat? Niemand. Dat is, denk ik, de Jezus-factor. Een kind dat op straat de dag doorbrengt en pas ’s avonds weer thuis mag komen, krijgt bij ons aandacht. Meer hoeft het niet te zijn, en meer kan ik er ook niet van maken.”

Er is natuurlijk een grote godsdienstige diversiteit. “Ik werk samen met moslims en ook met autochtone Nederlandse vrouwen die heel spiritueel zijn. Met deze vrouwen zit ik in een werkgroep voor buurtuitvaarten, voor mensen met een smalle beurs. Zij putten uit een andere bron, maar ik probeer nieuwsgierig te zijn. Ik leer ook van mensen om me heen van hun leven en bezieling die het verdient om gezien te worden. Bij moslims zie ik dat zij zelfbewust zijn in hun geloof. Dat vind ik mooi. Een houding van vrijmoedigheid en nederigheid, dat hebben we nodig.”

 

Tussenruimte

Pioniersplekken zijn nieuw en lijken daardoor automatisch succesvol en fris. Maar de werkelijkheid is er een van vallen en opstaan. Er is de afgelopen jaren ook weleens een buurtkerk weer gestopt. En vermoeidheid is een terugkerend fenomeen.

“Hier in het Soesterkwartier zijn we 6 jaar geleden met een groep van ongeveer 14 volwassenen gestart. Onder hen een groep van 4 mensen die de bijbelschool De Wittenberg hadden gevolgd. Dat was een geschenk. Maar uiteindelijk hielden de meeste mensen die mee gingen uit de Baptistengemeente, waar ik predikant was, het niet uit. Twee echtparen zijn gebleven, vier zijn er gestopt. Het lukte hen uiteindelijk niet goed genoeg om dit als hun kerk te zien, hun geloofsgemeenschap. Dat is natuurlijk voor henzelf, en ook voor de rest van het team wel moeilijk. Maar je moet ook de vrijheid houden om te doen wat bij je past. En zij hebben dit wel mede mogelijk gemaakt. Na een jaar of vier zijn er ook steeds meer buurtbewoners mee gaan doen”.

Een trend is dat er steeds meer wordt samengewerkt met lokale kerken. “Dat zien we bijvoorbeeld in het Oude Noorden in Rotterdam, dat mensen die meedoen met wijkgemeenschap Bless ook lid zijn van andere kerken. Dat past bij de trend van multiple religious belonging: mensen komen uit de Protestantse Kerk in Nederland, uit de Baptistengemeente, of uit de gereformeerde kerken vrijgemaakt, en ze willen tegelijkertijd betrokken zijn bij een buurtkerk.”

Uiteindelijk gaat het er bij Urban Expression om, dat er een soort tussenruimte ontstaat, zegt Blok ten slotte. “Een viering, dat is een christelijke ruimte. Daar is op zich niets mis mee, we houden ook zelf vieringen. Maar we zijn ook het liefst aanwezig op het terrein van de ander, want dat biedt kansen voor ontmoeting. Dat past ook bij het koninkrijk van God. In de creativiteit tussen mensen komen verschillende werelden bij elkaar. In die ontmoeting gebeurt Gods koninkrijk.”

 

Info: www.urbanexpression.nl.

Lees verder

De barmhartige samaritaan in Almelo

01-03-2018

Er komen steeds meer pioniersplekken in Nederland. Vorige week opende er weer een zijn deuren,  nu in Almelo. LINKT is de naam, en uitgewerkte toekomstplannen zijn er niet. ‘We zien wel wat God op ons pad brengt.’

‘Van religiestress is hier gelukkig geen sprake’, zegt ds. Catherinus Elsinga, missionair predikant in Almelo. LINKT, de pioniersplek van de plaatselijke protestantse gemeente, is ingebed in het welzijnswerk, de huisartsenposten en de geestelijke verzorging van het ziekenhuis. ‘Als die hulpverleners in hun dagelijks werk mensen ontmoeten die behoefte hebben aan een goed gesprek, of aan een netwerk waarin ze persoonlijke aandacht krijgen, kunnen ze hen doorverwijzen. Van een taboe heb ik niets gemerkt; er is juist veel openheid en bereidheid om mee te werken.’

We staan in ‘Het Pakhuis’, een uit de kluiten gewassen huiskamer op de benedenverdieping van een pand in het centrum van de stad, op steenworp afstand van het station. Her en der zijn wat zitjes gecreëerd, er staat een bankstel en een grote stamtafel. Het is allereerst een ‘pleisterplaats’, waar bezoekers kunnen binnenwaaien voor koffie, thee, broodjes, soep en een goed gesprek. Verder is het de thuisbasis van het stadspastoraat. Je kunt er terecht voor gesprekken die net even verder gaan dat een borrelpraatje in de kroeg; ‘vertrouwelijk, gratis en vrijblijvend’. De derde ‘poot’ van LINKT vormen de zondagse bijeenkomsten, het gesprek rond de tafel, over de God, de Bijbel en het dagelijks leven.

Werkloosheid

Burgemeester Arjen Gerritsen (VVD) is te gast bij de kick-off. De bijna-buurman van LINKT, dat vrijwel naast het stadhuis ligt, omarmt het initiatief als één van vele organisaties die een bijdrage leveren aan het welzijn van de 73.000 inwoners van zijn stad. Ruim 8% daarvan is werkloos. ‘Er zijn families waarin de derde generatie op rij geen werk heeft. ‘Opa, vader, zoon. Dan wordt armoede een cultuur. Je ervaart afstand, niet alleen tot de arbeidsmarkt, maar ook tot welvaart, liefde en gemeenschap. In zulke situaties kan LINKT veel betekenen.’

Passie voor mensen

Bij een kop soep spreek ik Hans ter Braake. Hij blijkt de eigenaar van het pand en woont met zijn gezin op de eerste verdieping. ‘Sinds we het zes jaar geleden kochten, hebben mijn vrouw Ingrid en ik vaak gesproken over onze wens om vanuit onze christelijke achtergrond iets te doen voor de stad. Vorig jaar hadden we net het plan opgevat om in de wijk hier tegenover te gaan folderen. We zouden de deuren opengooien voor iedereen die zin heeft in een bak koffie en een praatje. Precies op dat moment kwamen we via-via in contact met dominee Elsinga, die met een soortgelijk idee bezig was. We vonden elkaar snel in de opzet van LINKT.’

Onderkant

Ter Braake is eigenaar van een groothandel in gereedschappen. ‘En ik heb een passie voor mensen’, voegt hij er in één adem aan toe. ‘Ik heb niets met glitter and glamour. Het is veel leuker om je in te zetten voor anderen. Ik coach bijvoorbeeld jonge ondernemers. Maar het liefst zet ik me in voor de mensen aan de onderkant van de samenleving. De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan vind ik daarbij bijzonder inspirerend. De Samaritaan is ergens onderweg, loopt tegen een probleem op en toont dat hij hart heeft voor zijn naaste. Hij verzorgt hem, brengt hem naar de herberg, zorgt voor een goeie follow-up en trekt weer verder. Dat breng ik ook graag in praktijk. ‘

Teleurgesteld

Hans en Ingrid zijn lid van een gemeente van Vrije Baptisten in Wierden. ‘Het is daar niet anders dan in veel andere gemeenten: de kerk is nogal naar binnen gericht. Dat verwijt ik hen niet, het is gewoon zo. Het zijn ingesleten tradities en gewoonten. Ik ben  daar niet teleurgesteld over. Als je teleurgesteld bent in de kerk, ben je dat eigenlijk in jezelf. Want de kerk, dat zijn we zelf, toch? Diep in hun hart weten gemeenteleden wel dat het nooit de bedoeling van Jezus is geweest dat we alleen maar in onze eigen kringetjes ronddraaien. Als ze van zo’n initiatief als LINKT horen, zijn ze enthousiast en doen we niet te tevergeefs een beroep op hen om een handje uit te steken.

Toekomst

Wat moet LINKT worden? ‘Daar maak ik me geen concrete voorstellingen bij. Overdag, in mijn business, moet ik bezighouden met toekomstplannen en prognoses; dat is ook je verantwoordelijkheid voor je personeel. Maar bij LINKT doe ik dat principieel niet. Hier hoef ik alleen maar te bidden. We zien wel wat God op ons pad brengt. Hij zal voorzien. We houden onze hand op en zien wel hoe die gevuld wordt. Als LINKT in het komend jaar voor 1 persoon van grote betekenis blijkt te zijn, is het niet voor niets geweest.’ Met pretoogjes: ‘En als er 100 man komt, prachtig. Ook goed.’

 

 

KADERTEKST

Missionair werk in textielstad

Almelo is een oude textielstad. Het gemiddelde inkomen is laag. De stad kent een relatief grote populatie met een Turkse en Armeense achtergrond. In 2012 is ds. Catherinus Elsinga aangesteld als missionair predikant. Een paar dagen per week werkte hij voor wijkgemeente De Ontmoeting. Twee dagen legde hij zich toe op het ontwikkelen van missionair werk op stedelijk niveau. LINKT is te beschouwen als een vervolg op dat werk. Drie protestantse wijkgemeenten zijn betrokken bij het initiatief, dat sinds oktober 2017 officieel de status heeft van pioniersplek van de Protestantse Kerk in Nederland en de missionaire organisatie IZB.

LINKT richt zich op de brede doelgroep van 25-45 jaar. Veel inwoners uit die leeftijdscategorie staan nog wel geregistreerd in de kaartenbak van de kerk, maar zijn niet meer actief betrokken. Uit pastorale contacten blijkt dat bij een deel van hen wel openheid is voor gesprekken over het geloof.

Elsinga: ‘Bij de ontwikkeling van LINKT mobiliseren we het maatschappelijk netwerk van de leden van drie wijkgemeenten. In het pastoraat ontmoeten ambtsdragers randkerkelijken die gebaat kunnen zijn bij een laagdrempelige ontmoetingsplek als LINKT. Gemeenteleden kunnen mensen die ze kennen uit hun straat of buurt, erop attenderen. Het blijft pionierswerk, we zullen zien wat er op ons pad komt. Zo sprak ik bijvoorbeeld iemand die contact heeft met prostituées in de stad.  Ik was aangenaam verrast door de goede contacten met huisartsen, de welzijnsorganisaties en andere hulpverleners in de stad, die het initiatief warm verwelkomen. Mensen verblijven tegenwoordig relatief kort in het ziekenhuis; ze zijn blij dat ze hen dan kunnen wijzen op LINKT.’

Lees verder

Abortus: vrij kan zomaar vogelvrij worden

12-01-2018

Draag je je zwangerschap uit of laat je hem beëindigen? Vrouwen die voor deze keuze staan, worden vaak door voor- zowel als tegenstanders van abortus in de steek gelaten. Een pleidooi voor een echt kindvriendelijke samenleving.

Het leek een tijdlang rustiger te worden rond de abortusdiscussie. Ook voorstanders van de mogelijkheid erkenden de mogelijk traumatische gevolgen van abortus, en tegenstanders leken meer begrip te krijgen voor de penibele omstandigheden van ongewenst zwangere vrouwen. Voor euthanasie geldt toename van begrip bij christenen mogelijk nog meer - dat wil zeggen, daar waar euthanasie zich beperkt tot terminaal zieke patiënten.

Maar toen kwam de Mars voor het Leven van 9 december. Organisator was ‘Schreeuw om Leven’, bekend van acties als plastic foetussen op ware grootte en demonstraties bij abortusklinieken. Voorop liepen CU-voorman Gert-Jan Seegers en SGP-fractievoorzitter Kees van der Staaij.

Twitter ontplofte, zoals gebruikelijk. De reacties waren ongemeen fel en hard, zelfs voor onze uiterst gepolariseerde samenleving. Ongenuanceerd als Twitter is, werden voor het gemak alle christenen over één kam geschoren. Het was gefundenes Fressen voor iedereen die religie eerder vandaag dan morgen achter de voordeur ziet verdwijnen. Menigeen zag zijn eigen vrijheid alleen al aangetast doordat de Mars überhaupt plaatsvond.

 

Buikpijn

Toch zullen ook veel christenen een beetje buikpijn hebben gekregen van deze Mars voor het Leven. Dat begint al met het feit dat abortus en euthanasie onder één noemer worden gebracht, terwijl het toch echt verschillende onderwerpen zijn. Het maakt nogal verschil of je het leven van een terminaal zieke patiënt beëindigt waardoor deze enkele dagen of weken eerder sterft, of dat een ongeboren kind niet eens kan beginnen aan zijn of haar leven.

Daarbij is de prominente aanwezigheid van politici een complicerende factor. Zeker waar het de SGP betreft, zijn er nogal wat kanttekeningen te plaatsen. Deze partij had tot voor kort nog de doodstraf in zijn  programma staan. Daarnaast profileert de partij zich sterk als gezinspartij, waarbij gezin ook echt staat voor het traditionele gezin met een vader, een moeder en kinderen. Verder staat de SGP niet direct bekend als royaal met sociale voorzieningen, en daar zullen veel alleenstaande moeders toch regelmatig - en zeker voor een bepaalde periode - op aangewezen zijn.

De ChristenUnie heeft zo zijn  eigen imagoprobleem. De partij maakt op dit moment immers deel uit van een coalitie die geen goede reputatie heeft op het gebied van kindvriendelijke maatregelen. Zo is daar bijvoorbeeld het kinderpardon dat de onderhandelingen niet heeft overleefd. Het werd de partij als verwijt voor de voeten geworpen. Wel op de bres staan voor ongeboren kinderen, maar als ze er dan zijn moeten ze zich maar redden? Hypocriet!

Maar een alternatief bieden degenen die de christelijke partijen bekritiseren feitelijk niet. Want niet zelden betekent ‘je eigen keuze’ in de praktijk: ‘red je er maar mee’. Feministen hebben in deze discussie vanaf het begin al het standpunt ingenomen dat de vrouw beslist. Dat klinkt logisch, maar is tegelijkertijd ook heel kort door de bocht. Een foetus is immers  geen klompje cellen zonder meerwaarde. Versluierend taalgebruik als ‘zwangerschapsweefsel’ en ‘weghalen’ doet daar niets aan af. De praktijk is anders. Een gewenst zwangere vrouw spreekt al vanaf het begin van de zwangerschap over ‘mijn kind’. Ook vrouwen die een abortus ondergaan, beschrijven het niet zelden als een traumatische ervaring.

Waarom de discussie tussen voor- en tegenstanders dan toch zo vaak een gesprek is tussen doven, wordt deels verklaard door de botsing tussen twee grondrechten: die op leven en die op vrijheid. Tegenstanders van abortus hebben gelijk als ze claimen dat abortus strijdt met het recht op leven. Voorstanders hebben gelijk als ze de vrijheid van vrouwen verdedigen, zeker in het bredere kader van de geschiedenis waarin vrouwen op dit punt toch al zo vaak het onderspit delven.

Of vrouwen iets opschieten met deze patstelling is de vraag. Het wordt voor onwillige mannen nog makkelijker hun verantwoordelijkheid over de schutting van vrouwen te werpen. ‘Dan laat je het toch weghalen’, is niet zelden de reactie. ‘Het is jouw keuze’ klinkt schril als je als vrouw vanaf dat moment geacht wordt het zelf maar op te knappen. De verantwoordelijkheid voor onbedoelde zwangerschappen komt zo helemaal op het bordje van vrouwen te liggen. Draagt ze de zwangerschap uit, dan komt ze tal van problemen tegen. Ondergaat ze een abortus, dan draagt ze dat vaak haar leven lang met zich mee.

 

Isolement

In de discussies naar aanleiding van de Mars voor het Leven was voortdurend te horen dat vrouwen zich niet schuldig hoeven te voelen omdat ze over hun eigen lichaam mogen beslissen - ofwel dat het schuldgevoel een gevolg is van christelijke indoctrinatie. Maar zulke bezweringen helpen niet altijd. Op dit punt hebben kerken - juist die aan de meer orthodoxe kant - trouwens ook nog wel wat huiswerk te verrichten. Hoeveel ongewenst zwangere christelijke meisjes hebben een abortus ondergaan uit angst voor afwijzing en sociaal isolement?

Het zou goed zijn als christenen die zich achter de Mars voor het Leven scharen zich dringend beraden. Hoe behandelen zij onbedoeld zwangere vrouwen, en wat mag het de samenleving kosten aan hulp en begeleiding, ook als het kind er eenmaal is?

Inderdaad, de meeste vrouwen plegen niet zomaar een abortus. Maar in onze maatschappij worden mensen wel opgejaagd. Een studente van begin twintig moet stevig in haar schoenen staan om een kind en een studie te kunnen combineren. En niet zelden wordt geldgebrek als belangrijk motief voor een abortus opgevoerd. Daar zouden christelijke partijen weleens wat meer naar mogen kijken.

 

Ineke Evink

 

Ineke Evink is eindredacteur van CW Opinie

Lees verder

Herman Paul: 'Het hart is een arena vol verlangens'

11-01-2018

Voor veel christenen staat de secularisatie voor niets minder dan een verlieservaring. Maar er is een andere manier om tegen dit fenomeen aan te kijken, meent hoogleraar Secularisatiestudies Herman Paul. Zijn boek ‘De slag om het hart’ is een zoektocht naar de vraag waarom hij zelf zo’n geseculariseerde christen is, en een ode aan christelijke denkers die hem op een ander spoor zetten.

Het is een druilerige dag waarop ik afspreek met prof. dr. Herman Paul, die als historicus verbonden is aan de universiteit van Leiden en daarnaast één dag in de week in Groningen doceert. Hij ontvangt me op zijn werkkamer aan de Leidse Universiteit, die uitziet op een binnentuin die duidelijk met zorg is aangelegd: bomen met donkergroen blad wisselen af met struiken in diverse herfstkleuren. Zelfs op deze grauwe dag ademt de tuin schoonheid uit.

‘De slag om het hart’ is de titel van een nieuw boek van Paul, dat handelt over ‘secularisatie van verlangen’.

 

Wat heeft iets abstracts als secularisatie met concrete verlangens te maken?

“Het boek is eigenlijk uit twee vragen geboren. Hoe komt het dat ik zo’n geseculariseerde christen ben? Ik ga braaf naar de kerk, maar toch vraag ik me af hoe het komt dat ik bijvoorbeeld zo kan opgaan in mijn werk. Het boek is dus ook een persoonlijke zoektocht. Hoe kan ik begrijpen wat hier gebeurt?

Daarnaast had ik de meer wetenschappelijke vraag of secularisatie wel helemaal verklaard is door de cijfers van afnemend kerkbezoek. Cijfers maken het fenomeen voor sociologen meetbaar. Maar het zorgt ook ervoor dat veel verklaringen opvallend cognitief geladen zijn.  Alsof het vooral argumenten zijn die mensen ertoe brengen zich te laten uitschrijven uit de kerk. Dat geeft veel gewicht aan de opvattingen van mensen. Maar ik wil het vraagstuk graag breder benaderen. De mens is immers ook een verlangend wezen.”

 

Secularisatie wordt door gelovigen vaak als een bedreiging gezien, een soort monster dat je kinderen opslurpt als ze niet meer naar de kerk gaan, bijvoorbeeld. Waarom heeft het woord zo’n negatieve gevoelslading?

“Dat heeft het niet altijd voor iedereen gehad. Het werd in bijvoorbeeld de jaren zestig ook wel als een kans gezien door vrijzinnige theologen. Sommigen zagen het als winst en verlies tegelijkertijd. Maar in het algemene kerkelijke taalgebruik is secularisatie inderdaad altijd heel negatief geladen geweest. Het staat toch voor gebouwen die worden gesloopt, voor ouders die zien dat hun kinderen niet meer naar de kerk gaan. Het is een soort codewoord voor verlies en verdriet. Het woord helpt om verlieservaringen te benoemen. Secularisatie is dus niet alleen een historisch, maar ook een psychologisch geladen begrip.”

 

U zegt ergens in uw boek: secularisatie is geen onomkeerbaar proces, maar het is inzet van strijd. Hoe bedoelt u dat?

 “Ik probeer aan te sluiten bij godsdienstsociologen als Smith en Gorski, die bezwaren hebben tegen een heel massief secularisatiebegrip, alsof het een anonieme kracht zou zijn. Dat is voor sociologen en ook voor historici heel onbevredigend. Bij Smith gaat het om de secularisatie van de publieke ruimte. Wat is de plek van religie daarin? In de rechtspraak en de politiek is daar voortdurend strijd over: denk aan het privilege om kerkklokken te mogen luiden, om eigen christelijke scholen te hebben. Die strijd is overigens niet lineair, maar kent altijd verrassende wendingen.

Deze sociologen hebben het over de publieke ruimte, maar hun model van secularisatie pas ik in mijn boek toe op het innerlijk. Het hart is een arena waarin verlangens voortdurend met elkaar botsen. De titel van mijn boek, ‘De slag om het hart’ is ontleend aan de Franse tragediedichter Jean Racine, die het heeft over twee mannen die strijd voeren in zijn binnenste. Die secularisatie als strijd in het hart kent evenmin een lineair verloop als de strijd in de publieke ruimte, en het is ook niet een onomkeerbaar proces.”

 

Hoe moet je die strijd dan voeren? De manier waarop evangelische christenen de afgelopen decennia de strijd aanbonden tegen bijvoorbeeld abortus, roept bij mijn generatie geen strijdlust, maar juist schaamte op.

“De strijd zoals ik die voor mij zie, vindt ook niet plaats met spandoeken voor het parlement. Het belangrijkste verschil is: wij zijn niet één van de strijdende partijen, maar we zijn inzet van de strijd. Denk maar aan de voorstelling zoals je die ziet op middeleeuwse retabels, waarop mensenlevens heen en weer getrokken worden tussen een engel en een duivel. Ik merk dat er van verschillende kanten aan mij getrokken wordt.

Misschien is het moderne gezinsleven een goed voorbeeld. Ik heb twee jonge kinderen, en als jonge ouder word je direct bestookt met kraampakketten. Je wordt ook nog eens omringd door andere jonge ouders die allemaal fungeren als een spiegel. De Prenatal roept je toe: als ouders wil je toch het beste voor je kind? Koop dan deze wandelwagen van 1.200 euro!

Er wordt daarbij voortdurend geappelleerd aan ongebroken geluk. Overal zie je stralende babyfoto’s, die natuurlijk een onrealistisch beeld geven van de werkelijkheid. Je wordt kortom geconfronteerd met je eigen onzekerheid, je spiegelt je aan anderen, en dat wringt voor mij met het zingen van de lofzang op zondagochtend in de kerk. Dat is een ander soort geluk dan de idylle die te realiseren is met de juiste spullen.”

 

De Britse theoloog David F. Ford noemt het moderne leven ‘overwhelming’ oftewel overstelpend, schrijft u in uw boek.

“Ford kiest als beginpunt van zijn theologie de ervaring van overweldigd zijn, bijvoorbeeld door de geboorte van een kind. Je kunt ook juist overweldigd zijn door de druk die op je schouders rust door je werk of  door zorg voor anderen. Het gaat hem hoe dan ook om momenten waarop we naar adem happen. Zijn vraag daarbij is: heeft dat iets te maken met God, die immers overstelpend goed is? Vaak zijn we geneigd om zulke ervaringen met rationele wapens te lijf te gaan: maak de juiste keuzes, neem afstand. Maar als iets echt je leven overstroomt, gaat dat niet werken. Ford pleit er daarom voor om niet te proberen zulke ervaringen klein te maken, maar juist de vraag te stellen of God er iets mee te maken heeft. Als God zo veel groter is dan wij denken, dan kunnen daardoor al die andere overweldigende dingen ook op hun plaats vallen.

Bernd Wannenwetsch, een Duitse theoloog die ik erg waardeer, zegt iets dergelijks ook. Een groot verlangen krijg je niet klein door ertegenin te preken. Als iemand bijvoorbeeld single is en dat graag anders zou zien, helpt het niet om te wijzen op de flexibiliteit die het single-zijn met zich meebrengt. Wat wel helpt, is het voeden van een groter verlangen. Dus niet door te preken, maar door een sterker verlangen te voeden, kan het andere verlangen op z’n plek worden gezet. Dat neemt de kracht van verlangens serieus en dat helpt het ook om je leven richting te geven – om het op God te richten en om de secularisatie van verlangen te weerstaan.”

 

In uw boek confronteert u ook de denkbeelden van twee andere prominente theologen, Stanley Hauerwas en Rowan Williams met elkaar. Op welk punt raken zij elkaar?

“Ze staan voor totaal verschillende stijlen van theologie bedrijven, maar beiden hebben een grote gevoeligheid voor de subjectpositie van de mens. Als je zegt ‘We moeten een dam opwerpen tegen secularisatie’, wat zeg je dan over je eigen positie? Ben je dan groot genoeg om dat te doen? Kun je er wel wat aan doen? Om bij het voorbeeld van die babyreclame te blijven: die gaat ervanuit dat jij als ouder je kind het geluk kunt geven. Die suggestie van maakbaarheid, gecombineerd met de neiging tot beheersen, dat vinden Hauerwas en Williams allebei heel problematisch.

Williams en Hauerwas doen een oproep tot ‘living out of control’, en dat betekent niet zozeer een afhankelijkheidsgevoel van God, als wel een besef dat Gods handelen belangrijker is dan dat van mensen. In dat licht kan het zinvoller zijn om als reactie op terreur in de kerk bijeen te komen en psalm 91 te zingen, over de schuilplaats van de Allerhoogste, dan een petitie in te dienen voor deze of gene maatregel.”

 

Het vraagt wel veel vertrouwen van mensen om de controle over hun leven uit handen te geven, zoals Hauerwas en Williams bepleiten.

“Dat is ook niet iets wat je per decreet kunt regelen. Het vraagt een leerschool om stapje voor stapje te leren vertrouwen. Hoe moeilijk dat is, kun je zien aan wat bijvoorbeeld ziekte doet met mensen. Ziek zijn is bij uitstek iets wat je in je greep kan proberen te krijgen. De verleiding is groot om in allerlei databases op internet te kijken wat de statistische kans is op verslechtering of herhaling. Dat is een natuurlijke neiging die ik ook zelf herken.

Maar misschien is er ook een andere manier van leven mogelijk en kan die door de kerk gestimuleerd worden. Niet: hoe kan ik grip krijgen op mijn ziekte, maar: hoe kan ik groeien door mijn ziek-zijn? Hoe kan ik daardoor leren, bijvoorbeeld, om anders met mensen om me heen om te gaan? Dat bedoel ik niet als een lesje leren. Ik denk bijvoorbeeld aan de plek die ziekte inneemt in een gebedenboek als The Book of Common Prayer. Daarin gaat het veel meer om leven met ziekte dan om het uitbannen ervan.”

 

In uw boek gaat het ook over discipelschap als manier van omgaan met angst voor de toekomst. Op welke manier stimuleert onze maatschappij gevoelens van angst?

“Ik denk dat die stimulans er zeker is. Vooral in economische zin wordt de angst voor tekort gecultiveerd. En als we continu worden opgeroepen tot het maximaliseren van geluk en status, dan is concurrentie bedreigend. Zo zullen we muurtjes blijven bouwen, elkaar blijven wantrouwen. Want de economie van het tekort is een verhaal voor winnaars, dat de rest als verliezers achterlaat.

De cultuur kan daarin ook een bedreiging zijn voor kerken die krimpen. Als maximaliseren de norm is, zullen we slecht kunnen omgaan met verlies. Het is natuurlijk verschrikkelijk verdrietig als een kerk krimpt van 500 leden naar 50 leden. Maar er kunnen daardoor ook vensters opengaan, je kunt in een andere relatie tot God komen te staan. Daarom is die thematiek van verdriet in relatie tot secularisatie, waar ons gesprek mee begon, ook zo belangrijk. Want ook bij verdriet speelt de vraag: hoe kunnen we verder? Theologen als Ford en Williams helpen mij om die vraag te beantwoorden.”

 

Wat heeft dit boek u zelf geleerd over het verband tussen verlangen en geloof?

“Ik ben aangenaam verrast door de prominente plek die verlangen inneemt in de christelijke traditie. Niet alleen bij Augustinus, die in mijn boek voortdurend opduikt. Ik heb bijvoorbeeld pas de Regel van Benedictus herlezen, en daarin gaat het ook constant over verlangen. Het is dus al een heel oud thema, en niet alleen iets voor de ‘economy of desire’ waarin we nu leven.  In de Middeleeuwen is er veel over geschreven, en al is dat natuurlijk niet allemaal een-op-een over te nemen, maar het zijn wel stemmen die ik belangrijk vind omdat ze kritische vragen stellen over de wijze waarop onze verlangens gemanipuleerd worden. Hoe werken dat soort mechanismes? Daar zou ik nog weleens dieper op in willen gaan. René Girard heeft laten zien dat we elkaar imiteren in onze verlangens. Maar een fenomeen als reclame verdient ook een genuanceerde blik: mensen zijn vaak heel goed in staat om zich voor het bombardement aan prikkels af te sluiten. Hoe werkt dat? Met die confrontatie van de ‘morele economie’ met premoderne denkers hoop ik nog een poosje door te kunnen gaan.”

Nels Fahner

Herman Paul, De slag om het hart. Over secularisatie van verlangen. Uitg. Boekencentrum, 16,99 euro

Lees verder