CW Opinie - Hét christelijke opinieblad

CW Opinie houdt u betrokken bij kerkelijk en christelijk Nederland. Maar ook bij Nederlandse christenen die actief zijn in het buitenland. Iedere twee weken actuele verhalen, achtergronden, interviews, columns, boekbesprekingen en nog veel meer. Lezers van CW Opinie zijn meelevende christenen uit nagenoeg alle protestantse kerken.

content image

 

Speciale aanbieding
voor nieuwe lezers!

 

content image

Deze editie

Leven tussen Hooglied en #MeToo

De onthullingen over seksueel misbruik in de kerk, de sport en jeugdinstellingen hebben nieuw besef gegeven van hoe kwetsbaar we zijn in de seksualiteit. Wat valt hier vanuit theologisch perspectief over te zeggen? Deze ingekorte dieslezing van de PThU doet een aanzet.

tekst Heleen Zorgdrager

De discussie rond macht en seksueel misbruik vraagt om een bredere analyse, ook een theologische. Ik onderscheid vier grote sociaal-culturele veranderingen en spanningsvelden die om een nieuwe theologische doordenking vragen: 1) liefde en seks in tijden van Tinder, 2) het vormgeven van liefde en intimiteit in nieuwe relatiemodellen, 3) de onverwerkte erfenis van de seksuele revolutie, en 4) nieuwe gevoeligheid voor de verbinding van macht en seksueel misbruik.

Lees verder 

Eerdere verschenen artikelen

Een spoor van licht

25-01-2019

“Hé, ik brand even een kaarsje in de Martinikerk en dan bel ik je zo terug, goed?”, zegt een jonge vrouw tegen het scherm van haar telefoon dat oplicht tegen haar wang.

tekst Pieter Versloot, beeld Dieneke van der Wouden

De jonge vrouw  loopt gehaast met een kaarsje over de klinkers die glinsteren van de regen naar de enorme deur van de Groningse Martini. Ze heeft het kaarsje op straat aangeboden gekregen van Spoor van Licht-medewerkers.
Binnen vindt ze een spoor van kaarsjes dat haar naar het hoogkoor leidt. Op de stenen trappen zet ze een kaars tussen de 130 kaarsen die er al staan.
Van de andere kant van de kerk klinkt zachte orgelmuziek verzorgd door Sietze de Vries. Hij speelt Nun komm der Heiden Heiland van Bach. Bij de kaarsjes staan schalen met gebedskaartjes, die ze mee kan nemen.
Een vertakking van het spoor leidt naar een rustige plek in de kerk, waar ze een gesprek kan voeren met een pastor, die voor haar kan bidden of haar een zegen mee kan geven. Er hangt een serene sfeer in de kerk. Sommige mensen blijven een uur in het veilige donker van het hoogkoor zitten met alleen de muziek, het licht en rustig gespetter van de kaarsen. Anderen branden een kaars en gaan weer naar buiten. Anderen dwalen door de donkere kerk.

Liturgie en apostolaat
Uiteindelijk branden er op deze zesde december ruim 300 kaarsen in het hoogkoor, aangestoken door mensen met volle boodschappentassen, oud en jong, gelovig en ongelovig, onbevangen en zichtbaar gehavend door verdriet. Hier vonden liturgie en apostolaat elkaar.
De apostel Paulus verbindt die twee in Romeinen 15:16 en Filippenzen 2:17. Claiborne, Wilson-Hartgrove en Okoro verwoorden het als volgt in Common Prayer: ‘The liturgy like the feast, exists not to educate but to seduce people into participating in common activity of the highest order, where one is freed to learn things which cannot be taught.’
Een jonge vrouw met een smartphone ervoer even door een kleine kaars dingen 'which cannot be taught'.

Ds. Pieter Versloot, missionair predikant IZB, Groningen.  

‘Spoor van Licht’ is een interkerkelijk initiatief in Groningen. Het concept is overgenomen van de Dom in Utrecht. Die nam het vier jaar geleden over van de Dom in Keulen.
Zoals de ene kaars de ander aansteekt. Het is een terugkerend evenement dat schittert van eenvoud. Kaarsen, live muziek op de achtergrond, de mogelijkheid tot het vragen van gebed en een
afsluiting met een kort avondgebed.

Voor meer informatie: www.spoorvanlicht.nl

Lees verder

Hoop is dat de tijd als een elastiekje wordt uitgerekt

11-01-2019

Over christelijke hoop en de toekomst. Advent is de tijd van verwachting, van afwachten en de tijd nemen, van vertraging. Wij leven alleen in het nu, en met onze herinneringen. Maar hoop strekt zich uit naar de toekomst. Hoop maakt de tijd rekbaar. Het centrum van de tijd is de geboorte van Jezus.

tekst Hans Schaeffer, beeld Pexels

Het zou wel eens kunnen dat hij ook gewelddadig was, hadden ze gezegd. Maar er was altijd iemand bij de eerste keer, dus er kon eigenlijk niets gebeuren. Hij zat voor een geweldsdelict maar zou binnenkort vrijkomen. Toen ik naar de instelling voor forensische psychiatrie toereed kon ik enige spanning niet onderdrukken. Wie zou ik aantreffen? Hoe zou zo’n eerste gesprek gaan?

Het viel allemaal enorm mee. De kamer was een gewone kamer, het personeel was vriendelijk en hij zelf was erg toegankelijk. Hij was vaag-katholiek opgegroeid. Ooit had hij van een predikant een bijbelcursus gekregen. 

Nadat hij in mijn omgeving was overgeplaatst zocht hij contact met een predikant om over het geloof door te spreken. Ik dacht dat ik vooral veel moest vertellen. Maar - zoals zo vaak in goede pastorale relaties - ik mocht vooral luisteren. 

In de loop van de jaren is hij een vriend geworden. Hij leert mij zo veel. Zeker, hij moet behoorlijk wat medicijnen gebruiken om de stemmen wat te onderdrukken. Maar wat hij ziet en hoort is soms zo waardevol en bemoedigend. Ontmoetingen zijn nooit erg lang. Een uur is genoeg. Gesprekken gaan vaak ook over hetzelfde. Maar hij heeft altijd tijd. En hij is ook altijd optimistisch met een geweldig gevoel voor humor. 

Ik mag ontvangen, de dingen van ons beider leven ineens in een ander perspectief zien. Zulke ontmoetingen zijn een ruimte waarin ik tot rust en op krachten kom. 

Fictie
In zijn boek Becoming Friends with Time (2016) geeft John Swinton aan hoe belangrijk juist dergelijke ontmoetingen zijn voor ons. Het leven wordt vaak letterlijk geregeerd door een economisch-meetbare tijdsbeleving. Het structureert onze dag, tijd is een agenda die vertelt wat wij moeten doen. Tijd lijkt tastbaar en meetbaar maar dat blijkt zich uiteindelijk toch een fictie. 

In ontmoetingen met anderen en zeker ook met mensen van wie wij zeggen dat ze leven ‘met een beperking’ blijkt tijd echter iets heel anders te zijn. Tijd wordt een ruimte om in te verwijlen. Tijd is het stappen uit de dingen die gedaan moeten worden in de ruimte van het ontvangen. 

En toch is Jezus naar de wereld gekomen om de tijd te transformeren. Jezus roept ons tot vertraging, de tijd nemen, te leren hoe vreemd het is om te leven in Gods tijd. Hij roept ons om geduldig te zijn, liefdevol. Om de tijd te nemen voor wie onze samenleving dreigt achter te laten. 

Gods tijd betekent wonderlijk genoeg het verenigen van snelheid en traagheid. Zoals de apostel schrijft: “De Heer is niet traag met het nakomen van zijn belofte, zoals sommigen menen; hij heeft alleen maar geduld met u, omdat hij wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat” (2 Petrus 3:9). 

 

De tijd heeft een centrum
Het geduld van God kent een enorme versnelling en voortgang die gepaard kan gaan met het nemen van de tijd. Of, nog sterker, alleen dankzij de enorme drijfveer van het evangelie van Gods nieuwe toekomst die met kracht inbreekt in deze werkelijkheid, worden de mogelijkheden geschapen om daadwerkelijk gericht te zijn op de wereld en de mensen om ons heen. 

Want Gods nieuwe Koninkrijk betekent hoop. De tijd krijgt richting en zin en doel. Juist omdat dit leven niet het een en het al meer is, maar er hoop is op een toekomst waarin tranen van onze ogen zullen worden afgewist. 

Deze hoop is bovendien iets dat ons geschonken wordt. We kunnen zelf geen hoop maken of uitvinden. Hoop is iets dat je ontvangt. Bij het evangelie van kerst en advent, die periode waarin we toeleven naar en terugdenken aan de komst van Christus Jezus, kan blijken hoezeer hoop de tijd van kleur doet verschieten. 

Want in de Adventstijd, verwachtingstijd in de richting van Kerst maar daaroverheen ook naar het herstel van alle dingen als de Heer terugkomt, blijkt de tijd een centrum te hebben. Toen en daar is het heil aan ons geschied. 

Het evangelie van Kerst is ook dat God de eeuwigheid in de tijd inbrengt. De Duits-lutherse theoloog Oswald Bayer spreekt in dit verband over de ‘vervlechting van de tijden’ (Verschränkung der Zeiten). 

In Christus verbinden verleden, heden en toekomst zich, verdichten ze zich tot dat ene centrum, die Persoon en die tijd waarin in zekere zin alles gebeurd is wat gebeuren kan. Verbonden aan Jezus kunnen wij iets van die vervlechting mee ervaren. 

De kerk speelt hierbij een bijzondere, ‘bemiddelende’ rol. Niet dat de kerk, de priester of de dominee een exclusieve macht bezitten om aan jou wel en een ander niet het heil te bedienen. Maar in de zin dat ze een manier vindt om deze unieke hoop te verklanken, te verbeelden, te verwoorden. 

De kerk die met haar liturgie de ruimte biedt voor ontmoetingen die de tijd vertragen en verdichten, en tegelijk hoop biedt. Advent en Kerst zijn momenten waarin ik ervaar: het heden, het nu, het ogenblik is een tijd van genade. Tijd om thuis te zijn, druk en drukte achter mij te laten. Of beter: de druk mee te nemen en te brengen bij God zelf. 

 

Nostalgie
Ik ben ergens een heel romantisch jongetje. Een kerstboom met lichtjes roept bij mij de herinnering en het verlangen op naar een eindeloze kerstvakantie met boeken, rust, gezelligheid. 

Nu ik zelf onze kerstboom optuig en de boodschappen moet doen kan die nostalgie gemakkelijk alleen maar illusoir lijken. Toch hoeft dat niet. De laatste jaren gebruik ik de lange periodes van het kerkelijk jaar richting Kerst en Pasen steeds meer als voorbereiding. 

Tijd om langzaam iets van rust, verlangen en hoop terug te winnen. Niet alleen gestrest die ellendige snoeren met lampjes uit elkaar trekken, maar samen als gezin een ritueel voltrekken. Met als klein hoogtepunt: het kleine glazen kerststalletje als laatste in de boom hangen. Op een plek waar die goed zichtbaar is. 

Niet alleen om uit het jachtige heden vertederd terug te denken aan het voorgoed verloren paradijs van kinderlijke rust. Maar vooral om te beseffen: daar en toen is de wereld veranderd. En wat er toen gebeurde, kleurt mijn toekomst.

 

Elastiekje
“Hoop,” zei Oswald Bayer eens in een Tübinger collegezaal, “is dat de tijd als een elastiekje wordt uitgerekt.” Het is nog steeds hetzelfde heden. Met alles wat er speelt, mij beangstigt of zorgen baart, vertedert of mij kan vergenoegen. Maar dat heden wordt opgerekt, op spanning gebracht, zodat het gaat leven en groeien. 

Het heden kan zich gerust en hoopvol uitstrekken naar de toekomst. Een leven dat niet ik hoef te maken, maar dat mij geschonken wordt. Naar de toekomst waarin de Heer zelf zijn energie besteedt aan het herstel van wat hier gebroken en geschonden is. Vanuit de toekomst leven, leerde Jürgen Moltmann ons al decennia geleden. 

 

Omkering
Hoop is de omkering van ons eigen perspectief. Hoop rekt het heden uit tot aan de toekomst, verknoopt en verweeft het heden met de toekomst. Het heden wordt een ‘verbeiden onverpoosd’ (Lb 437). Doordat het tegelijk terugbindt aan dat ene heil dat ooit reddend verscheen. 

Het is een vervlechting der tijden waarover wellicht het beste in poëzie en lied gedacht kan worden. Het is opvallend hoe juist advents-, kerst- en paasliederen taal vinden om te belichamen hoe krachtig zo’n vervlechting ons hoop kan bieden. 

‘Op U, mijn Heiland, blijf ik hopen. … Ik wil in ootmoed U ontvangen’ (Lb 442). Hier worden Advent en Kerst in het heden toegeëigend. Hoop rekt het heden uit tot aan de toekomst, en vertraagt het heden tot een ruimte van ontmoeting en genade. De ontmoetingen en telefoongesprekken met mijn vriend zijn zulke ruimtes. De liturgie wil ook zo’n ruimte zijn van geduld en luisteren en ontvangen. 

Ik hoop dat ik met Kerst de ruimte van deze hoop weer mag ervaren. Ik hoop dat ik daarvoor de tijd zal hebben.

 

Dr. J.H.F. Schaeffer is universitair docent Praktische Theologie aan de Theologische Universiteit Kampen en hoofd onderzoek van het Praktijkcentrum (www.praktijkcentrum.org). 

 

Lees verder

Oeds Blok: 'Het is een mooie tijd voor theologen'

07-12-2018

CW onderzoekt de valkuilen en mogelijkheden voor de toekomst in een serie interviews over 'de nieuwe dominee'. Vandaag deel 4: Is de dominee de religieus specialist of zijn gemeenteleden dat zelf? Docent gemeenteopbouw en coach Oeds Blok pleit ervoor dat predikanten verantwoordelijkheden uit handen geven. Voor henzelf blijft genoeg over, zoals toerusten en richting geven.

Oeds Blok is initiatiefnemer van Urban Expression, een beweging van buurtkerken in Nederland, die ontstaan is uit contacten met pioniersgemeenschappen in Engeland. Hij was veertien jaar  voorganger van de Baptistengemeente Amersfoort en besloot in 2012 om een buurtkerk op te richten in zijn eigen wijk Soesterkwartier.

Als ik hem tref in zijn huis in Amersfoort vertelt hij over de omslag die hij maakte en de inzichten die hij opdeed in het werken binnen en buiten de kerk.

De dominee is in het traditionele model vaak de ‘religieuze specialist’ schreef Blok ooit eens in een artikel, waarin hij reageerde op verschillende eerdere artikelen over het ambt.  

“De term is van de theoloog Yoder, en het gaat om de vraag: wie heeft de verantwoordelijkheid voor de kerk? Is dat het gemeentelid of de dominee of samen? Als je bij veel dingen zegt ‘daar hebben we de dominee voor’, want dat is degene die betaald wordt, dan loop je de kans dat die te veel gaat doen en dat hij of zij daarmee juist verantwoordelijkheid weghoudt bij anderen.”

Er is ook een psychologische factor, meent Blok. “Het kan zijn dat een dominee te veel doet omdat hij graag aardig gevonden wil worden. Daar zit iets van onvrijheid in. Als je een bepaald emotioneel tekort hebt ervaren, dan kan het fijn zijn om dat aan te vullen met de bevestiging die je krijgt uit het gemeentewerk.”

En voor gemeenteleden kan het ook makkelijk zijn om veel aan de dominee over te laten. “Die dominee belichaamt dan voor gemeenteleden een ideaal, wat ze vervolgens zelf niet hoeven te zijn. In feite is het een ongezond contract.”

Het vergt daarom moed om Bijbelse inzichten opnieuw toe te passen, meent Blok. “Dat betekent dat het gemeentelid ook weer een actieve speler is in het geheel.”

De insteek van deze interviewserie, namelijk de eenzaamheid bij predikanten, is volgens Blok een actueel punt. “Het kan ook eenzaam worden, inderdaad. De dominee zorgt dan voor iedereen, behalve voor zichzelf. De vraag is: hoe kunnen we dat weer ontvlechten?”

Die verkeerde benadering zat ook in hemzelf, merkte hij. “Toen ik onbetaald in de buurtkerk aan de slag ging, ontdekte ik dat die oude voorgangersrol nog in me zat. Ik bereidde een viering voor en legde mijn ideeën voor aan anderen. Toen zei één van hen: je hebt goede ideeën, maar je wilde toch geen voorganger meer zijn? Dat was heel vriendelijk gezegd, en voor mij was dat een belangrijk keerpunt.”

 

Gastheer

Blok ging zijn eigen rol radicaal anders invullen, waardoor er veel meer ruimte kwam voor anderen om ook hun inbreng te hebben. En ruimte voor zichzelf om daarvan te genieten. “Ik heb wel de gave om de leiding te nemen. Maar het doel daarvan is om anderen verantwoordelijkheid te geven, en ook kansen te geven om te falen. En ik zag dat gemeenteleden heel veel zelf bleken te kunnen. De Bijbel opendoen en een getuigenis geven, bijvoorbeeld. Dat sloeg heel goed aan, hier in de buurt.”

Bij een dienst over de schepping stuiterde een skippybal de zaal binnen – symbool voor de aarde, die vervolgens werd beplakt met de werelddelen. Ideetje van een gemeentelid.  “Dat vond ik prachtig. Dat deed met mij iets heel goeds. Ik ben er bij, en ik kan ruimte geven. Ik neem als leider de rol van gastvrouw of gastheer. Dat biedt ruimte.”

De rol van een dominee in deze tijd ligt voor een deel in toerusting, denkt Blok. “Ik maak nu handleidingen voor vieringen. Een praatje van vijf of tien minuten, hoe doe je dat? Je pakt bijvoorbeeld iets uit het dagelijks leven, en dan vertel je iets uit de Bijbel, je deelt een voorbeeld van jezelf en geeft één heldere boodschap mee. Klaar. Mensen blijken dat prima zelf ook te kunnen. Nu is onze kerk ook een kleine kerk. In een grote kerk werkt het anders. Maar dit kun je in verschillende schaalgroottes toepassen. Het zijn allemaal manieren om verantwoordelijkheid aan gemeenteleden te geven, ze vertrouwen te geven en ze ook aan te spreken. Zodat ze in hun geloof in een actieve stand zijn: wat ga je zelf doen?”

 

Repertoire

Voor Blok is dus niet de voorganger de ‘religieus specialist’ maar is het precies andersom: dat zijn de gemeenteleden. “De dominee staat in het traditionele model grotendeels buiten het dagelijks leven in de wereld. Dat is echt een probleem. De gemeenteleden zijn echt wel ingewijd in het evangelie, hoor. De dominee heeft hen juist nodig.”

Blok: “Ik ging, toen ik nog dominee was, wel met gemeenteleden mee naar hun werk. Daar zag ik dat zij hartstikke serieus bezig zijn met het geloof. Ik merkte weleens dat sommige collega’s wat dat betreft heel negatief naar hun gemeenteleden keken. Daar schrok ik van.”

In de tijd dat hij afscheid aan het nemen was van zijn gemeente, hield hij een keer tijdens het gebed zijn ogen open. “Toen ik ze zag bidden, besefte ik dat er zo veel geloof was bij mijn gemeenteleden, dat ik het gerust los kon laten.”

Blok gelooft dus niet in de dominee als religieus specialist. Maar wat is dan de meerwaarde van een academisch opgeleide predikant?

“Mensen zijn in het dagelijks leven in dialoog met wat zij meemaken in hun werk. De dominee kan in die dialoog zijn plek innemen. Hij kan improviseren met, zoals ik het noem, de grondakkoorden van het koninkrijk van God. Als academisch opgeleide dominee heb je een enorm repertoire. De Bijbelverhalen kun je telkens opnieuw vertellen: wat jij meemaakt, was toen ook al aan de hand. Het verhaal wordt dan een stem in het heden.”

De stem van de dominee is vanouds ook een stem met gezag, van hogerhand. In hoeverre blijft dat overeind?

“Het is belangrijk dat een dominee wordt ingezegend. Dat betekent dat de gemeente iemands gezag ook erkent. Dat kan een bevrijding zijn van het idee dat je als ‘religieus specialist’ aan de slag moet. Je bent gezonden. Het is niet de bedoeling dat je iedereen te vriend houdt. Je kunt mensen richting geven en helpen op hun zoektocht naar een zinvol leven. Er is zo veel richtingloosheid. Waar is dan die stem die je kunt vertrouwen? Daar is enorme behoefte aan in deze wereld: die herdersrol, die profetische stem.”


Cowboys

Het woord ‘ambt’ heeft een wat stoffig imago. Maar het ambt kan ons juist helpen, meent Blok. “Het is de wetenschap dat God achter je staat. Dat is een bron die nooit dicht gaat. Het is het innerlijk vuur dat je krijgt. Dat is je roeping.”

Blok hecht daarom ook sterk aan het moment van inzegening. “Voor mij zit daar veel emotie achter, dat voel ik ook nu we erover praten. We waren op een gegeven moment een paar jaar bezig in de buurtkerk, toen ik sterk de behoefte voelde om toch ingezegend te worden in bijzondere dienst van de Baptistengemeente waar ik mee verbonden ben. De handoplegging is ook heel concreet. Die handen geven aan dat de gemeenschap achter je staat. Het is dus niet jouw eigen onderneming.”

Bij pioniersplekken krijgen ambten vaak geen duidelijke vorm. “Er wordt vaak gesproken in termen van ‘project’ en leidinggevenden zijn ‘teamleider’ of iets dergelijks. Ik zou liever hebben dat men vaker aansloot bij het Nieuwe Testament. Zoals Paulus ook schrijft aan Timotheüs: denk terug aan het moment dat je ingezegend werd.”

In Engeland doen ze dat heel goed, vindt Blok. “Daar zijn er veel lekenpioniers actief in de Anglicaanse kerk. Dat zijn vaak mensen van de straat die gewoon doen wat ze geloven. Zij worden ingezegend, en de bisschop doet dat zelf. Zij voelen dus dat ze gezegend zijn. Pioniers staan vaak nog alleen, om allerlei redenen. Maar zo kun je ze omarmen als kerk.”

Er zijn veel praktijken uit het Nieuwe Testament, zoals inzegening en handoplegging die bruikbaar zijn, meent Blok. “Er is veel ruimte van de Geest om ons de wind in de zeilen te blazen. Pioniers zijn geen lonely cowboys. Als ze dat wel worden, zijn ze snel in gevaar.”

Inzegenen is niet een eenmalig iets. “Je zegt ermee: het is God die achter je staat, maar ook wij als gemeenschap. Dat betekent dat je iemand daarna niet in de steek laat. Dat kan heel eenvoudig zijn: je maakt een afspraak om elkaar jaarlijks te spreken. Je kunt in ieder geval niet iemand inzegenen en vervolgens zeggen: tot ziens. Maar als dat contact er eenmaal is tussen pioniers en bestaande kerken, en het loopt, zul je ook zien dat het energie geeft. Dan zit er leven in, dan zijn mensen elkaar daadwerkelijk tot een hand en een voet, dan is het lichaam in beweging. Dan mag je tevreden zijn, met alle mitsen en maren die er ook zijn.”

 

Geschenk

Deze serie ging tot nu toe over ‘de nieuwe dominee’. Maar wat voor gemeente is er nu nodig?

“Een gemeente die de kunst van het ontvangen kent. In de Bijbel gaat het om ontvangen, maar wij draaien dat vaak om en denken dat de kerk bestaat uit gevers. Maar de kerk was er al voordat wij er waren. Dat vraagt van kerkleden dat ze elke dag als een geschenk aan kunnen nemen, en dat ook de kinderen kunnen bijbrengen.”

We ontvangen veel van God, maar ook van de wereld. “Wij zijn niet de redder van de wereld. Dat is God. Wij zijn mede-ontvangers. De ander is ook beeld van God. Dan komt er ruimte voor de kerk om te ontvangen op de plaats waar je bent en dan krijg je oog voor hoe God daarin werkt. Het gaat dus om openstaan voor verrassingen.”

Blok: “Het moet ook een kerk zijn die praktijken heeft om ruimte te maken voor God. En om voorbeelden te zijn voor de nieuwe generatie. En wat kunnen we ontvangen van de nieuwe generatie?”

Die ontvangende kerk is ook voor de dominee goed nieuws, meent Blok. “De dominee is nu vaak alleen maar aan het geven. Maar een gemeente die de tijd neemt voor vriendschappen, die kiest voor bronnen van ontvangen, is ook voor de dominee een goed thuis. Het gaat dan bijvoorbeeld om het delen van hobby’s, zodat je samen kunt ontvangen in de gemeenschap. Daar is heel veel behoefte aan.”

Ook in een pionierssetting is er nog altijd behoefte aan een academisch opgeleide predikant, denkt Blok. “Maar het werkt alleen als de dominee zelf ook veel ruimte neemt en krijgt om zich te laten zien in de wereld. Want om de boodschap te kunnen brengen is er veel interactie nodig. Dat is een probleem, tenminste dat was het voor mij toen ik nog voorganger was. Mijn hele agenda zat vol met afspraken met kerkmensen. Ik wist niet hoe ik dat kon veranderen.”

Want je moet de straat op, zegt Blok. “Raps luisteren, een cd van Anouk kopen. Daar moet je van houden – tenminste, als je dat niet kunt, als je daar geen hart voor hebt, kun je die hoge functie van gids niet hebben. Dat is heel existentieel. Een academisch theoloog moet echt wel zichzelf ontledigen en kunnen zien wat er voor schoonheid is in ellende. Dat heeft veel vertrouwen nodig en tijd. Eerlijk gezegd was dat voor mij de reden om afscheid te nemen van mijn gemeente. Mijn sociale agenda zat vol en ik wist niet hoe ik dat kon veranderen.”

 

Disharmonie

Dat vraagt van gemeenteleden ook het besef dat zij hun dominee moeten delen met de wereld. ‘Een gemeente moet ook weten dat de dominee, als hij met iemand aan het koffiedrinken is, in het koninkrijk bezig is. Want dat is wat een theoloog in huis heeft: die kennis van de grondakkoorden van het koninkrijk. Hij brengt die in, in de akkoorden van de straat. Waar zit dan de harmonie en de disharmonie? De taak van de theoloog is ook om die disharmonie te laten horen. Abraham Kuyper had Pietje Baltus, een gewone vrouw, om zijn theologische ideeën aan te toetsen. Hij had haar nodig. Dat is nog steeds actueel voor hedendaagse theologen: kun je de stem van God horen aan de rand van de samenleving? Dat vraagt een houding van ontvangen, en dan heeft hij of zij veel te bieden. Juist de academische theoloog. Als wij het leven hier ondraaglijk maken, dan moet er een dissonant komen, een verhaal uit Genesis of uit de profeten. En dan is er conversatie nodig – geen discussie – en iemand die gezag heeft. Mensen voelen dat moment van gezag ook. Dat is heel mooi, want een bekering, om dat woord te gebruiken, is gericht op de weg naar het leven. Ik denk dat dat een heel mooie rol is.”

Maar het is geen gemakkelijke rol. “Als je het zelf niet leeft, kun je ook weinig gezag verwerven. Dat is het mooie van deze tijd. Mensen zijn mondig. Maar er is ook grote behoefte aan de kerk. Het hart van de missie is een ontledigende spiritualiteit. Bij de kans om je uit te spreken, hoort ook altijd de behoefte aan de waarheid. En die schuurt. De mensen in mijn buurt zijn direct, ze hebben me geleerd om directer te zijn. Die profetische stem is nodig en die kan een theoloog ook bieden. Maar de toegankelijkheid van de Bijbel is best een groot probleem. Je moet als het ware een gids zijn die mensen leert te koken met al die recepten. Verhalen inbrengen in onze tijd. Storytelling is enorm populair, dus daar kun je mooi op meefietsen.”

 

Verhaalcultuur

In het vorige interview stelde Arjan Plaisier dat dominees in een leescultuur zich thuis voelen, terwijl de wereld van nu een beeldcultuur is. Blok: “Voor mij staan beeldcultuur en verhaalcultuur niet tegenover elkaar. Als je een verhaal vertelt dat iets duidelijk maakt, zien mensen ‘iets’ voor zich. Maar kunnen we nog schilderen met woorden? Een abstract verhaal over hoe we moeten bidden, dat raakt mensen niet. Het is dus en-en: verhalen roepen beelden op.”

Goed preken leer je niet van de ene op de andere dag, meent Blok. Dominees doen er goed aan om daarbij geduld te betrachten met zichzelf. “Je moet ook een beetje relaxed zijn als predikant. Eén foto of een voorwerp werkt eigenlijk als een metafoor. Dat kan heel veel samenvatten. Je moet dus niet overdrijven met beeld, maar beelden kunnen wel heel effectief zijn. Van die hele grote preek onthouden mensen hooguit één element, en met zo’n beeld of verhaal kun je ze daarbij helpen. Ze zien er min of meer hun eigen verhaal in terug, en mogelijk grijpen ze daar in een volgende situatie in hun leven op terug.”

Hij past eigenlijk moderne onderwijsinzichten toe, zegt Blok. “Concepten zijn tweederangs. Een verhaal kan iets doen wat het concept niet kan. Aanhakend bij Arjan Plaisier, denk ik dat het waardevol is om daar iets van Gods schepping in te zien. Een beeld gebruiken is niet alleen maar pragmatisch plaatjes gebruiken. Nee, een beeld maakt deel uit van Gods schepping. Maar taal is ook een drager. Je moet die taal blijven gebruiken. Zonde, kwaad, die vreemde begrippen van het christelijk geloof. Vertel het met een verhaal, dan weet die jongere later in een bepaalde situatie ook: dat is het. Dan gaat het lampje ‘zonde’ aan.”

De moderne cultuur reikt daarbij veel beelden aan. “Ik heb pas een foto van de voetballer Memphis Depay besproken. Als hij scoort, doet hij zijn vingers in de oren. Daarmee wil hij zeggen: wij zijn blind en doof voor God. We kunnen niet meer luisteren. En ook: ik blijf geloven. Ik doe mijn oren dicht voor wat jullie ervan vinden. Ik kies hiervoor.’

Blok: “Vaak word de wereld in een preek opgevoerd als illustratie van het verkeerde. Maar dat is slechte theologie. Of op z’n minst eenzijdige theologie. Pas zei zangeres Anouk bij De Wereld Draait Door: ‘Als je het niet meer weet, kun je het altijd nog hogerop zoeken.’ Ik bedoel: het is een mooie tijd voor theologen, als we tenminste onze oren en ogen openhouden.”

 

Nels Fahner

 

Oeds Blok

Naast zijn werk als vrijwilliger in de buurtkerk Soesterkwartier, is Oeds Blok actief als coördinator en coach gemeentestichting voor Urban Expression en de Unie van Baptistengemeenten. Verder coacht en traint hij leiders, onder wie veel predikanten en is hij docent gemeenteopbouw aan de Evangelisch Theologische Faculteit in Leuven. www.urbanexpression.nl

 

Voor een overzicht van de overige interviews: www.cw-opinie.nl onder 'eerder verschenen artikelen' vanaf oktober 2018.

Lees verder

‘Een religieus perspectief kan boeren helpen tegenwicht te bieden aan het winstdenken’

16-11-2018

Jack Steeghs is pastor en opbouwwerker in in Wijchen. Hij werd bekend als de ‘boerenpastor’, gaat als zelfstandig theoloog bij boeren langs en roert zich soms in de media om commentaar te leveren op actuele ontwikkelingen. Een interview over winstdenken, duurzaamheid en religieus perspectief.

 

tekst Nels Fahner, beeld Matthias Zomer

 

Steeghs kent het boerenbedrijf van binnenuit: hij is boerenzoon en zelf varkenshouder geweest. Volgens Steeghs zet het gebrek aan toekomstperspectief veel boeren en hun gezinnen onder grote druk. Tegelijkertijd praat men daar niet graag over.
“Er zit iets in de mentaliteit van agrariërs dat hen trots maakt. En terecht. Ze werken hard, ze doen veel goed en zijn vaak succesvol. Maar het is ook een lastige tijd, zeker nu supermarkten de prijs bepalen.”
Naast zijn baan van 24 uur bij een parochie brengt Steeghs de problemen van boeren onder de aandacht van media en andere organisaties. “Er is heel veel verborgen eenzaamheid. De meeste boeren praten daar niet gemakkelijk over. Voorheen werkte ik naast mijn zzp-bedrijf als boerenpastor ook als opbouwwerker in ’s Hertogenbosch. Nu heb ik een nieuwe baan in een parochie op het platteland, en kom ik als pastor makkelijker aan tafel”.
Als varkenshouder was Steeghs een vernieuwer. “Ik wilde al jong goed gezonde varkens en liep veel rond in de stallen om het gedrag van de varkens te observeren. Ik haalde de veearts erbij en maakte regelmatig rondes met hem.”
De vruchten van die gerichte aandacht bleven niet uit. Het medicijngebruik nam flink af en zijn varkens groeiden beter, vertelt Steeghs. “Ik kreeg de smaak te pakken, maar bedrijfsvoering sturen op basis van technische resultaten deden veel collega’s toen nog niet. Ik kon mijn ervaringen niet delen met anderen.”


Verdubbelen


Er waren een paar redenen waarom hij stopte, vertelt Steeghs. “Ik besefte dat er voor mijn bedrijf geen groei in zat. Bovendien had ik een paar jaar meegedaan aan een project met een supermarkt, om het medicijngebruik terug te dringen. Dat werd zonder overleg stopgezet.”
Een andere teleurstelling was dat er geen animo bij collega’s bleek te zijn voor een gezamenlijke solidariteitspot.
“Varkenshouders kun je onderverdelen in vermeerderaars en vleesvarkenshouders. Soms zie je beide takken in één bedrijf. Het kan zijn dat een zeugenhouder - de eerste categorie - te weinig verdient terwijl het de vleesvarkenshouders zeer voor de wind gaat. Wij lieten een enquête uitgaan om te kijken of er interesse was voor een gezamenlijke stroppenpot. Maar bijna niemand wilde dat, want de prijs was weer iets omhoog gegaan. Toen knapte er wel iets bij mij. Het was heel erg ‘ieder voor zich en God voor ons allen’.”
Daarnaast ging de druk het bedrijf voortdurend te laten groeien hem tegenstaan. “De risico’s worden op het bordje van de boer gelegd. Dat was uiteindelijk de reden dat ik gestopt ben met het boerenbedrijf dat ik van mijn ouders had overgenomen. Dat was in 1998. Ik wilde niet steeds weer verdubbelen, dat werd te riskant.”

 

Opvolging

 

“Ik voelde dat het geen makkelijk gesprek zou worden en dat is ook uitgekomen. Ik besefte dat het niet als een vraag moest brengen. Dan wist ik het antwoord wel: nee. Ik heb hints gegeven, maar er ontstond geen gesprek. Het ligt zo gevoelig, de opvolging, en ik was ook nog eens enig kind. De eerste maanden daarna hadden mijn ouders het er moeilijk mee, daarna hebben ze het geaccepteerd en nu is de verhouding prima.”
Als je wilt investeren sta je als boer altijd op een kruispunt, vertelt Steeghs. Er is de druk van de tijdgeest, van collega’s. En ondertussen is het heel erg ieder voor zich. “Of het zo gevoeld wordt, hangt van de fase af waarin een boer verkeert. Er zijn ook boeren die uitgekocht worden omdat er ergens een woonwijk of snelweg moet komen. Dan ben je in één keer, plat gezegd, miljonair. Dan kun je je bedrijf elders weer opzetten. Dat is mooi, maar het vertekent het beeld.”
Statistisch leeft ongeveer de helft van de boeren onder de armoedegrens, weet Steeghs. “De meeste boeren kunnen best één of twee jaar armoede hebben.” Maar boeren  zijn wel kwetsbaarder dan andere ondernemers. “Ze vallen niet onder het mkb. Ze kunnen niet zelf hun prijs bepalen. Als ze dat gezamenlijk zouden doen, worden ze teruggefloten door de kartelwaakhond. Dat is dus ingewikkeld. Dat hangt samen met de geschiedenis van de beroepsgroep.”

 

Taboe

 

‘Boeren hebben het zwaar, maar lijden in stilte’ was laatst een kop in De Correspondent. Dat artikel gaat over de theatervoorstelling Maalkop, over een boer die een einde aan zijn leven maakt maar daarvóór nog een monoloog houdt tegen een koe.
“Veel boeren lijden inderdaad in stilte, dat klopt. Wat het extra moeilijk maakt, is dat dé boer, dé tuinder niet bestaat. De problemen zijn sterk afhankelijk van de context. In welke sector werkt hij of zij? Heeft hij een gezin of niet? In welke fase van zijn carrière zit hij? Dat maakt allemaal heel veel uit.”
Grote organisaties zoals de LTO zijn erg verzakelijkt, signaleert Steeghs. Er zijn wel allerlei overlegclubs die gericht zijn op groei, op technische verbetering of ondernemersvaardigheden. “Een boer kan wel sparren over bedrijfsproblemen, maar als hij lijdt onder eenzaamheid en de weg kwijtraakt in het leven, dan is daar geen ruimte voor. Het is zo’n gigantisch taboe om het over persoonlijke problemen te hebben.”
Dat taboe merkte ook onderzoekster Lizzy van Leeuwen, die het boek De hanebalken. Zelfmoord op het platteland schreef, over het hoge aantal zelfmoorden op het boerenerf.
Steeghs heeft met haar contact gezocht, vertelt hij. “Interessant aan haar boek is dat de eerste helft gaat over de moeite die zij als stadse onderzoekster moest doen om dit onderwerp ter sprake te brengen. In Nederland wordt de reden achter suïcide niet geregistreerd. Toch is het aantal zelfmoorden in de agrarische sector veel hoger dan in de stad. Als er een boer een poging onderneemt, lukt het meestal.”
Steeghs heeft het gelukkig niet van nabij meegemaakt. “Via anderen heb ik wel verhalen gehoord. Maar dit is omgeven met veel taboes. Het is heel moeilijk daarover in gesprek te gaan.”

 

Solidariteit

 

In het toneelstuk ‘Maalkop’ wordt de boer geplaagd door kopzorgen, onder meer door de problemen met de bank.  Steeghs: “Natuurlijk spelen schulden een rol. Denk maar aan de glastuinder die moet kiezen: óf afbouwen of nog één keer verdubbelen met zijn bedrijf. Daar was pas een documentaire op televisie over. Het was misgegaan, het bedrijf was failliet en de man woonde in een rijtjeshuis. Opvallend was de zakelijke reactie van de Rabobank: ‘dat zijn nu eenmaal de risico’s’.”
De bank hanteert jegens de boeren een solidariteit onder voorwaarden, signaleert Steeghs. De bank wil zwakkere boerenbedrijven alleen helpen als daar voordelen bij de sterke bedrijven tegenover staan, merkte hij. “Dat is wat anders dan de Bijbelse solidariteit. Solidariteit in de seculiere geest is: ik geef als jij mij wat geeft. Maar in de christelijke traditie betekent solidariteit dat je geeft omdat eerder aan jou is gegeven. Daar hoef je niets voor terug.”
In onze kapitalistische samenleving is dat besef weggezakt, weet Steeghs. “Dan is het dus lastig met mensen die daar van huis uit niets over meekregen het gesprek aan te gaan.”

 

Zandgrond

 

Sinds de Tweede Wereldoorlog is de landbouw een verdienmodel geworden. Terwijl dat eigenlijk niet past bij de aard van het boerenbedrijf. Steeghs: ”Voor mijn opa en de generaties voor hem was het boerenbedrijf een manier van leven. Hij was een keuterboer. Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de jaren zestig kwam de schaalvergroting op gang. 1968 was een sleuteljaar, denk ik. Het was niet alleen het jaar van de seksuele en de burgerlijke revolutie, vanaf dat moment verzakelijkte het boerenbedrijf. ”
Vanaf de negentiende eeuw zorgden coöperaties voor de randvoorwaarden: als verzekeringen en melkfabrieken. “Vanaf de jaren zestig gingen die instituties commercieel denken en schaalvergroting stimuleren. Mijn voorouders waren zandboeren. Zand is arme grond. Vandaar dat de intensieve veehouderij in Oost-Brabant snel opkwam”.
Boeren gingen veel meer varkens houden, geholpen door de mechanisatie. “Er konden veel grotere stallen komen. Dat voltrok zich allemaal binnen een paar jaar. Rond 1970 is er een saneringsronde geweest - nog voor mijn tijd - waarbij een aantal boeren zijn afgehaakt. Andere boerderijen, zoals dat van mijn vader, zijn opgeschaald.”
Veel boeren voelden zich niet thuis bij de gedwongen schaalvergroting, vertelt Steeghs. “Maar er zaten ook echte ondernemers tussen. Die gingen iedere paar jaar verdubbelen en waren midden jaren ‘80 schatrijk. In die centrifugale kracht ging iedereen mee, van varkenshouderijen in Oost-Brabant tot de Gelderse Vallei. Het was een nieuwe tijd, een tijd van optimisme.”
In 1972 kwam ook het rapport van de Club van Rome uit. “Wat daarin stond, wilde niemand horen. Varkensboeren gingen gewoon door met steeds meer stallen bijzetten.”

 

Abraham

 

Veel van de huidige problemen zijn dus in de afgelopen veertig jaar ontstaan. Wat is er nodig om het tij te keren? “Er hoeft niet van bovenaf van alles worden geroepen. Er is inlevingsvermogen van onderop nodig. Informele netwerken die onbaatzuchtig bereid zijn boeren te helpen, die tegen het winstdenken ingaan. Ik zie ook een rol en een opdracht voor kerken. De Bijbel is een heel aards boek.”
En het gaat ook over sociale rechtvaardigheid, zegt Steeghs. “Ik heb geprobeerd dat aan te kaarten bij de Rabobank, bij de LTO, maar die  staan allemaal in de overlevingsstand. Pas had ik een gesprek met een wethouder. Ik heb hem geadviseerd: kies één dorp uit en begin een bezoekproject. Bezoek er alle boeren. En begin dan niet met een vraag over iets dat je in de media hebt gehoord over hun problemen. Maar je kunt wel naar hun verhalen luisteren, misschien mensen bij elkaar brengen. God begon ook niet bij de hele wereld, hij begon bij één volk. Bij één persoon zelfs: Abraham, en hij liet hem de sterren zien. Daar geloof ik in, in die benadering. Als je meteen een groot plan uitrolt, gaan de hakken in het zand.”
Niet lang geleden presenteerde minister Schouten van Landbouw haar visie. Wat verwacht hij van de landbouwplannen van de minister?
“Ik volg het op hoofdlijnen, niet in detail. Zij is natuurlijk gevraagd beleid uit te zetten dat voortbouwt op dat van vele voorgangers. Je merkt wel dat haar boerenafkomst heel goed valt bij boeren. Maar haar rol wordt ook overvraagd. Tot 1994 was de minister van Landbouw zo ongeveer de spreekbuis van boeren. Bij de paarse kabinetten is een kentering gekomen. Toen kregen we voor het eerst een minister van D66-huize, Brinkhorst.
Het is positief dat er nu weer een apart ministerie van Landbouw is, en dat de minister iemand is die het snapt. Maar zoals ik al zei zit de hele landbouworganisatie in een overlevingsmodus. Ik hoop dat het lukt om menswaardigheid wat meer in het spel te laten meespelen. Het is nu hartstikke zakelijk allemaal.”
De boer is geen BV, het voor- en het achterhuis zijn met elkaar verbonden, dat loopt allemaal door elkaar. Bovendien: een boer werkt met levende dieren en planten die een beperkte houdbaarheid hebben. Dat is heel kwetsbaar.”
Steeghs denkt dat kerken een rol kunnen spelen in het organiseren van steun van onderaf. Hij werkt daartoe bijvoorbeeld samen met Jacobine Gelderloos, die onlangs promoveerde op plattelandskerken. “Ik werk vooral in een katholieke context. Sommige pastoors zijn boerenzoon, die hebben nog wel affiniteit met landbouw. Maar anderen hebben het al druk met de problemen van gewone gemeenteleden. Extra aandacht voor boeren en hun gezinnen is dan gewoonweg niet haalbaar.”

 

Hoop

 

Kort nadat hij besloot niet verder te boeren, ging Steeghs  theologie studeren. Wat betekent hoop in zijn werk? “Hoop houdt je gaande. Als iemand geen hoop meer heeft, kun je dat in zijn ogen lezen. Dan mag er een traan vallen. Anders kom je niet bij je eigen diepere laag. Soms lijkt de situatie inderdaad uitzichtloos. Dan probeer ik met meerdere mensen te bekijken hoe het verder moet.”
Juist het religieuze perspectief kan boeren helpen tegenwicht te bieden aan het winstdenken. “In de landbouw gespecialiseerde coaches doen heel goed werk. Maar boeren en tuinders zijn voor hen ook een verdienmodel. Zij bereiken vooral kapitaalkrachtige boeren. Die hebben dan een conflict met de buren dat ze willen oplossen, of ze willen hun ondernemersvaardigheden vergroten. Maar een grote groep wordt niet bereikt.”
Er zijn kleinschalige netwerken nodig, vindt Steeghs. “Ik probeer mensen wel praktisch te helpen, maar ik weet natuurlijk ook niet alles van de recente ontwikkelingen. Dat hoeft ook niet, is mijn ervaring. Het gaat om de vragen erachter. Waarom automatiseert een boer alles? Waarom mijdt hij samenwerking?  En dan krijg ik natuurlijk wel bijna altijd vragen terug: hoe zat dat dan bij jou? Dan is mijn achtergrond als boer wel winst natuurlijk.”

www.vroedman.nl  
 

Lees verder

'Het kerkelijk bedrijf kraakt in zijn voegen'

02-11-2018

De dominee preekt wel, maar komen zijn woorden nog over, landen ze in de wereld van zijn hoorders? In de serie De nieuwe dominee stelt Arjan Plaisier dat de tijd waarin het woord dominant was, aan het voorbijgaan is. Wat betekent dat voor de preek? CW onderzoekt de valkuilen en mogelijkheden voor de toekomst in een serie interviews over ‘de nieuwe dominee’. Vandaag deel 3.

‘Het huidige protestantisme zit in de gevarenzone’, schreef Arjan Plaisier, oud-scriba van de PKN, tegenwoordig missionair predikant in Apeldoorn, in het blad Wapenveld.
‘De eeuwen van de interpretatie en de hermeneutische theologie zijn aan het voorbijgaan’. Maar een Sombermans is Plaisier allerminst. “Het orthodoxe protestantisme heeft alles in huis voor een doorstart.”

U pleit voor een ‘nieuwe directheid’ in de verkondiging. Betekent dat meer evangelicale radicaliteit en minder nuance en zorgvuldigheid?
“Als kerkgangers aangeven dat ze het evangelie in ronde woorden willen horen dan zijn predikanten er als de kippen bij om te zeggen dat ze ervoor zijn opgeleid het Woord genuanceerd te brengen. Terecht. Maar laten we ook niet te gauw concluderen dat de gemeente louter bestaat uit simplisten, die hapklare brokken willen.
Kan het zijn dat er een culturele kloof ontstaat? Predikanten maken deel uit van de lees- en reflectiecultuur. Wij zijn gepokt en gemazeld in de republiek van de letteren. Die republiek heeft het zwaar, met simplisme, populisme, met de ideologisering van het leven.
Voor veel kerkgangers is die republiek passé, door de social media en de beeldcultuur. Het levensgevoel maakt het niet makkelijk contact te houden met de boodschap van de kerk. Dan loop je als predikant de kans dat je afzwaait in een ‘evangelische’ richting of naar een soort ‘praktisch christendom’.”
U zegt eigenlijk: wen er maar aan. Het hangt van het aanpassingsvermogen van de prediker af, om de diepgang en complexiteit van het christelijk geloof te vertalen naar de eenvoud.
“We hoeven niet onze huid af te stropen. Maar we kunnen er niet omheen dat de gemeente van karakter en samenstelling is veranderd. Niet overal even ingrijpend, maar het is wel de trend. Je kunt vandaag niet hele verhandelingen gaan houden over de tekst, de achtergrond en de verbanden.
Waarmee niet gezegd is dat je dan maar moet kiezen voor een aanpak van ‘grote stappen, gauw thuis’. De spanningsboog van de hoorder is korter, het lontje ook. Als predikant kan ik niet klakkeloos meegaan met de beweging in de cultuur, maar ik heb wel mijn hoorders serieus te nemen. Dat betekent niet: simplisme, maar wel: dit is het Woord van de Heer dat ons vandaag wordt opgelegd. Daarvan ben ik de dienaar.”

Nu bent uzelf goed in staat een meeslepend verhaal te houden voor mensen met een kort lontje en korte aandachtsspanne. Waarom kiest u daar niet voor?
“Als het goed is, is een preek altijd een meeslepend verhaal. Het is geen mitrailleursalvo, dat je de kerk in knalt. Het is een vertoog, een discours; een verhaal dat raakt. Maar je moet je realiseren dat het verhaal landt in een heel andere kring van hoorders dan pakweg 30 jaar geleden.”

Maar we betreden in de kerk een andere wereld. Een wereld waarin God Zelf het woord neemt, is toch een andere, vreemde wereld?
“Natuurlijk gaat het om God. Hij is cultureel gezien passé, ook voor de kerkmens. Maar in de kerk gaat het erom dat we binnenkomen in de wereld van God, in God zelf. De hamvraag is: hebben we nog een thema? Of zeggen we: hier heb je de Schrift en daar het alledaagse leven en daartussen moet de predikant bemiddelen; maar wat de Schrift dan precies zegt, wisselt nogal.
De hermeneut probeert die twee werelden met elkaar te verbinden. De hoorder moet binnenkomen in de wereld van de Bijbeltekst. Omgekeerd probeer je de wereld van de Bijbel te laten raken aan het leven van nu. Dat is allemaal niet fout. Maar waar gaat het allemaal over? Gaat het uiteindelijk over God, over Jezus Christus, over het eeuwige leven… of kunnen we dat niet meer zeggen?
Augustinus stelt allereerst die vraag: waar gaat het christelijk geloof over? Je kunt zeggen: lees je dan niet door de ‘bril’ van een voorgegeven samenvatting? Dat gevaar is reëel. Maar het omgekeerde is ook een groot gevaar: de Schrift uitleggen zonder heldere visie op de kern van het christelijk geloof. Dan kunnen preken nog zulke leuke, interessante en herkenbare betogen zijn, maar dan zijn ze niet meer dan dat.
We moeten ons in de kerk realiseren dat we onderdeel zijn van de openbaring van God in deze wereld, die zijn summum heeft gevonden in Jezus Christus. Daarmee staat of valt alles. Als dat niet meer aan de orde komt, dan verdampt de substantie van het geloof. Je kunt wel Bijbelverhalen vertellen - die zijn inderdaad goed - maar er moet ook een gedeeld besef zijn van het geloof van de kerk van alle tijden en plaatsen. En daarin gaat het over God, de Schepper, de Verlosser, de Voltooier.”

Je kunt in elke tekst wel iets vinden dat interesse kan wekken of hoorders kan raken. U zegt: het gaat om de beleving van de werkelijkheid van God. Hoe belemmeren we nu die werkelijkheid?
“Dat heeft te maken met diepe verschuivingen in de cultuur. Luther maakte nog deel uit van een objectieve cultuur. Maar de manier waarop God werkt, kwam niet meer tot uitdrukking in de vastgekoekte rituelen van toenmalige Rooms-Katholieke Kerk. Luther breekt met die praktijken, maar niet met de objectiviteit van God. Hij zei: God werkt nu via het gesproken woord, in gewone taal. De predikant legt de woorden van God op de ziel van de mens. Het gaat er om dat je je als hoorder daaraan toevertrouwt.
Wij zitten vandaag in een totaal andere situatie, wij beschouwen de werkelijkheid vanuit onze subjectiviteit. Dat is het gevolg van de salto mortale die in onze cultuur heeft plaatsgevonden. Daar kun je allerlei verklaringen voor vinden. Waarschijnlijk is één daarvan dat de objectiviteit werd gespleten in diversiteit en pluriformiteit. Wat was nu de goede kerk? De Rooms-katholieke of de protestantse, de gereformeerden of de lutheranen? Dat heeft tot confessionalisme en godsdienstoorlogen geleid.
De Verlichting bracht de ‘oplossing’ door primair uit te gaan van de ratio. En dan vinden we het wel oké dat we zo nu en dan nog wat meekrijgen van christendom, Bijbel, normen en waarden. Die positie is ons lot, zou ik bijna zeggen. Maar met die subject-houding zitten we tegelijkertijd zó fout. Want niet wij doen aan God, maar God doet aan ons. Wij zijn niet bezig met een stukje zingeving, God werkt aan ons, Hij is bezig om ons ‘om te turnen’, tot onderdeel van zijn werkelijkheid.
We zitten allemaal gebakken aan die subject-positie en dat gaat ons niet in de kouwe kleren zitten. In dit verband kan het sacrament veel directere taal spreken. Je wordt gedoopt. Je gaat onder in het water. Daarin dien je te sterven en op te staan. In brood en wijn ontvang je Christus zelf en word je ingelijfd in Zijn lichaam.
Woorden hebben veel meer rek- en speelruimte dan de sacramenten. Woorden zijn nodig, maar ze kunnen ook vervliegen in overwegingen, gezichtspunten. Is er nog iets voelbaar van urgentie? Staat er iets op het spel?”

Waar is de dragende werkelijkheid van God? Is die er wel?
“Er leeft wel een verlangen naar God. Men wil geen gepalaver, het moet wel persoonlijk zijn. Het moet ook wel over Christus gaan. Het is bijna als in de tijd van de Reformatie. Het hele kerkelijke bedrijf kraakt in zijn voegen en daar sta je dan, om onder een open hemel vertolker te zijn.
Na de Reformatie is wel snel weer een nieuwe kerkelijke cultuur gecreëerd, en dat was maar goed ook. Alleen de retorica van Luther had het ook niet uitgehouden. Er ontstond daarom heel snel een resocialisatie. De verkondiging van het woord functioneert binnen de liturgie, met de sacramenten, een kerkenraad, een kerkcultuur.
Vandaag lijken we weer een stap verder te gaan. Alsof er weer een kerkelijke cultuur afbrokkelt en verdwijnt. Dan blijft de eenzame verkondiger over. Of kerkgangers zoeken het in de muziek. Bij die eenzame voorganger denk ik aan uitzendingen van Family7. Een man op een podium, met een grote bijbel in de hand. Er moet een ‘gemeente’ bediend worden, zonder enige liturgische context. Alles hangt af van de kwaliteit van die prediker.
Een andere mogelijkheid is dat kerkgangers kiezen voor het event, de conferentiecultuur van There is more, Opwekking, enzovoorts. Grote bijeenkomsten met een quasi-liturgische context. Het is zoeken naar iets nieuws, omdat de kerkelijke liturgische context te doods of afgebladderd is. Dan moet het event een belevingskick gegeven.”

We moeten dus terugkeren, maar waarnaartoe?
“Back to basics. Na alle naoorlogse golfbewegingen - maatschappijkritische theologie, missionaire theologie - is het tijd terug te keren. Het mooie is dat wij niet steeds alles opnieuw hoeven uit te vinden. We kunnen terugvallen op het credo, de sacramenten. We kunnen leentjebuur spelen in het grote huis van het christendom. Bij katholieken met hun eerbied voor de hostie, bij Oosters-orthodoxen met hun hemelse liturgie, bij pentecostalen met hun ervaring van de Geest.
Wij protestanten, met onze lange traditie van Schriftuitleg, hebben het in deze tijd moeilijk. Maar een terugkeer naar het bijbels abc kan loei-spannend zijn. De kosmische Christus die tegelijkertijd innerlijker is dan je meest innerlijke gedachte. Hoe boeiend is dat? Het gaat om het oude en altijd weer fascinerende: de openbaring van God. Het is groots, overweldigend, hartverscheurend, je gaat er aan kapot en je staat erin op. Dat verzin ik niet - het is het bijbels abc.”

Hier wilt u naar toe, deze verfrissende herontdekking…
“Ja, voorbij de problematisering. Problematiseren is eigenlijk pogen om nog te redden wat er te redden valt. Het is een ervaring die God zelf geeft, want wij problematiseren ons suf. Tot het bevrijdende doorbreekt, dat groter is dan ons hart en ons denken.”

Kun je dat bijbels abc inoefenen?
“Ja, het is een inoefenen. Niet voor niets is leerling-zijn vandaag weer ‘in’. Dat betekent ook: we houden nu eens even onze mond, we gaan het weer leren. Het is te groot voor ons om het te benoemen. Het omvat ons, want Gód wil wat met ons. We worden weer ingewijd in dit leven met God.
Je merkt het ook aan de belangstelling voor het monastieke, en het devotionele: laten we eens ophouden met praten. Ik vind Hem voorbij woorden. Ik liep buiten - zoals Augustinus zegt - en U was al binnen. We hoeven niet iets af te dwingen of te bezweren. Het is ook niet hopeloos: God blijft de Schepper, Hij is diep verbonden met ons leven, Hij heeft ons al omarmd in Christus, dat is een breed-katholieke gedachte.”

Kun je nog wel met frisse ogen de Schrift lezen? Daar zitten toch interpretaties en tradities tussen?
“Dat is ook zo. Het heeft ook soms te maken met bijziendheid. En met de doorbraak van het echte zicht: maar wacht eens, achter die tekst zit de levende God die wat met ons, met deze wereld aan het doen is.”

En dan gaat het erom dat de predikant zijn/haar rol als bemiddelaar serieus neemt.
“Je doet je naam eer aan: Verbi Divini Minister, dienaar van het Woord.”

Daar zit wel een spanning in: Je wilt jezelf uit het centrum hebben, tegelijkertijd heb je als predikant een belangrijke functie.
“We leven in een expressieve cultuur. Daar kun je niet omheen. Maar het begint en eindigt niet met onze expressiviteit, of onze interpretatie. Ik wil niet met een grote armzwaai alles van tafel vegen. Laat me er nog iets relativerends aan toevoegen: de preek is ook niet alles, hè. Het is de grandeur en misère van het protestantisme.
Je ontmoet weleens mensen die meer dan duizend preken hebben gehoord en daar niet heel veel splendids van terug weten te geven. Duizend preken! Wat is er dan niet over je uitgestort? En het lijkt van hen te zijn afgegleden als water van een eend. Sla de preek dus niet te hoog aan.”

Je voert een pleidooi voor nieuwe verhoudingen: Gods werkelijkheid is stabiel, groter dan we denken. Wij zijn afhankelijk van die werkelijkheid. Als wij denken het in de vingers te hebben, glipt het er doorheen.
“Heil geschiedt alleen als het van de andere kant komt. Goede theologie begint met het grote verhaal, het visioen, het zien van de dansende sterren. Theologie komt voort uit sterke bindingen. Aan Christus en aan het geloof van de kerk.”

U kunt dat zeggen, vanwege uw kennis van de grote traditie: Augustinus, Newman, en zo meer. U hangt aan de rekstok en u zwaait soepel van de ene theologische reus naar de andere. Anderen moeten dat leren. Want zijn we dat niet aan het kwijtraken?
“Ja, daar moeten we alert op zijn. Want in en door al die grote namen uit de traditie heeft Christus gewerkt. In de grote spirituele, liturgische en homiletische traditie van de kerk. In de grote intellectuelen en de stille devoten. We hebben schreeuwend behoefte aan de schatten die zij hebben nagelaten.”


Arjan Plaisier was een van de sprekers op de IZB-studiedag ‘Verlossende woorden spreken’.

tekst Kees van Ekris en Koos van Noppen, beeld Koos van Noppen

Lees verder