CW Opinie - Hét christelijke opinieblad

CW Opinie houdt u betrokken bij kerkelijk en christelijk Nederland. Maar ook bij Nederlandse christenen die actief zijn in het buitenland. Iedere twee weken actuele verhalen, achtergronden, interviews, columns, boekbesprekingen en nog veel meer. Lezers van CW Opinie zijn meelevende christenen uit nagenoeg alle protestantse kerken.

content image

Deze editie

"De strijd zoals ik die voor mij zie, vindt ook niet plaats met spandoeken voor het parlement", vertelt Herman Paul in een interview over zijn nieuwe boek De slag om het hart. De secularisatie van verlangen. "Het belangrijkste verschil is: wij zijn niet één van de strijdende partijen, maar we zijn inzet van de strijd. Denk maar aan de voorstelling zoals je die ziet op middeleeuwse retabels, waarop mensenlevens heen en weer getrokken worden tussen een engel en een duivel. Ik merk dat er van verschillende kanten aan mij getrokken wordt."

(...) "Ik heb twee jonge kinderen, en als jonge ouder word je direct bestookt met kraampakketten. Je wordt ook nog eens omringd door andere jonge ouders die allemaal fungeren als een spiegel. De Prenatal roept je toe: als ouders wil je toch het beste voor je kind? Koop dan deze wandelwagen van 1.200 euro! (...) Je wordt kortom geconfronteerd met je eigen onzekerheid, je spiegelt je aan anderen, en dat wringt voor mij met het zingen van de lofzang op zondagochtend in de kerk. Dat is een ander soort geluk dan de idylle die te realiseren is met de juiste spullen."

Lees hier het interview met Herman Paul

500 jaar Reformatie: 'Zelf kunnen geloven is een groot goed'

09-11-2017

500 jaar Reformatie is in ons land uitgebreid gevierd. Maar wat kunnen we eigenlijk leren van vijfhonderd jaar gekibbel en ellende? Volgens kerkhistoricus prof. dr. Mirjam van Veen moeten we niet te negatief denken over de verworvenheden van de reformatie. Het was een veelkleuriger beweging dan menigeen denkt. Zij schreef er een boek over: Luther en calvinistisch Nederland.

 

Over calvinisme doen allerlei definities de ronde. Hoe kijkt u aan tegen dat begrip? In hoeverre kan het een inspiratiebron zijn?

“Ik denk dat het gebruik van de term bijna onvermijdelijk is. Maar ook vrij ongelukkig, want het gereformeerde protestantisme was vanaf het begin veelkleurig en divers; het is altijd al een brede bedding geweest. De term calvinisme suggereert een eenduidigheid die er niet was. Heinrich Bullinger schreef bijvoorbeeld een prekenbundel die op VOC-schepen meeging. Die hoogte heeft Calvijn in de Lage Landen nooit bereikt. Vanaf de vroege gereformeerde kerk tot aan Kuyper waren er heel uiteenlopende figuren bij het gereformeerde protestantisme betrokken, Bullinger en Calvijn, maar ook Melanchthon, de rechterhand van Luther, die als het om de predestinatieleer ging ver van Calvijn afstond. Die breedte van blik verdwijnt aan het eind van de 19e eeuw. De term calvinisme suggereert een eenduidigheid en eenkennigheid die er in de geschiedenis niet zo geweest is.”

 

Op welke manier heeft Abraham Kuyper ons beeld van de reformatie beïnvloed?

“Doorslaggevend, denk ik. Zijn leerlingen maken van Calvijn het één en het al. Rutgers schrijft: ‘zo belangrijk als Calvijn was er geen’. Kuyper had zo zijn redenen om Calvijn op een voetstuk te zetten. Hij had een held nodig, en dat werd Calvijn. Maar historisch klopt het niet.  Kuyper had een ideaal voor ogen voor zijn vrije kerken; die moesten onafhankelijk zijn en geleid worden door gewetensvolle christenen die zich hadden gecommitteerd aan het geloof. Dat etiket plakt hij op de vluchtelingengemeenten uit de tijd van Calvijn. Maar die suggestie van onafhankelijkheid was aantoonbaar onjuist: de vluchtelingengemeente van Emden viel bijvoorbeeld onder de plaatselijke kerk; iets vergelijkbaars kun je zeggen van die van Wesel en de kerk van Londen viel onder de plaatselijke bisschop. Kuyper schiep dus een bepaald beeld van de vluchtelingengemeenten, hij deed aan ‘invented history’ zouden wij nu zeggen. En daarin was hij heel succesvol.”

 

Waarom is Luther voor de gereformeerden eigenlijk altijd een soort held gebleven?

“Omdat hij de Reformatie was begonnen. Dat sprak niet alleen lutheranen, maar ook de gereformeerden aan. Luther was voor hen degene die de waarheid van het evangelie opnieuw voor het voetlicht had gebracht.”

 

Lutheranen hadden politiek gezien een andere positie dan gereformeerden. Waarom hielden zij zich eigenlijk afzijdig van de Opstand tegen Spanje?

“Dat had toch te maken met het idee van de gehoorzaamheid aan de overheid. Toen de lutheranen zich in Antwerpen gingen organiseren om in opstand te komen, zei Luther: dit is niet de bedoeling. Daarmee schakelden de lutheranen zichzelf uit en kwamen ze in het achterschip van de opstand terecht. Voor de gereformeerden was de opstand tegen Spanje de enige kans om een legale plek te veroveren. De Prins van Oranje speelde in op dat verlangen: hij schreef brieven aan gereformeerde kerkenraden waarin hij vroeg om de opstand actief te steunen met wapens en geld. Hij suggereerde ook dat de strijd om religieuze vrijheid ging. Zo werden politiek en kerk in elkaars armen gedreven.”

 

Welke invloed had de omgang met vluchtelingen op de onderlinge verhoudingen tussen gereformeerden en lutheranen?

“Het thema vluchtelingen heeft op zich niet zo veel invloed gehad, behalve dan het geschrift dat Johannes Utenhove publiceerde over een groep gereformeerde vluchtelingen. Dat ging om ongeveer 175 protestantse vluchtelingen uit Londen, die vandaar door Europa trokken op de vlucht voor Bloody Mary. Zij kwamen op Luthers gebied terecht en stelden zich op als missionarissen; de lutheranen konden volgens hen profiteren van het gereformeerde geloof. De lutheranen voelden er weinig voor om hen een eigen kerkgebouw te geven.

Utenhove publiceerde vervolgens een tranentrekkend verhaal over de zwerftocht die deze mensen hadden gemaakt door Denemarken en Noord-Duitsland, met beschrijvingen van kinderen met bevroren handjes en vrouwen die moesten baren in de sneeuw. Calvijn waarschuwt hem nog dat dit geschrift de verhouding met de lutheranen zal vergiftigen, maar Utenhove luistert niet en publiceert toch. Dat verhaal heeft de verhoudingen tot pakweg 1950 belast. Gereformeerden zetten de lutheranen weg als intolerant, en andersom vonden lutheranen de gereformeerden hypocriet. Gereformeerden deden alsof ze voor de eenheid waren, maar ondertussen weigerden ze zich aan te passen aan de lutherse gebruiken. Daarmee heeft men elkaar tot 1950 om de oren geslagen. En zoals het gaat in een klas vol kinderen waarin een verhaal wordt doorverteld: het verhaal werd steeds erger. Eerst was er sprake van dat er onder die gereformeerde vluchtelingen één oude man bij die barre tocht gestorven zou zijn, later was het zo dat de een na de ander stierf.”

 

Zo bezien is het Samen-op-wegproces een historische doorbraak geweest.

“Er zijn altijd al herenigingspogingen door de gereformeerden geweest, omdat de Reformatie toch gezamenlijk begonnen was. Gereformeerden waren ook altijd bereid lutherse belijdenisgeschriften te ondertekenen: volgens hen waren beide stromingen het over de fundamenten eens. De lutheranen vonden echter dat er met de gereformeerden altijd gedonder van kwam. Uiteindelijk waren het de orthodox-gereformeerden die op de rem trapten, en dat is historisch gezien eigenlijk vreemd. Juist zij hebben goede reden om te zeggen: wij zijn het in essentie eens met Luther.”

 

U gaat ook in op het leven van Luther. In hoeverre biedt dat leven ook aanknopingspunten voor de hedendaagse oecumene tussen rooms-katholieken en protestanten?

“Dat weet ik niet zo goed. Ik denk soms dat de geschiedenis tot nadenken stemt bij het verlangen naar eenwording van kerken. Als de terugkeer naar de ware kerk niet goedschiks lukt, dan maar kwaadschiks – zo ging het vaak. Als gesprekken niet lukken, dan maar met de knoet. Ik denk daarom dat diversiteit een goed is, zolang je elkaar maar erkent als ware kerk. Daarin moet je niet kleinzielig zijn. De katholieke kerk die de protestanten kerk-achtig noemt: dat is mij te mager. Je moet elkaar voluit erkennen als gestalte van het lichaam van Christus.”

 

Luther bleef aanvankelijk gewoon de mis bedienen. Zou hij nu ter communie gaan?

“De misstanden van de katholieke kerk van destijds zijn wel opgelost. Het verdienmodel van de Middeleeuwse kerk met zijn aflaten, dat is er niet meer. Maar het offerkarakter van de mis was voor Luther ook hoogst problematisch. Volgens de traditionele leer zou Christus bij de mis telkens opnieuw op onbloedige wijze geofferd zijn. Het offer wordt dus herhaald. Dat is volgens de hele reformatie onzin. Christus is één keer gestorven en dat is genoeg.

Op de achtergrond speelt daarbij ook sociale kritiek op de macht van de kerk. De traditie schrijft voor dat bij de mis, als de instellingswoorden worden uitgesproken, Christus lijfelijk present wordt gesteld. Als je dat belijdt schrijf je aan de priester een enorme macht toe. Volgens de dopersen en de lutheranen kun je wel bidden om Gods aanwezigheid, maar kun je die niet afdwingen. Dat is ook waar mensen tegen te hoop liepen, zelfs zo dat ze de mis belachelijk maakten. Dat was uit weerzin tegen de macht die priesters zichzelf toekenden. Die sociale kritiek is nu niet meer aan de orde, want de rooms-katholieke kerk in Europa heeft geen macht meer, maar dat aspect leefde zeker mee bij Luthers latere afwijzing van de mis.”

 

Luthers gedachtegoed werd snel verspreid mede dankzij de drukpers en allerlei propagandaprenten. De vergelijking dringt zich op met bijvoorbeeld de Arabische Lente, die ontstond mede dankzij internet.

“Of die vergelijking opgaat, weet ik niet. Daarvoor zitten we er nu nog te dicht op. Ik denk dat een bepaald type retoriek wel gevaarlijk is. Luther identificeerde zijn tegenstanders met de duivel. Hij deed dat ook met Joden. Dat type retoriek is een opmaat voor geweld. Voor mij is dat reden om erg op te passen met zulke uitspraken.

Als je je tegenstander identificeert met de macht van het kwaad, legitimeer je geweld. Dat zie je nu gebeuren bij radicale moslims ten opzichte van het Westen. Maar ook in xenofobe kringen in Europa en Nederland, als zij zich uitlaten over moslims. In Vlaanderen werd pas een foto gepubliceerd van een vrouw in boerka naast een vuilniszak, met als tekst ‘zoek de verschillen’. Dan beeld je iemand af als vuil. De stap naar geweld is dan niet groot.

Je zou dat debat fatsoenlijk moeten voeren, zonder een sfeer van geweld op te zoeken. Als je met woorden grenzen overschrijdt, kan dat mensen in gevaar brengen. Het zelfde geldt voor een uitdrukking als ‘een tsunami van moslims’ die ons zou overstromen. Dan stel je mensen voor als onderdeel van natuurgeweld, van een kwade macht die mensen te na komt. Dan dehumaniseer je mensen. Dat is een levensgevaarlijk type retoriek.”

 

Wat is de winst van 500 jaar reformatie herdenken?

“Ik vind het in de Protestantse Kerk een mooie herdenking geworden. Het is niet allemaal rozengeur en maneschijn geweest, maar er is ook voldoende om trots op te zijn. Protestanten moeten zichzelf niet te veel in de hoek zetten, om daar te tobben over wat niet goed was. Dat je zelf kunt geloven, dat je zelf ook verantwoordelijk bent voor je geloof: dat is een groot goed. Ook de religieuze diversiteit is een groot goed. Ik kan op zondagmorgen besluiten of en naar welke kerk ik ga. Dat is winst. Ik hoop verder ook dat er meer aandacht komt voor het feit dat de reformatie veel veelzijdiger was dan we vaak denken.”

 

Hoe ziet u de toekomst van het protestantisme? En welke rol spelen de evangelische christenen, ook erfgenamen van de reformatie tenslotte, daarin?

“Zij worden steeds belangrijker, alleen al getalsmatig. Tegelijk met hun opkomst ontstaat er in de traditionele protestantse kerken de bereidheid om van elkaar te leren. De theologische bezinning was bij de evangelischen altijd wat minder sterk ontwikkeld, maar de laatste tijd is dat ook wat rechtgebreid: er is waardering voor grondige theologiebeoefening gekomen. Anderzijds hebben protestantse kerken lang het gevoel veronachtzaamd. Er is nu steeds meer bereidheid om daarop terug te komen.

De toekomst van het protestantisme? Geen idee. Ik ben niet zo goed in grote woorden. Je moet als gelovige je best doen. Kerken moeten ook hun best doen. Er wordt nog te vaak vrolijk aangeklungeld. Daar kun je wat aan doen, aan de muziek of aan de preek, maar het is geen garantie voor groei. En de rest moeten we maar overlaten.”

 

Met de pioniersplekken oogst de Protestantse Kerk veel lof in de media. Dat geeft ook een nieuw elan.

“Het is heel goed dat de Protestantse Kerk uit de schulp is gekropen, en dat men heeft gedacht: laten we het gewoon proberen. Dat levert soms hele mooie dingen op. Maar je moet ook bedenken dat de massale gelovigheid aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw een uitzondering was. De tijd dat praktisch iedereen lid was van een kerk, duurde eigenlijk maar kort.

Dat maakt mij ook vrij laconiek. We weten dat men in de 16e en de 17e eeuw vergaderde over vragen als: wat doen we met catechismusdiensten waarbij alleen het gezin van de predikant aanwezig is? Dat soort vragen heb je niet als je kerk altijd bomvol zit. Ik bedoel maar: het was altijd al een moeizaam getob. En dat de kerken vroeger altijd vol zaten is gewoon niet zo. Dat relativeert veel, vind ik.”

 

Nels Fahner

 

Mirjam van Veen. Luther en calvinistisch Nederland. Uitg. Boekencentrum Utrecht, 16,95 euro

Lees verder

Hong Kong en de centrale rol van religie

27-10-2017

Wie de ontwikkelingen in Hong Kong de afgelopen vier jaar gevolgd heeft - en dat doen Tjeerd de Boer en Kathleen Ferrier omdat zij sinds vier jaar in deze bruisende stad wonen en werken - ontkomt er niet aan zich deze vraag te stellen: welke rol speelt religie in deze stad?

Die ontwikkelingen hebben alles te maken met de plek die Hong Kong voor zichzelf ziet in relatie tot China en de plek die China in gedachten heeft voor Hong Kong.

Bij de ‘teruggave’ aan China door de Britten in 1997 werd afgesproken dat Hong Kong 50 jaar de tijd krijgt om te integreren in mainland China. Met dien verstande dat in Hong Kong bepaalde vrijheden en rechten zouden worden gewaarborgd: zoals vrijheid van meningsuiting, van godsdienst en dat burgerschapsrechten in principe gewaarborgd blijven.

Lord Chris Patten, de Britse gouverneur op het moment van de overdracht, zei onlangs dat hij, met de kennis van nu, veel strikter had moeten toezien op de formulering van de tekst van het overdrachtsdossier. Die tekst laat veel te veel ruimte voor verschillende interpretaties. En China interpreteert de tekst heel anders dan veel mensen in Hong Kong, die al vrij snel na de overdracht zagen dat China heel veel meer te zeggen kreeg in Hong Kong dan gewenst of gehoopt.

Dat leidde in 2013 tot de oprichting van de beweging Occupy Central With Love en Peace, waarbij het met name ging om de autonomie van Hong Kong en het waarborgen van algemene en vrije verkiezingen van zowel gemeenteraad als burgemeester. Drie jaar geleden, in september 2014, werd Occupy overgenomen door studenten, toen die massaal de straat opgingen en als ‘Paraplubeweging’ het centrum van Hong Kong 79 dagen bezet hielden.

De belangrijkste reden voor dat protest was de beslissing van ‘Beijing’ geen vrije burgemeestersverkiezingen toe te staan.

Hong Kong veranderde in een verdeelde, steeds meer polariserende stad, van partijen en bewegingen die pro-democratie zijn en mensen en partijen en bewegingen die pro-establishment (lees: Beijing) zijn, van mensen voor het geel van de Paraplubeweging en mensen voor het blauw van de gevestigde orde

 

Religie

Heel opvallend is, dat in beide kampen christelijk geloof een rol van betekenis lijkt te hebben.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de oprichters van Occupy Central with Love and Peace. Onder hen zijn dr. Benny Tai, docent aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Hong Kong en evangelisch christen en ds. Chu Yiu-ming, predikant van de baptistenkerk.

Het geldt voor de jongere generatie leiders die vanuit het scholierenprotest tegen de invoering van verplicht Mandarijn, het studentenprotest aanvoerden en nieuwe politieke partijen als Demosistō begonnen. Het gezicht van die beweging is Joshua Wong, die nu een gevangenisstraf van zes maanden uitzit, vanwege zijn betrokkenheid bij de bezetting in 2014.

Voor hem is zijn christelijk geloof de inspiratie voor zijn betrokkenheid bij politiek en maatschappij.

Joshua’s moeder gaf haar zoon bij het binnengaan van de gevangenis een brief mee waarin ze zich niet alleen afvraagt waarom Hong Kong zich door de behandeling van deze generatie van kinderen zo te schande maakt.  Ze verwijst in haar brief ook naar het feit dat Joshua een Bijbelse naam heeft gekregen en niet moet vergeten wat God tegen Jozua zei: ‘denk na bij alles wat je doet, zoek de waarheid en wees standvastig’.

Maar ook de mensen aan de andere kant van het politieke spectrum zijn overtuigd christelijk. Carrie Lam, de nieuwe burgemeester, favoriet dus van Beijing, is rooms-katholiek. Zij komt daar openlijk voor uit en refereert met regelmaat aan haar katholieke opvoeding en wortels. Een van haar voorgangers vond troost bij zijn eveneens katholieke geloof toen hij, veroordeeld voor corruptie, voor twee jaar de gevangenis in moest.

 

Debatten

Hoe klein de christelijke minderheid in Hong Kong ook is (ongeveer 12%), zij heeft een heel aanzienlijk aandeel in basisvoorzieningen als onderwijs,  gezondheidszorg en maatschappelijk werk. Meer dan de helft van de instellingen op die gebieden is ooit opgericht door en nog altijd verbonden met protestantse en rooms-katholieke kerkelijke organisaties.

Misschien komt het omdat christenen (en kerken) in Hong Kong al jaar en dag maatschappelijk betrokken zijn. Al vormen ze een kleine minderheid (van 12%, die trouwens met name onder universitaire studenten snel groter wordt: bij een enquête enkele jaren geleden gaf 24% aan christen te zijn), zij leveren een zeer aanzienlijk aandeel aan de lokale basisvoorzieningen.

Meer dan de helft van scholen, ziekenhuizen en instellingen voor maatschappelijk werk zijn ooit opgericht door en vallen nog altijd onder de verantwoordelijkheid van protestants-christelijke en rooms-katholieke, kerkelijke, organisaties.

De betrokkenheid uit zich vandaag de dag in soms heftige debatten over kerk en samenleving, soms langs kerkelijke lijnen, soms dwars door kerken (en theologische opleidingen als het Luthers Theologisch Seminarie, LTS) heen. 

Zo werd de methodistenkerk een asielplek waar, in september 2014, betogers, belaagd door het traangas van de politie, een veilig heenkomen vonden. Daartegenover spraken Anglicaanse bisschoppen zich uit tegen ieder vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid. Maar niet alle methodisten zijn voor en niet alle anglicanen tegen de protesten. Scheidslijnen lopen vaker dwars door gemeentes en alle kerkgenootschappen en zorgen voor veel discussie en onenigheid. De ene rooms-katholieke kardinaal is een zeer uitgesproken tegenstander van het communistisch bewind die alle protesten van harte ondersteunt, de ander is heel voorzichtig en zoekt het compromis.

 

Generatieconflict

Soms lijkt het een generatieconflict en zijn jongere christenen radicaler is hun strijd voor Hong Kong dan wie ook. Zoals in de film 10 Years, waarin de een groep filmmakers de toekomst van de stad in verschillende scenario’s uitgesproken somber neerzet, met een tekst uit Amos als motto en afsluiting: “…want het is een boze tijd. Zoekt het goede en niet het kwade…” (Amos 5:13b-14a)

Maar uiteindelijk is de maatschappelijke betrokkenheid van alle leeftijden en achtergronden en is gelovig zijn niet alleen een inspiratie maar in feite cruciaal voor een samenleving waar er ruimte zijn voor iedereen, vrijheid van godsdienst, van meningsuiting, van organisatie.

Christelijk gemotiveerd, geïnspireerd en georganiseerd onderwijs en gezondheidszorg, diaconie en maatschappelijk werk horen niet voor niets bij het verleden en het heden van kerk en zending, wereldwijd en dus ook in Hong Kong. Christelijk geïnspireerde betrokkenheid is zo ongeveer een politiek kenmerk. Anders dan in China, waar godsdienst letterlijk achter de voordeur moet verdwijnen, is in Hong Kong religie in het algemeen en christelijk geloof in het bijzonder, een cruciale factor in de ontwikkeling van een multireligieuze, multiculturele, nog altijd open en vrij georganiseerde stad.

Het is werkelijk te hopen dat dat zo zal kunnen blijven.   

 

Tjeerd de Boer is docent aan het Luthers Theologisch Seminarium in Hong Kong en woont daar samen met zijn vrouw Kathleen Ferrier.

Lees verder

De Bijbel en de bermen van het Zwarte Water

27-10-2017

Een huis zonder toilet en douche, met de paardentram naar je werk, en sterven aan een simpele infectie.  Hoe was het om te leven in de 19e eeuw? Daar heben we eigenlijk geen idee van, we kunnen ons alleen voorstellen dat we een aantal zaken zouden missen. Diezelfde afstand kan ons ook parten spelen bij Bijbelse verhalen. Henk Geertsema vertelt hoe juist het besef van interpretatie het gesprek over die verhalen op gang kan brengen.

Op internet kwam ik een foto tegen van een stronttonnetjesschepper die met twee emmers vol uitwerpselen uit een huis in de Jordaan in Amsterdam kwam, op weg naar de verzamelkar van de gemeentereiniging. De foto dateerde uit 1953. Even verder zoekend kwam ik een opmerking tegen dat deze vorm van openbare hygiëne in sommige wijken in Delft nog tot het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw gebruikt werd.

Hoewel ik al jaren geschiedenis van het sociaal werk doceer en daarin onder andere de ontwikkeling van de riolering als onderdeel van de sociale hygiëne meeneem, wist ik niet dat uitwerpselen nog zo lang met de hand werden ingezameld.

Hoeveel ‘heugenis van de vorige tijden’ (Prediker 1:11) is er eigenlijk? En als we iets weten over vroeger, kunnen we ons dan een goed beeld vormen hoe het leven toen betekenis had voor die mensen? Betekent ‘vrijheid’ voor ons hetzelfde als voor iemand uit de negentiende eeuw? En ‘man’ of ‘vrouw’ zijn? En ‘toekomst’? Kunnen we het verleden eigenlijk wel begrijpen?

 

Projecties

Dries Claessens publiceerde recent ‘Een geschiedenis van sociaal werk’ voor de Vlaamse sociaal werkers en sociaal werk studenten. In de inleiding benoemt hij het risico om de geschiedenis te interpreteren door projecties vanuit de eigen tijd. Geschiedenis zou zo tot anachronisme worden, waarin we niet alleen het risico lopen het verleden te veroordelen als dom, onderdrukkend of hoe ook, maar ook het risico lopen de mensen in hun tijd geen recht te doen in hun hoop, verdriet, beperktheid, verlangen en worsteling.

Zo is het voor ons nauwelijks voor te stellen hoe het in voorgaande eeuwen moet zijn geweest om te leven met de – vaak voorkomende – dood van jonge kinderen of van vrouwen in het kraambed. De socioloog Jan Matse  beschreef in het opstel ‘Zoudt gij voor lijken beven?’ hoe deze doodsdreiging persoonlijk en maatschappelijk doorwerkte in het denken en beleven van kinderen en volwassenen. De uiting van de angst voor de eigen dood en het verdriet om de dood van anderen: “‘k Zag haar dood in ’t kistje liggen: ach! Wat was mijn zusje koud!” (In: Kruithof, e.a., Geschiedenis van opvoeding en onderwijs, p. 335).

Maar tegelijk benadrukt hij dat in die tijd de dood een realiteit in het leven van volwassenen en kinderen was. Meerdere baby’s stierven bij de geboorte, meerdere echtgenotes in het kraambed, meerdere echtgenoten in gevaarlijk lichamelijk werk.

Hoe het was om als zeeman op reis te gaan en jarenlang je gezin achter te laten, is voor ons nauwelijks voor te stellen in een tijd van mobiele telefoon, skype, routeplanners en 7x24 uur nieuwsvoorziening. Hoe het leven er uitzag zonder internet, trein, medicijnen, elektriciteit, gezond water en een werkende wc, kunnen we ons slechts inbeelden vanuit de voorstelling van het  gemis, maar niet meer als werkelijkheid die nooit anders was. Een werkelijkheid waarin de stronttonnetjesschepper die namens de gemeentelijke overheid langskwam, een grote vooruitgang in de openbare hygiëne was.

 

Zelfverstaan

De vraag in welke mate we ons kunnen verplaatsen in andere tijden en andere omstandigheden is een vraag die niet alleen in de geschiedwetenschap een rol speelt, maar ook in bijvoorbeeld de culturele wetenschappen (‘kunnen we ons cultureel verplaatsen in een salafistische overtuiging om radicalisering in gewelddadige zin te voorkomen’), het sociaal werk (‘kunnen we ons empathisch verplaatsen in de hulpvrager om de betekenis van huwelijks- of armoedeproblemen te begrijpen’) en in de theologie (‘kunnen we de eeuwenoude Bijbelse verhalen en levensaanwijzingen in relevantie voor het leven van de 21e eeuw omzetten’).

De laatste vraag wordt in de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ (onder redactie van de theologen Ad de Bruijne en Hans Burger) onder ogen gezien. In de ‘grote’ protestantse kerken leidden de vragen rond hermeneutiek tot het rapport ‘God met ons’. Daarin werd de relationele bepaaldheid en beperktheid van het begrijpen van Gods woorden besproken, wat leidde tot vergaande relativering van de waarheidsclaim en sterke terughoudendheid over ‘zo zegt de Here’.

In ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ wordt die relativering eveneens aangebracht, maar wordt daarnaast aandacht gevraagd voor twee aanvullende aspecten: ons zelfverstaan en de ervaring van horizonversmelting.

In verschillende bijdragen wordt het belang van het zelfverstaan van de gelovige, theoloog of niet, aan de orde gesteld. Hoe zie ik mijzelf? Hoe zie ik mijn relatie tot God, tot de christelijke gemeenschap, de mensengemeenschap? Wil ik een stem tegenover me accepteren, ben ik bereid te accepteren dat die stem me iets zegt dat ik niet prettig vind? Wil ik me door Gods Heilige Geest laten vernieuwen in de richting die Jezus ons heeft aangewezen: God liefhebben en de naaste? Zelfverstaan omvat dan zelfkennis, onszelf leren zien vanuit verschillende perspectieven, onze ‘verplaatsend vermogen’ (‘empathie’) te ontwikkelen in het licht van regelmatig Bijbellezen, gebed en gesprek met anderen.

 

Cultureel

En dit zelfverstaan gaat parallel met cultureel verstaan. Door het leren begrijpen van mijzelf, door leren luisteren naar anderen over mij en leren luisteren naar anderen over zichzelf, ga ik dingen herkennen. Herkennen bij mijzelf, maar ook herkennen bij de ander. Dan gaat een leven dat vreemd voor mij was, langzaam dichterbij komen, dan kunnen drijfveren in hun dynamiek herkend worden, ook al zijn ze misschien vreemd en strijdig met mijn eigen drijfveren. Dan kan ook cultureel verstaan zich ontwikkelen. Dit zelfverstaan en cultureel verstaan geven de mogelijkheid tot horizonverbinding, een aanduiding van de filosoof Hans-Georg Gadamer om te beschrijven hoe andere mensen en teksten van heden en verleden, ons kunnen raken in ons bestaan. Ons troosten, ons inzicht geven, een tijdlang met ons op kunnen lopen, ons tot tegen-stem en zo tot stem van God kunnen zijn. De schrijvers in de bundel proberen zo een stap verder te komen binnen zowel de gereformeerde traditie van eerbied voor Gods woord, als het theologisch denken in de moderniteit van relativering en subjectivisme.

De vraag is wat dit voor het dagelijks christelijk leven betekent. Kan ik die oude geschiedenissen begrijpen, ook zonder die diepe theologische noties? Of moet ik constateren dat ik als 21e-eeuwer ril bij de gedachte van poepen op een emmer die één keer per week geleegd wordt. Dat ik ook alleen maar met afstand kan lezen over schaapherders als David, waaghalsleiders als Jefta en Simson, afgodendienaars als in de tijd van de grote profeten?

 

Begrijpen

Ik ken alleen de gesubsidieerde schapen die de bermen van het Zwarte Water in Zwolle afgrazen. En niet de schapensoorten die ruim 3000 jaar geleden in Israel in het berggebied en de half-woestijn graasden. Volgens de filosofen Gadamer en Ricoeur ligt daar echter wel precies de verbinding: ik hoef helemaal niet precies te weten hoe die schapen van David er uit zagen om iets te kunnen begrijpen van de zorg die een herder heeft voor zijn dieren.

Er is een ‘Vorverständnis’, een gedeeld begrijpen dat ligt onder de verschillende tijden en plaatsen, die het mogelijk maakt betekenissen en diepere lagen in verhalen, geschiedenissen en teksten te lezen. Iedere lezer van teksten als in de Bijbel is een hermeneut. Je zou kunnen zeggen dat we eigenlijk steeds hermeneutische activiteiten ontplooien als we luisteren naar elkaar, als we boeken of de Bijbel lezen. Of het nu gaat om de geschiedenis van sociaal werk, proberen een fanatieke salafist in te leven of de Bijbelse verhalen te begrijpen, steeds is onze eerste activiteit dat we een vertaling maken op basis van ons eigen leven en een gedeeld levensbesef als mensen.

Naar mijn idee is dat wat bedoeld wordt met de christelijke belijdenis dat de Bijbel het Woord van God is: in de Bijbelse geschiedenissen spreekt God ons aan in mensentaal, in voor ons begrijpelijke verhalen. Zodat er een eerste aansluiting is, een aansluiting die ons uitnodigt: als spannend verhaal, als raar verhaal, als afschuwwekkend verhaal, als tegenstem-verhaal. Als we gaan begrijpen dat we allemaal hermeneut zijn, is een verder spreken over hoe we dan zo goed mogelijk ons kunnen ontwikkelen als hermeneut niet een bedreigend gesprek. Maar een gesprek om meer te oefenen in hoe we medemensen kunnen begrijpen, onszelf kunnen begrijpen en Gods verlossend werk kunnen gaan zien en in aanbidding voor Hem aanvaarden.

 

Dr. Henk Geertsema is directeur Praktijkcentrum in Zwolle en docent aan hogeschool Viaa te Zwolle en de Theologische Universiteit Kampen.

Lees verder

Geloof: van gebruiksartikel tot relatie?

13-10-2017

Het lijkt alsof kerkverlaters minder hard oordelen over geloof en kerk dan vroeger. Het besef dat er ook iets verloren is gegaan, is ook vaker aanwezig. Geloof wordt zo steeds meer iets bruikbaars in plaats van iets dienstbaars. Maar wie weet waar dat toe leidt, meent Jan van Butselaar.

De kerkverlaters raken op. In de tweede helft van de vorige eeuw kon je ze nog overal tegenkomen: mensen die met meer of minder gram de kerk en daarmee vaak het geloof hadden opgegeven. De Maarten 't Harts en Jan Wolkersen waren overal te vinden. De literaire wereld in die dagen stond bol van hun afscheidsproducten, de een wat meer geslaagd dan de ander. In de pers stonden ze in het middelpunt van de belangstelling: die durfden tenminste te zeggen wat ze vonden over de kerk van hun jeugd, het geloof van hun ouders, de morele martelingen door dominees en ouderlingen, vooral door ouderlingen... Luid klonk overal: de secularisatie zet door. Nog net klonk er geen hiep-hiep-hoera, maar het scheelde niet veel. Zelfs spraakmakende theologen als Jo Verkuyl zagen ergens nog wel een lichtpuntje in de secularisatie.

 

Maar nu zijn ze zeldzaam geworden, die kerkverlaters. Er zijn nog wel mensen die buiten de kerk raken, maar in veel gevallen is het niet zo'n bewuste keus, niet zo'n keus tégen. In veel gevallen is het een wegglijden uit het centrum van de gemeenschap naar de rand en dan, op een gegeven moment, merk je dat je er buiten staat en dat je nog steeds leeft. Er is minder gram en frustratie te merken bij deze mensen. Eerder iets van verwondering: tja, hoe kwam het? Een voormalig jeugdouderling kon me nog steeds vertellen wat voor een leuke diensten hij indertijd had georganiseerd. Hedendaagse auteurs die buiten de kerk zijn geraakt, zoals Franca Treur, kunnen zelfs met onverholen liefde over vroeger vertellen.

 

Grenzeloze vrijheid

Het is niet langer de absolute bevrijding, maar de ontdekking dat 'het' er niet meer is. En  dat geeft een nieuwe opgave: als 'het' er niet meer is, wat dan? De belofte van de secularisatie (grenzeloze vrijheid) blijkt niet te worden waargemaakt; bovendien is grenzeloze vrijheid toch niet zo leuk als gedacht. Want wat zet je tegenover fanatisme, terrorisme, doodcultuur? Een ieder doe maar wat goed is in zijn ogen? Secularisatie is duidelijk op zijn retour. Heel voorzichtig vragen mensen naar wat religie ook al weer was. Zat er toch wat in?

 

De nieuwe zoektocht naar de betekenis van religie vertrekt echter van een ander punt dan we gewend zijn in kerk en geloof. De vraag is niet langer: hoe vind ik een genadig God, à la Luther. Neen, de benadering is van religie als fenomeen, een verschijnsel, een ding dat bestaat ondanks alle tegenkrachten van de afgelopen decennia. Als je het zo bekijkt, dan kan je natuurlijk gaan uitzoeken wat het doet, wat je aan religie en haar verschijningsvormen hebt. Geloof als gebruiksartikel, of, zoals een katholieke vriend het ooit eens uitdrukte, een hebbedingetje. Dan kan je ook gaan ontleden wat je wel en niet kunt gebruiken. Wel leuke 'rituelen', geen dogma's. Wel zelfbevestiging, geen zelfkritiek. Wel warme gevoelens, geen oordeel en schuld. De kerk, al lang niet meer een factor van maatschappelijk gewicht, een service-instituut waar je religieuze dingen kunt realiseren. Geloof als gebruiksartikel. En, als het niet meer werkt, als wegwerpartikel.

 

Voor geheide christenen staat deze manier van kijken en omgaan met geloof natuurlijk haaks op wat  Jezus voorstond. Voor Hem was religie leven coram Deo, voor het aangezicht van God. Voor Hem was geloof relatie, met God en je medemens. Het was (en is!) verzoening van schuld en vrede met jezelf en de ander, met de Ander.

 

Gebruiksartikel

Dus, mooi dat secularisatie niet langer klinkt als het ultieme evangelie, maar toch krijg je wat oprispingen bij de manier waarop religie lijkt terug te komen in het publieke debat. Daar lijkt immers het initiatief van geloof nog steeds bij de individuele mens te liggen en niet bij die eeuwigtrouwe God. Terwijl dat juist is waarom een mens kan blijven geloven, kan blijven liefhebben. Mooi werd dat uitgedrukt in een geschiedenis die Marja van der Veen ooit vertelde bij een jubileum van het Nederlands Bijbelgenootschap. Ze was in Afrika geweest en was onder de indruk gekomen van een vrouw die een bijbel op haar hoofd droeg. Nieuwsgierig vroeg Marja: waarom doe je dat? De vrouw antwoordde: er zijn veel boeken die ik moet lezen, maar dit boek leest mij...

 

Geloof als gebruiksartikel. Het geeft kriebels, het is onwennig. Toch is het maar beter te zien of er vanuit dit startpunt wellicht een stap naar waarachtig geloven kan worden gezet. Als je op deze manier toch in de omgeving van God komt, dan kan er iets gebeuren, dan kan je iets ontdekken. Dat op onverklaarbare manier je leven vervuld wordt bij die 'rituelen'. Dat een lied toch je hart raakt. Dat ergens iets resoneert, dat een snaar wordt geraakt die je ineens op toonhoogte brengt. Dat kan zomaar. God moves in a mysterious way, zong Cooper. Wie weet.

 

En er zijn vormen van christelijk geloof die bij deze nieuwe zoektocht aansluiten. Ik bedoel dan niet 'de vrijzinnigheid', die door de meest merkwaardige mensen, tot in de politiek toe, ineens verheerlijkt wordt. Neen, ik denk aan de oosterse orthodoxie. Vaak heb ik aan hun liturgie moeten deelnemen, van Russisch-orthodoxen tot Armeens-orthodoxen. Bij die laatsten heb ik zelfs in een processie moeten meelopen, om de kerk heen. Maar wat me het meest is bijgebleven, is hun eredienst, hun liturgie. Het gaat daar vrij toe, priesters en gelovigen lopen vrij heen en weer en een koortje houdt de zaak wel in de juiste sfeer. Kaarsen branden, er klinkt een bel. Het evangelie wordt rondgedragen. Lang heb ik me afgevraagd wat nu het beste de sfeer in die kerken kan beschrijven. Uiteindelijk vond ik het: het lijkt wel de huiskamer van God, die als een Vader maakt dat iedereen zich welkom voelt. De huiskamer van God, waar voor zoekers iets te beleven valt. Of Iemand te ontmoeten. Waar een gebruiksartikel bestaansgrond wordt.

 

Jan van Butselaar was algemeen secretaris van de Nederlandse Zendingsraad

Lees verder

Bijbellezen met kinderen is een avontuur

29-09-2017

Geregeld komen ze bij het NBG binnen: vragen van ouders en grootouders over bijbellezen met kinderen. ‘Ik wil met mijn kinderen in de Bijbel lezen, hoe pak ik dat aan?’ En wat te doen met al het geweld in de Bijbel, kunnen ze dat aan?

Als je samen met kinderen in de Bijbel gaat lezen, zijn twee dingen heel belangrijk: blijf dicht bij het kind en blijf dicht bij de Bijbel. Vertrouw op de zeggingskracht van de bijbelverhalen zelf. Luister goed naar de verhalen om te ontdekken wat zij te vertellen hebben. En vertrouw er ook op dat je kind zelf kan nadenken over deze verhalen en over hun betekenis. Kinderen hebben van jongs af aan hun eigen ideeën, beelden en vragen bij verhalen. Luister goed om te ontdekken waar jouw kind nieuwsgierig naar is. Laat je verrassen door de ontdekkingstocht die dan kan ontstaan!

 

Drie tips voor in de praktijk

Dicht bij de Bijbel en dicht bij het kind blijven klinkt mooi, maar hoe pak je dat aan?

Tip 1: Bereid je goed voor. Kies een vast moment dat voor jou en je gezin haalbaar is, en probeer dat een tijdje uit. Elke dag na het eten, elke woensdagmiddag of alleen in het weekend. De regelmaat is belangrijker dan hoe vaak. Zorg voor voldoende tijd om samen te kijken, te lezen, over de tekst te praten of om er iets mee te doen. Maak er ook een bijzonder moment van, waarmee je markeert dat de Bijbel niet zomaar een boek is. En kies een bijbel die past bij de leeftijd en het niveau van je kind: een peuter-, kleuter- of kinderbijbel met hervertellingen, of vanaf een jaar of acht de Bijbel in Gewone Taal.

Tip 2: Speel in op de eigenheid van je kind. Ieder kind is anders, probeer daar rekening mee te houden. De een leest, denkt en praat graag, de ander beleeft veel aan mooie illustraties, en een derde wil het liefst lekker aan de slag. In de Samenleesbijbel hebben we bij het ontwikkelen van het extra materiaal rekening gehouden met de acht leervoorkeuren van kinderen. En ook in ons bijbelblad Alef doen we dat steevast. Dit geeft hen plezier in het bijbellezen en  zo ontdekken ze meer van de verhalen en hun betekenis, het blijft hen beter bij.

Tip 3: Ga in gesprek. Denk samen na over het verhaal en de hoofdpersoon (hoe zou het voor hem of haar zijn?), over jezelf (kennen jullie zo’n situatie, wat zou jij doen?), en over God en geloof (kunnen wij ook een lied maken om God te danken? Op wat voor plek zou God willen wonen, denk je?). Het lijken soms grote onderwerpen, maar kinderen kunnen hier al jong op hun eigen manier over nadenken. Voor een open gesprek is voldoende tijd en rust belangrijk. Zorg voor veiligheid en gelijkwaardigheid. Houd je aan de gouden regel: alles wat gezegd wordt, is waardevol. Er zijn geen foute antwoorden. En: een vraag mag een vraag blijven, het is niet erg als je als ouder geen eenduidig antwoord hebt.

 

Moeilijke verhalen

De Bijbel is geen gemakkelijk boek. Er is geweld: Al in Genesis 4 doodt Kaïn zijn broer Abel. Even later verdrinken alle mensen behalve Noach en een paar familieleden en dieren. Er wordt oorlog gevoerd waarbij veel mensen gedood worden. Jezus sterft aan het kruis. En er zijn de verhalen waar de duivel in voorkomt. Hoe ga je om met deze ‘moeilijke verhalen’? Ook hiervoor geldt: let goed op het kind, en onderzoek het bijbelverhaal zelf.

Wat past bij je kind, en wat kan het aan? Dat heeft allereerst te maken met zijn of haar leeftijd: jonge kinderen denken vooral concreet, en verhalen en werkelijkheid lopen voor hen meer door elkaar. Verhalen kunnen daardoor directer binnenkomen. Als kinderen ouder worden kunnen ze abstracter denken en ook makkelijker verschillende perspectieven innemen. Daarbij is ieder kind anders: het ene kind is gevoeliger dan het andere. Tegelijkertijd: kinderen hebben hun eigen logica en reacties op moeilijke verhalen. Hen vallen vaak andere dingen op dan waar wij als volwassenen van schrikken. Het is dus belangrijk om altijd aan te sluiten bij hun eigen vragen, ideeën en denkkracht.

 

Betekenis

Wat vertelt het verhaal? Kijk ook goed naar de kern van het verhaal. Meestal wordt er veel meer verteld dan geweld en dood. Ga samen met je kind op zoek naar die betekenis. In bijbels voor jonge kinderen wordt dit vaak al gedaan in de hervertellingen en illustraties: het verhaal van Noach roept meestal niet de gedachte op dat alle mensen verdrinken, maar wel de belofte van verbondenheid met God. Kinderen ervaren dat de kern en de basis de liefde van God is. Een ander voorbeeld: als je leest over de duivel die Jezus verzoekt in de woestijn, blijf dan niet bij de duivel hangen. Kijk samen naar de keuzes die Jezus maakt, en wat die betekenen. Kies bewust welke verhalen je leest, en kijk of de kinderbijbel een keuze maakt waar je achter staat.

In de Samenleesbijbel lezen kinderen van 8-12 jaar delen uit de Bijbel in Gewone Taal en gaan zij daarmee aan de slag met weetjes, vragen, liedjes en doe-opdrachten. We hebben gekozen voor drie routes door heel de Bijbel heen, die steeds iets uitdagender worden. Het verhaal van Noach lezen we bijvoorbeeld pas in Route 3. We benoemen ook de moeilijke kant ervan, en geven tips om daar met elkaar over te praten. Bij het verhaal van Jezus dood, dat we in Route 2 en 3 lezen, is een gebed opgenomen. Het kan ook goed zijn om een andere tekst naast het moeilijke verhaal te zetten, bijvoorbeeld een psalmvers waar troost of bescherming uit spreekt.

Bereid je goed voor, en als je samen gaat lezen kijk en luister dan goed. Praat samen over de mooie en moeilijke kanten die een verhaal bij je kind oproept. Zie het als een gezamenlijke ontdekkingstocht. En durf op die reis een vraag echt een vraag te laten zijn, en soms ook te laten blijven.

 

Drs. Maartien Hutter is pedagoog en theoloog en werkt bij team Bijbelgebruik van het Nederlands Bijbelgenootschap. Daar is zij onder andere betrokken bij de Samenleesbijbel, Alef - het bijbelblad voor kinderen, de nieuwe kinderdienstmethode Bijbel Basics, en de presentatie voor (groot)ouders en kerken over bijbellezen met kinderen. Een presentatie aanvragen bij jou in de kerk? Stuur een mail naar info@bijbelgenootschap.nl o.v.v. ‘Presentatie bijbellezen met kinderen’.

Lees verder

Theo Bovens: We moeten de wederzijdse afhankelijkheid bevorderen in de samenleving

21-08-2017

Zelf de regie over je leven houden, als een onafhankelijk en vrij mens. Dat ideaal sluit naadloos aan bij de reclame, maar ook bij het beleid van de overheid. Tot het te duur werd, en de samenleving een participatiesamenleving moest worden. Toch blijft afhankelijkheid een beetje een vies woord. Wie wil dat nou? Het is daarom een gewaagd thema van het Christelijk Sociaal Congres: ‘Op elkaar aangewezen’. Oftewel: hoe bevorder je afhankelijkheid? Want iedereen kan zomaar aan de andere kant van de streep terecht komen, zegt Theo Bovens.

Mensen van nu zijn autonome mensen die zelf de regie in handen hebben. Dat is het algemene mensbeeld in de samenleving, en het uitgangspunt van veel overheidsmaatregelen. Maar zijn we niet juist heel afhankelijk van elkaar, en zou dat niet veel meer tot ons moeten doordringen?
Daarover gaat het Christelijk Sociaal Congres (CSC), dat eind augustus plaatsvindt. Een van de sprekers is de gouverneur van Limburg, Theo Bovens.

Het is een gewaagd onderwerp van de CSC: hoe bevorder je afhankelijkheid. Autonomie en onafhankelijkheid staat bovenaan het verlanglijstje.
“Inderdaad, de trend is net andersom. Het is een uitdagend onderwerp omdat het zo rechtstreeks ingaat tegen het mensbeeld van de mondige mens die zichzelf wel kan redden. Maar dat is een idee fixe, je kunt jezelf niet redden. Op ieder moment van je leven kun je aan de andere kant van de streep terecht komen, iedereen is kwetsbaar. Ondertussen groeit de kloof tussen de mensen die wel en de mensen die niet kunnen meekomen in de samenleving. En de mensen die dat wel lukt, gaan er vaak vanuit dat het de mensen aan de andere kant ontbreekt aan de wil daartoe. Want ‘als het mij lukt, waarom hen dan niet?’
Ook in de politiek en het openbaar bestuur is zelfbestuur het hoogste goed. Feitelijk is de idee dat iedereen het helemaal in zijn uppie redt. De notie dat je ook voor anderen moet zorgen, wordt daarmee ondermijnd, de solidariteit neemt af. Wel dringt langzamerhand ook tot de overheid door dat die hulp van anderen onmisbaar is.”

‘De ruimte geven aan kwetsbaarheid, onvolmaaktheid en improvisatievermogen’ staat in de omschrijving van het doel van dit congres. Vanwaar het improvisatievermogen?
“Mijn ervaring is dat improvisatievermogen een talent is van kwetsbare mensen. Maar doordat er zoveel regels zijn, komt dat improvisatietalent in het gedrang. Als je gaat improviseren, houd je je namelijk niet aan de regels. De overheid en vele andere organisaties dwingen mensen door hun regels in hun systeem.
Het ontbreekt mensen die in de problemen zitten vaak wel aan organisatietalent, dat is een apart element in deze discussie. Problemen tasten vaak het organisatietalent aan, je overziet het allemaal niet meer. En die problemen kunnen zomaar opduiken, bijvoorbeeld als er iemand in je directe omgeving overlijdt.”

Wij zijn toch al lang afhankelijk, misschien wel meer dan ooit: elektriciteit, internet en andere zaken.
“Er zijn nog steeds mensen die helemaal geen internet hebben. Maar inderdaad zijn we ons vaak weinig bewust van onze afhankelijkheid van deze dingen. Af en toe merk je daar iets van, wanneer er een stroomstoring is, zoals laatst in Noord-Holland. Misschien moeten we af en toe even een stroomstoring meemaken om het te ondervinden. Of alleen maar als gedachte-experiment.
Afhankelijkheid is natuurlijk evengoed intermenselijk, dat merken mensen bijvoorbeeld na een verbroken relatie of een overlijden. Het is immers niet verplicht met elkaar in contact te treden. Eenzaamheid is een groot probleem dat alleen maar toeneemt, het is een van de grootste problemen van de westerse samenleving. Eenzaamheid is een grote zorg voor de overheid.
Het is ondertussen een ingewikkelde puzzel voor de overheid om constant te moeten afwegen tussen de burger die het allemaal zelf kan - en dat is ook een groot goed! - en de mensen die daartoe niet in staat zijn. De overheid moet zich goed bewust zijn van dit dilemma, niet iedere burger is mondig en succesvol, en redt zich er wel mee. Neem het invullen van het belastingformulier op internet, in hoeverre moet je rekening houden met mensen die dat niet kunnen? Of neem de publicatieplicht van de overheid, die vroeger plaatsvond in de huis-aan-huisbladen maar nu digitaal, op een website. De afstand tussen een flink aantal burgers en de overheid groeit.
Daarbij komt dat lokale overheden hun takenpakket zien uitgebreid. Zij zullen fysieke loketten open moeten houden. Ook al omdat daar waar de gemeentes wel in de wijk aanwezig zijn - bijvoorbeeld in de wijkteams - de burger dit niet altijd herkent als zijnde een onderdeel, een gezicht van de overheid.”

Hoe keer je de trend van de autonomie, als die zo sterk is?
“Die trend keer je niet, en dat komt mede door die digitalisering. Alternatieven voor digitalisering worden daarom steeds belangrijker. De overheid moet haar burgers niet gaan zien als ‘klant’ of een nummer. Het rapport van de WRR Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid, was in dit opzicht veelzeggend. De grote systemen van overheid en instellingen hebben als taak rekening te houden met mensen die het niet kunnen bijbenen. Gelukkig is het wel zo dat Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen - waar dit thema onderdeel van moet zijn - steeds meer in zwang komt. Dat is een tegenkracht.”

Het CSC wil de drang naar perfectie tegenspreken. Ook daarbij hebt u het tij tegen.  
“Aandacht voor imperfectie is een oude traditie van het CSC, het is een troostvolle gedachte dat je niet perfect hoeft te zijn!”

Komt u dit onderwerp tegen in uw werk als Gouverneur van Limburg?
“Eigenlijk maar weinig. De provincie is een tussenbestuur, wij komen vaker in contact met organisaties dan met burgers. Wat wel kan, is subsidies geven aan organisaties die samenhang en solidariteit bevorderen. Een relatie met elkaar hebben, geeft namelijk identiteit. Je hoort bij je gezin, je familie, bij je dorp, daarvoor kom je in beweging. Dat kan misschien ook helpen die mensen in beweging te krijgen die anders voor weinig meer te porren zijn. In ons geval: als je je Limburger voelt, ben je betrokken. Dat is iets waar de overheid over moet nadenken, over de mogelijke kracht van groepsidentiteit.
Dat geldt overigens niet voor elke provincie even sterk. Ronald Plasterk zei na zijn mislukte poging om het aantal provincies te verminderen, dat bij een volgende poging Friesland, Noord-Brabant en Limburg daarvan uitgesloten zouden moet worden. Die provincies hebben een heel sterk besef van eigen identiteit. Natuurlijk is er ook een keerzijde: groepsidentiteit kan ook uitsluiten, daar moet je voor waken.”

U bent voorzitter van het Kansfonds. Doet dat fonds niet iets wat de overheid zou moeten doen?
“Dat is eigenlijk een politieke vraag: hoeveel moet de overheid doen? Ik denk dat de overheid niet alles kan oplossen. Dat heeft te maken met het gelijke behandeling waarmee de overheid rekening moet houden. De overheid moet iedereen gelijk behandelen. Ooit kreeg ik als wethouder Sociale Zaken vier vakantiereizen aangeboden, bedoeld voor gezinnen van bijstandsgerechtigden. Maar hoe doe je dat als er vierduizend mensen zijn die daarvoor in aanmerking ouden kunnen komen? Daarom hebben wij dat overgelaten aan een particuliere organisatie die de mensen zelf kent, en weet waar ze goed besteed zijn.
Het Kansfonds is zo’n particuliere organisatie, maar die werkt overigens soms samen met de overheid, zoals ook met andere vrijwilligers, kerken, diaconieën, etcetera.”

Wat verwacht u van het congres? Waar ziet u het meest naar uit?
“Het gevaar kan zijn dat je daar vooral gelijkgestemden tegenkomt, en daardoor is het soms een beetje preken voor eigen parochie. Maar het is ook bemoedigend mensen tegen te komen die dezelfde visie hebben als jij. En ik hoop op verrassende inkijkjes van anderen.
Daarnaast hoop ik natuurlijk op ideeën voor antwoord op de grote vraag: hoe krijg je die wederzijdse afhankelijkheid terug in de samenleving? Op het CSC zijn allerlei organisaties vertegenwoordigd, zij zullen ermee aan de slag moeten.”

tekst Ineke Evink, beeld Provincie Limburg

_______________________

CSC: Op elkaar aangewezen

Het thema van het Christelijk Sociaal Congres (CSC) is ‘Op elkaar aangewezen’. Want: we zijn op elkaar aangewezen, we kunnen niet zonder elkaar. Met lezingen van Kim Putters, directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, en Theo Bovens, gouverneur van de provincie Limburg. Reflecties hierop door Sybrand van Haersma Buma (CDA) en Carola Schouten (CU)
Er zijn interactieve deelsessies middels social hackathons over het vergroten van afhankelijkheid tussen jong en oud, vast en flex, milieu en economie, en tussen denkers en doeners.
Het thema is gebaseerd op een centrale vraag uit het visiedocument van de CSC De Kracht van Verbondenheid, dat in 2016 verscheen naar aanleiding van het 125-jarig jubileum: Hoe kunnen we kwetsbaarheid, onvolmaaktheid en improvisatievermogen de ruimte geven en zo de drang naar perfectie en eenvormigheid tegenspreken en de vitaliteit en leefbaarheid van de samenleving versterken?
30 en 31 augustus, Landgoed Zonheuvel, Amersfoortseweg 98, Doorn.

www.stichting-csc.nl/congres-2017

_______________________

Social Hackathon

Een Social Hackathon is een samenstelling van ‘sociaal’ en ‘marathon’. Het is een evenement waar je één dag samenwerkt met anderen om van sociaal idee een concreet plan te maken. Vaak blijven mensen hangen in de idee-fase, omdat ze niet het juiste netwerk hebben of niet weten hoe ze het kunnen realiseren. Met een Social Hackathon wordt deze idee-fase teruggebracht naar één dag. Met behulp van de aanwezige netwerken en met een concrete methodiek kun je met een groep mensen sociale ideeën veranderen in een praktisch plan.

Lees verder

Tomas Halík: Liefde als voorproefje van de eeuwigheid

05-08-2017

Veel christenen kunnen geen kant meer op met de manier van geloven van vroeger, met allerlei zekerheden en vanzelfspreken dheid. Maar wat blijft er nog over van je geloof, bijvoorbeeld van de verwachting dat het met de dood niet is afgelopen? De drie boeken van de Tjechische theoloog en priester Tomáš Halík kunnen helpen. Zijn laatste boek Ik wil dat jij bent handelt over de liefde. Maar dan niet de zoetsappige en vrijblijvende variant, maar de liefde als heilig en vreeswekkend mysterie.

Kort achter elkaar verschenen bij uitgeverij Boekencentrum drie boeken van de tot dan toe in Nederland volstrekt onbekende Tsjechische Rooms-Katholieke theoloog Tomas Halik.  Het zijn niet zomaar drie willekeurige boeken van deze schrijver. Zelf beschouwt hij ze in ieder geval als een drieluik.  Een drieluik, dat verwijst naar de heilige Drie-eenheid en naar haar aardse evenbeeld, de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde. Het eerste boek, ‘Geduld met God’, moet dan vooral gelezen worden als een boek dat cirkelt rond het geheim van het geloof, het tweede thematiseert de hoop en nu verscheen het derde dat de titel draagt: ’Ik wil dat jij bent’.  In de drukproef luidde de ondertitel: ‘Het christendom na de religie’.  Die ondertitel is ook in het boek zelf op het schutblad terecht gekomen. Maar op het omslag, dat qua vormgeving heel sterk doet denken aan  ‘Geduld met God’, staat als ondertitel : ‘Over de God van liefde’. Waarom dat is , weet ik niet. Het is in ieder geval zo, dat alle drie de boeken van Halik gaan over het christendom na de religie, maar dat dit deel specifiek gaat over de God van liefde.

 

Eucharistie

Hiermee is niet alleen een trilogie volbracht, maar ook een dankoffer gebracht aan de Drie-enige God en een nieuwe toegang gezocht om deze Drie-enige God te vinden. Expres gebruikte ik  hierboven  het woord drieluik. Een drieluik hoort bij een altaar. En op het altaar wordt een dankoffer gebracht (eucharistie).  Het gaat in de geloofstraditie waarin Halik staat om het mysterie van de menswording van God, de grote liefde waarin Hij zich verbond met de wereld van de mensen. Dat wordt gevierd op het altaar elke dag, elke zondag in het bijzonder.  Het mysterie van de liefde Gods in de menswording zet zich op sacramentele wijze voort in de eucharistie waarbij brood en wijn  het lichaam en het bloed van de Godmens symboliseren. Zo werkelijk is Hij onder ons tegenwoordig. En tegelijk is het een verborgenheid. Je moet er een levend hart en nieuwe ogen voor krijgen om het te zien. Wanneer je  eenmaal het geestelijke inzicht ontvangen hebt,  dan zie je het mysterie niet alleen in  de eucharistie zich voltrekken, maar dan ga je het  ook in de wereld ontdekken en in jezelf. Sinds God zich in de incarnatie met mens en wereld verbonden heeft, zijn de  sporen daarvan te ontdekken. Maar niet aan de oppervlakte. Oppervlakkig bezien was Jezus gewoon een timmerman uit Nazareth, maar voor wie geopende ogen kreeg was Hij de Godmens. Na zijn opstanding is Hij niet herkenbaar voor hen die alleen met het blote oog kijken. Voor wie Hem met aangevochten geloof, gebutste hoop en vooral met liefde blijven zoeken, verschijnt Hij echter als de Levende, die sterker is en zal blijken te zijn dan de dood.

 

Spiritueel

 In deze bovenstaande alinea meen ik de kern van zowel de theologie als de spiritualiteit van Halik te hebben samengevat. De boeken van Halik zijn door en door vroom, gereformeerde protestanten zouden zeggen: bevindelijk. Ze zijn theologisch van hoog niveau, maar de theologie ligt er niet bovenop, ze ligt er  vooral onder. Het feit, dat zijn boeken snel een behoorlijke schare lezers hebben gevonden in brede lagen van de christenheid in ons land zal hiermee samenhangen. Hier is geen ‘striptease’ theoloog aan het woord, iemand die vooral vertelt wat hij allemaal in het proces van de secularisatie verloren is onderweg ,maar iemand die vertelt wat hij gevonden heeft. Tegelijk is hij echter ook iemand, die mensen die alles verloren hebben aan oude en vertrouwde zekerheden volledig begrijpt. Hij is niet op een gekunstelde manier, maar in zijn ziel en met zijn verstand solidair met hen.

 

Liefde op leven en dood

Op gemeenteavonden en in theologische gesprekskringen kom ik nogal eens mensen tegen, die  vertellen van de zekerheden, die ze vroeger hadden en waar nu bijna niets meer van over is. Ze vertellen hierover met een mengeling van dankbaarheid en verweesd zijn.  ‘Maar w e kunnen  en willen toch ook niet terug…’. De verlegenheid, die overbleef manifesteert zich op allerlei manieren, maar wel in het bijzonder wanneer het gaat over de dood.  Durven we nog te geloven in een leven na de dood? En als we erin geloven is die verwachting dan niet dermate bleek geworden, dat er nauwelijks vreugde en troost aan ontleend kunnen worden? Juist deze mensen zou ik aan willen raden Halik te lezen. Na alles wat ze verloren hebben, nodigt Halik hen uit nog één keer opnieuw te beginnen. Dat nieuwe begin bestaat eruit, dat ze zich open stellen voor het mysterie van het leven zelf, dat is de liefde, het geheim van gekend zijn. ‘Ik spreek over God die middenin het leven en de liefde staat, niet ergens daarbuiten, aan de overkant. Wij maken deel van hem uit, in de mate waarin wij volledig ondergedompeld zijn in het leven en de liefde; wij maken deel van hem uit als we niet slechts surfen over het oppervalk van het leven en de liefde voor ons meer is dan alleen amusement in een pretpark’.( p.176).

 

Vreeswekkend

God is de eeuwige oerbron van liefde, waaruit alle andere liefde voortkomt tot en met de liefde voor de vijand. Hoe meer we in de liefde leven, hoe meer is God voor ons realiteit en leven we nu al in de eeuwigheid. We leven niet naar de dood toe, we leven naar het eeuwige leven toe, dat hier en nu al werkelijkheid is. De vraag of er nog iets is na de dood en of dat de moeite waard is om naar uit te zien wordt zo een heel vreemde vraag.  De dood brengt ons voor goed in de eeuwigheid, die we hier en nu in het mysterie van de liefde al kennen. Het mysterie van de liefde is echter niet zoetsappig en ongevaarlijk. Het is ook het mysterium tremendum, zoals Rudolf Otto dat noemde. Het is een heilig en vreeswekkend mysterie. J e kunt er niet mee sollen. Wie ermee solt, wie het permanent tegen beter weten in schendt zal er ten laatste buiten vallen. Daarom verwijst Halik bij alle spreken over God als de liefdesbron  de hel niet naar het rijk der fabelen. (hfdst. 11).

 

Drijfveren

Wie de drie boeken van Hailk gelezen heeft kan zich intussen een  aardig beeld vormen van zijn drijfveren en  de bronnen waaruit hij put. Om bij dit laatste te beginnen, zijn bronnen zijn de heilige schrift en een rijke theologische traditie daarna. Die traditie werkt ook schiftend en sturend in de omgang met de schrift.  Bovendien zijn in die traditie duidelijke  keuzes gemaakt. In zijn laatste boek valt vooral zijn voorliefde voor de woestijnvaders en de zo geheten apofatische theologen op (apofatisch betekent, dat je over God als mysterie eigenlijk alleen maar kunt stamelen). Die apofatische theologie wordt dan van tijd tot tijd verbonden met (reformatorische) kruistheologie en paradoxale theologie: God is daar te kennen waar Hij het meest verborgen is.  Zo worden eigenlijk in het werk van Halik de westerse katholieke traditie, de oosterse orthodoxe traditie en de protestantse paradoxale theologie in elkaar vervlochten. Of dit in alle opzichten de toets der kritiek kan doorstaan is een vraag, waar onderzoekers zich zeker over moeten buigen. Halik schrijft als spiritueel en creatief theoloog, niet als systematisch theoloog. Er zijn op dit terrein echter wel belangrijke vragen te stellen.

Wat zijn drijfveren betreft, Halik kan maar niet geloven, dat een mens zonder geloof gelukkig kan zijn en zo tot zijn bestemming kan komen. Het atheïsme is in vele opzichten begrijpelijk, maar heeft geen geduld genoeg. Wie langer zoekt en dieper peilt stuit op God. Zeker weten. D e vraag die hierbij te stellen is:  neem  je zo met alle begrip voor de atheïsten hen uiteindelijk wel serieus?   Maar dat mogen ze zelf dan zeggen.

 

Wim Dekker

 

Tomáš Halík, Ik wil dat jij bent. Uitg. Boekencentrum Utrecht 19,90 euro

Lees verder

'God duikt op in kwetsbare, onooglijke gestaltes'

20-07-2017

In september 2017 krijgt de Amsterdamse Noorderkerk een tweede dominee. Dat is tamelijk uitzonderlijk in een tijd waarin grote-stadsgemeenten al blij zijn een parttime-predikant te kunnen behouden. Paul Visser, de huidige voorganger van de ‘Noorder’, krijgt de handen vrij voor missionair pionierswerk, Johan Visser (geen familie), momenteel predikant in Antwerpen, wordt gemeentepredikant. een gesprek over de nieuwe werkelijkheid van de kerk: kleiner, verkleurend, verrassend.

We treffen elkaar in het kerkgebouw van de Christusgemeente, in de joodse wijk, pal naast het station van Antwerpen. Hier komt elke zondag een kleine gemeente bijeen. Sinds 2007 is Johan hier werkzaam. ‘In die periode heb ik geleerd wat het is om kerk te zijn in een minderheid. België kent niet zo’n ‘christelijke infrastructuur’ zoals in Nederland, met protestants-christelijke organisaties, media, etc.. Ook bij rooms-katholieken is het raamwerk steeds meer aan het verdampen Je staat als een kleine minderheid met het vreemde verhaal van het evangelie in een moderne samenleving. Daarbij kun je op allerlei manieren proberen aan te sluiten bij de geschiedenis en de cultuur, maar als het op de essentie aankomt, ben je een minderheid. Het zou te kras zijn om te zeggen dat ik die positie heb leren omarmen; ik heb het leren aanvaarden als een roeping. Het is onvruchtbaar terug te verlangen naar de dagen van weleer, dat gevoel duikt soms nog weleens op. Maar we moeten de weg gaan die Geest ons vandaag wijst.’

 

Accepteren. ‘Omarmen’ vind je te sterk uitgedrukt.

‘Ja, want het is niet alleen maar makkelijk. Kerkzijn in deze context is boeiend, maar ook kwetsbaar. Vergelijk het met geloofstwijfel. Die is er, je hebt er mee te dealen, maar het gaat te ver om ze toe te juichen.
Ik denk bijvoorbeeld aan de catechese. Het bijbelse kader staat ver af van de dagelijkse leefwereld van jongeren. Je doet je best om basale kernen van het christelijk geloof mee te geven - gebed, gebod, geloof – in de hoop en met het verlangen dat het wortel schiet in hun leven, maar het is heel fragiel. Je zoekt naar vormen waarbinnen je het geloof en het leven kunt delen. Voor mijn gevoel hebben de evangelischen in België, met hun strakker georganiseerde mini-zuil, het iets makkelijker dan wij, ‘gewone’ protestanten.’

 

Het lijkt een goede leerschool voor een predikantschap in Amsterdam.

‘In Amsterdam lijkt het me qua aantallen vergelijkbaar, al komt de kerk daar vanuit een meerderheidspositie. Je hebt nog sterker dan hier de kans dat mensen in het verleden nog iets met kerk en geloof hadden.’
Paul: ‘Klopt. De protestantse kerken zijn door de geschiedenis van de stad altijd prominent aanwezig geweest. De Oude Kerk, de Nieuwe Kerk, de Wester, de Noorder. Maar die indruk staat niet in verhouding tot de aantallen kerkgangers. Amsterdam telt ongeveer 14.000 meelevende christenen van wie er hooguit 2.000 tot de Protestantse Kerk Amsterdam behoren, hooguit. De migrantenkerken vormen een veel grotere categorie.
Het is inderdaad ongepast om de minderheidspositie van de kerk toe te juichen. Juist omdat een vangnet van een ‘christelijke bedding’ ontbreekt, komt het voor de gemeenteleden in de grote stad aan op stug volhouden. Als je afhaakt ben je één van de velen, als je blijft ben je een uitzondering. Die ervaring heeft me wel dichter bij de bijbelse werkelijkheid gebracht. Het ‘grote verhaal van God’ gebeurde ook in de Bijbel in de regel als een piepklein verhaaltje, in de marge van de toenmalige wereld. De voortgang van het heil hangt geregeld aan een zijden draadje. De kerk is op veel tijden en plaatsen een voetnoot in de geschiedenis. Dat geeft zijn eigen aanvechting.’

Johan: ‘Soms kan die je overvallen, als je op zondagmorgen met een klein groepje bijeen bent: we hebben in het evangelie zoveel goeds en moois…we zijn er door gegrepen. Hoe komt het toch dat mensen er zo achteloos aan voorbij leven?’

 

Eén van de lessen uit 10 jaar België is dus: durf een minderheid te zijn. Andere nog?

Johan: ‘Het christendom verkleurt. Het idee dat wij blanke westerlingen de wereld redden is passé. Je ziet dat proces zich in rap tempo voltrekken in de protestantse gemeenten en ook in de Rooms-katholieke kerk in België, waar veel migranten uit Oost-Europa, Afrika en het Midden-Oosten aanhaken. Ook onder evangelischen zijn het hier de grootste groepen. Die ontwikkeling zal zich de komende jaren doorzetten, verwacht ik. Ik vind dat een uitdaging.’

Paul: ‘In Amsterdam zie ik die ontwikkeling ook, maar er is nog heel weinig structureel contact tussen de PKA en de migrantengemeenschappen. Veel collega’s hebben weinig op met de evangelisch-charismatische theologie van de migranten. Maar er zijn meer bottle-necks. De liefde moet van twee kanten komen. Lang niet alle migrantengemeenschappen staan open voor contact met autochtone kerken. Wat dat betreft hebben we allemaal een zekere bekering nodig.’

 

Als predikant van een kleine gemeente heb je toch af en toe een groot podium: je schrijft bijvoorbeeld een column voor Knack.

Johan: ‘Dankzij de aandacht voor islam is er bredere belangstelling voor religie bij de media. De protestantse kerk in België heeft een aantal theologen die mee kunnen doen in het debat. Ook in het contact met scholen, merk ik openheid. In openbare scholen kunnen leerlingen de lessen volgen in de levensbeschouwing van hun keuze. Steeds meer gaan men in de kader van elkaar leren kennen ook in de verschillende gebedshuizen op bezoek. Dat, en de organisatie van ‘religieuze wandelingen’, levert nogal eens bezoekjes en gesprekken op. Het protestantisme als persoonlijke overtuiging, zonder enige dwang, dwingt respect af.

Op het moment dat je stevig verankerd staat, in je identiteit, ‘in Christus’ kun je onbevangen open staan voor anderen. Dan krijg je ook meer oog voor de vraag waar Christus is buiten je eigen kerk. Hij is Heer van de kosmos, Hij is niet alleen in ons kerkje bezig. In zo’n kleine Christus geloof ik niet. Tegelijk realiseer ik me dat Hij niet paradeert over de straten, Hij duikt op in kwetsbare, onooglijke gestalte.
Diaconie was nooit zo’n sterk punt van onze gemeenschap. Dat lieten we in het verleden meer over aan onze broeders en zusters met een meer ‘socialere insteek’ of een bevrijdingstheologie. In de afgelopen tijd heb ik meer oog gekregen voor het werk van Christus in de marge van de samenleving. In het rauwe, basale geloof van vluchtelingen, vrouwen vaak, met traumatische ervaringen. In en ondanks hun misère hebben ze de vreugde en de moed van het geloof weten te bewaren.’

Paul: ‘Mooi om ‘vonken van het licht’ te herkennen. Soms kan het ook vies tegenvallen, als het dwaallichtjes zijn die zomaar weer uitdoven. Van Bavinck heb ik geleerd om erop bedacht te zijn dat God op onverwachte momenten kan opduiken in de werkelijkheid. Zelfs als het op het eerste gezicht lijkt alsof Hij er uit wordt weggeduwd. Hij dient zich steeds weer aan. God is niet stuk te krijgen en het is aan ons om daar eerbiedig mee om te gaan. Het mooie vind ik dat Hij zich in Amsterdam soms ook meldt bij mensen zijn die een zeer geslaagd leven achter de rug hebben. Als ik ergens zie wat genade en uitverkiezing betekenen, is het wel in Amsterdam. Mensen worden erbij gehaald, zonder dat ze het zelf ooit hadden gezoht.’

 

Johan: ‘Er is nog een ervaring die ik meeneem naar Amsterdam: de kracht van een gewone kerk. Het is mooi dat we een combi gaan vormen, waarbij de één vooral pionierswerk verricht en de ander gemeentepredikant is. Het gewone gemeentewerk is voor mij óók missionair. In gastvrije kerkdiensten, de serieus pastoraat, in hartelijke contacten via de website of persoonlijke ontmoetingen. De meeste groei van de afgelopen jaren kwam hier wel via dergelijke ‘alledaagse’ zaken tot stand. Mensen vonden hier een gemeenschap waar het over Christus gaat, waar we met elkaar de bijbel lezen, bidden, en naar elkaar omzien.’

Paul: ‘Het pastorale is het missionaire en het missionaire is het pastorale. Ze gaan gelijk op.

Zonder een levende gemeenschap hangt het missionaire werk in de lucht. Ze is de moederschoot – de baarmoeder zou ik haast zeggen – voor alle activiteiten. De gemeente is geroepen om ‘geworteld in Christus’ te leven, in toewijding aan God, aan elkaar en aan de wereld.

Johan: ‘Naar Belgische begrippen is het duo-predikantschap van de Noorderkerk een luxe positie. In een kleine gemeenschap, zoals in Antwerpen, ben je voor veel dingen verantwoordelijk; ook veel regelwerk. Er ontstaat nu veel meer ruimte voor inhoudelijk werk.’

Paul: ‘Laten we ons vooral biddend openstellen voor de overvloed die ons van Hogerhand is toegezegd. In het licht van wat ons nu geschonken wordt, is er veel te verwachten.’



Twee Vissers in de Jordaan

De naamsverwisseling ligt voor de hand, nu er vanaf september 2017 twee Vissers (geen familie) in de Amsterdamse Noorderkerk werken. En dan is er nog een dominee Visser in de stad, op IJburg. Paul (58) en Johan (44) hebben elk hun eigen aandachtsgebied: de één richt zich vooral op missionair pionierswerk, de ander wordt gemeentepredikant. Beiden zullen voorgaan in de erediensten in de Noorderkerk.

 

Johan Visser (47) is opgegroeid in de Gereformeerde Gemeente in Gorinchem, waar zijn vader koster was. Hij kijkt er met liefde en mildheid op terug. ‘Naarmate ik ouder werd, liep ik aan tegen de grenzen van de uitverkiezingstheologie. Na een ‘klassieke worsteling’ ontgroeide hij het kerkverband waar hij belijdenis had gedaan. De theologie van Kohlbrugge was in die tijd belangrijk voor me.’

Johan studeerde aanvankelijk internationale betrekkingen, rondde die studie ook af, voordat hij begon aan theologie. ‘Het beurzenstelsel gunde je indertijd nog twee extra jaren.’ Inmiddels was hij lid geworden van de Nederlandse Hervormde Kerk en laafde hij zich aan het werk van Noordmans en Van Ruler. ‘De eerste lees ik nog altijd graag, om zijn mystieke inslag en taalgevoel. Van Rulers theologie ademt me teveel de sfeer van het corpus christianum. Zijn theologie geeft naar mijn idee geen antwoord op de vragen van deze tijd. Een andere theoloog die al jaren met me meereist is Bonhoeffer.’
Een deel van zijn studententijd had Johan een parttime baan bij IFES-Nederland, de koepel van christelijke studentenverenigingen. ‘Een boeiende combinatie. De studentenbeweging pionierde in die jaren onder leiding van René van Loon met missionair werk. Ik verzorgde voor studenten in heel het land bijbelstudieavonden en bijeenkomsten voor geloofstoerusting.
Een vicariaat in Rotterdam-Centrum (bij ds. Henk de Graaff) gaf een klik: een nadere kennismaking met het werk in de stad. Na afronding van de theologiestudie koos hij uit een aantal beroepen voor Antwerpen. ‘Het had iets van een avontuur, een uitdaging. Dat past wel bij me.’

 

Paul Visser (58) is opgegroeid in de pastorie. Hij studeerde theologie in Utrecht, en diende achtereenvolgens gemeenten in Wijk en Aalburg, Harderwijk, Bergambacht en Den Haag. Sinds 2010 is hij verbonden aan de Noorderkerk in Amsterdam.
Hij promoveerde in 1997 in de theologie op de missionaire theologie van Johan H. Bavinck, met als speerpunt de relatie en communicatie tussen religieus besef en christelijk geloof.
Vanaf 2004 maakt hij deel uit van een internationaal missiologisch werkgezelschap, dat zich bezint op de betekenis en actualisering van de gereformeerde missiologie in verschillende contexten en culturen. Hij is cursusleider van Areopagus, het centrum voor contextuele en missionaire verkondiging (IZB).

In de Noorderkerk heeft hij de laatste jaren met veel succes veel nieuwe contacten buiten de kerk gelegd. Als ‘missionair pionier’ krijgt hij meer tijd om dat verder uit te werken voor de bewoners in en buiten de Jordaan. Met persoonlijke ontmoetingen, Bijbelklassen en activiteiten voor jongeren op zoek naar inspiratie en zingeving.

Lees verder

Waarom fascineert het lijden ons zo?

07-07-2017

Waarom is 'The Passion’ een publiek evenement en Pasen vooral een vrije dag? Waarom is de huiveringwekkende film 'Silence' in protestantse kring zo goed ontvangen? Heeft de religieuze en de seculiere fascinatie voor bloed, zweet en tranen iets met de bijbel te maken? Wat beter de bijbel lezen, zou al snel leren dat lijden en afzien geen doel is. Gods genade is namelijk helemaal gratis, het lijden van Jezus hoeft niet geïmiteerd te worden. Dat stelt bijbelwetenschapper Eep Talstra

Begin dit jaar bracht de film Silence van Martin Scorsese nogal wat pennen in beweging. Het is een verfilming van de roman Stilte van de Japanse schrijver Shusaku Endo. Het Japanse origineel verscheen in 1966 en is dit jaar opnieuw in nederlandse vertaling uitgebracht.

De roman speelt in Japan, begin 17e eeuw, wanneer christenen, na een periode van grote bloei voor de kerk, worden geconfronteerd met een overheid die christendom als on-Japans ziet en met grote vervolgingen en martelingen de kerk probeert klein te krijgen. Hoofd­personen zijn enkele jonge priesters die in het geheim naar Japan reizen om de gelovigen daar te ondersteunen en op zoek te gaan naar hun leermeester die volgens geruchten onder martelingen het geloof heeft afgezworen. De uiteindelijke strijd vindt plaats in het innerlijk van priester Rodrigues die zich oog in oog met de gruwelijkheden steeds meer begint af te vragen of God het wel ziet en waarom hij dan zwijgt. Tegelijkertijd beziet hij zijn eigen lijdensweg steeds als letterlijke navolging van de lijdende Christus, citeert daarbij teksten uit de liturgie van de lijdenstijd, maar voltrekt uiteindelijk toch zelf ook het ritueel van de afzwering van Christus. Daarbij verschijnt aan hem de beeltenis van Christus, die tegen hem zegt: ‘trap maar. Ik ben geboren om door jullie vertrapt te worden.’  Is dat werkelijk zo? Of is dat de middeleeuwse verheerlijking van het kruis, zoals in de hymne die Rodrigues bij zichzelf zingt (p. 113): Pange Lingua Gloriosi Corporis Mysterium (bezing mijn tong het mysterie van het glorierijke lichaam)?

Er verschenen diverse recensies op sites van de filmwereld, maar ook in protestants-christelijke bladen. Protestantse schrijvers toonden zich onder de indruk van de film: aangrijpend, mystiek; een innerlijke reis; hoeveel kan de menselijke geest aan voordat hij breekt? De met ons mee lijdende Jezus is aanwezig in de stilte van Gods zwijgen; Jezus, ondogmatisch en nabij.

 

Fundamenteel?

Die reacties zijn een reden om er nog eens op terug te komen. Ik heb de roman van Endo sindsdien  meer dan eens gelezen, met in mijn achterhoofd de vraag: is het lijden omwille van je geloof en de vraag of je dat kunt uithouden, nu werkelijk fundamenteel voor het geloven zelf? In de roman van Endo lijkt het lijden dé weg om meer van God te leren begrijpen en de liefde van Jezus te leren kennen Op p. 215 staat een soort conclusie, in de vorm van een gedachtegang van Rodrigues: “Hij beminde Hem (Christus) nu heel anders dan eerst. Alles wat er tot nu toe gebeurd was, was noodzakelijk geweest om die liefde te leren kennen. Hij was nu de laatste christen-priester in dit land. En Hij was niet blijven zwijgen. Zelfs al was Hij blijven zwijgen, dan nog zou het leven van de priester tot op deze dag van Hem hebben getuigd.”

Noodzakelijk’? Dat is bizar. Wat voor God is dat? Al die vermoorde Japanse christenen en al dat lijden ‘om die liefde te leren kennen’? Cynisch denk ik dan: Heeft één priester zoveel doden nodig om zelf iets bij of af te leren? Bestaat lijden om iets te leren? Dat dachten de vrienden van Job ook, maar die kregen van God zelf nadrukkelijk ongelijk. Hetzelfde ongemak voel ik bij de woorden die in de roman aan Jezus worden toegeschreven: ‘Ik ben geboren om door jullie vertrapt te worden.’ Is dat de bijbel? Of vooral de mystieke fascinatie voor bloed, zweet en tranen?

 

Sacraal

Dus het protestantse enthousiasme in besprekingen van film (of boek) begrijp ik niet, vooral niet omdat er zo weinig bijbel in doorklinkt. Protestanten bouwen de sacrale priesterrol van Rodrigues min of meer vanzelfsprekend om tot een taak voor elke individuele gelovige en vragen zich dan af: hoeveel kan een mens aan, of: kan ik aan? Waar ligt het breekpunt van een mens met een geloof?

Dat is de verkeerde blikrichting. De gruweldaden zoals de film die laat zien moet je in rekening brengen bij de beulen van alle tijden. Het zijn geen speciale vensters op geloven of op Jezus.  Gods koninkrijk hangt niet af van de vraag of ik dat geweld zou uithouden. Dat koninkrijk is al lang begonnen, sinds Pasen het menselijk geweld tot zinloos geweld heeft gemaakt. En dat rekent niet op van mijn persoonlijke uithoudingsvermogen; God weet wel beter. Het conflict gaat tussen God en alle soorten beulen; mijn binnenste of mijn spiritualiteit vormt daarvan niet het slagveld. Ik moet altijd aan Elia denken die, toen Naäman zich bezorgd afvroeg hoe hij als pas bekeerde zich in de tempel van Rimmon moest gedragen, aan een paar woorden genoeg had: ga in vrede. God vraagt niet om ons lijden, ook niet om het lijden van Jezus liturgisch nog een keer na te spelen. De roman van Endo citeert teksten uit de Latijnse liturgie die lijden en hostie vereren. Of het gaat over “pijnlijke vreugde. Het was de vreugde die een christen smaakt in solidariteit met de Zoon van God.” (p. 143) Ook klinken teksten die naar de bijbel verwijzen, maar die ik vaak maar half kon terugvinden. Gaat de liturgie boven de bijbel uit?

Dat publiek geloven regelmatig pijn doet, dat weten we allemaal. En dat Jezus zegt dat zijn leerlingen in de wereld altijd weer tegen het zwaard zullen aanlopen, zeker, dat ook. Maar kruis en lijden zijn daar niet de goede symbolen bij. De opgestane Heer is toch iemand anders: hij heeft het niet allemaal voorbeeldig uitgehouden, hij heeft het overwonnen. Dat geloof kan pijn kosten, dat voelen talloze gelovigen in de wereld. Maar Jezus verlangt niet persé ook nog een ‘eigen bijdrage’ van ons als een soort imitatie. Geweld, zonde of lijden beslissen niet meer over het leven, ook als ik dat niet kan volgen of er aan twijfel. Verder twijfelen we maar gewoon door, dat hoort bij het leven, maar het beslist niets.

 

Bijbelwetenschap

Protestantse gelovigen zijn bezig om de wereld van stellige beweringen achter zich te laten en zich te oefenen in de wereld van religieuze belevingen. Meer eucharistie, meer Maria en meer ‘praise’. Dat is na een tijdperk van hele intellectuele theologie te begrijpen, maar een beetje meer bijbelwetenschap zou nog steeds geen kwaad kunnen.

Scorsese heeft in de film de nadruk die in het boek ligt op de universele pretenties van liturgie, lijden en priesterschap, verder verschoven naar nadruk op individueel geloof en uithoudingsvermogen: de moderne religieuze fascinatie. Anders bereik je een breed publiek niet. Je merkt in de ‘seculiere’ filmrecensies dat men alleen dat punt er uit heeft gehaald.  Moderne mensen kijken naar iemands religie zoals ze naar de Tour de France kijken, of naar fietsen voor een goed doel: het grote afzien en het lijden bij het beklimmen van een col van de zoveelste categorie. Als het niks kost is het niet echt. De individuele prestatie, dat willen we zien. Maar het was gratis, zegt de bijbel. Vervelend voor religieuze doorzetters, maar zo staan de zaken.

 

Eep Talstra

 

Prof.dr. Eep Talstra is emeritus hoogleraar Oude Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam

Lees verder

Kirchentag 2017: 'U bent een God die mij ziet'

08-06-2017

Eind mei was het opnieuw Kirchentag voor de protestantse (evangelische) christenen in Duitsland. En dat was te zien. Oranje sjaals met het motto Du siehst mich kleurden Berlijn in straten en metro. Behalve een aantal kleinere podia op tal van plekken in de stad stonden er drie hoofdpodia voor de Brandenburger Tor, de Rijksdag en op de Gendarmenmarkt. 

Om de twee jaar vindt dit groots opgezette event plaats, dit keer in Berlijn. Wittenberg werd erbij gevoegd met het oog op de viering van 500 jaar Martin Luther en 500 jaar protestantisme. De Kirchentag – of eigenlijk vier dagen, van woensdag tot zondag - trekt altijd vele mensen. Dit keer 105.000 mensen die alle dagen meedoen, en vele duizenden dagjesmensen.

Dat is te veel voor Wittenberg.  Daarom was er daar een eigen weekprogramma, maar zondag werd met alle deelnemers afgesloten -150.000 - in een feestelijke viering met verkondiging  en Avondmaal op de uitgestrekte Elbenwiese.

In Duitsland is dit een groot item. De dienst werd live uitgezonden op tv. De recentelijk gekozen bondspresident Frank-Walter Steinmeier (SPD) dankte in zijn slotwoord de kerkmensen voor hun maatschappelijke inzet maar ook hun geestelijke inzet door gebed, kerkdiensten en samenkomsten als de Kirchentag. En natuurlijk prees hij Luther om zijn moed en geloof.

 

Lekenbeweging

De Kirchentag staat los van de kerkelijke leiders en instituten. Het begon na de oorlog - in het verlengde van de Bekennende Kirche – als lekenbeweging. Dat is het nog steeds de kracht van deze ontmoetingen. Niet  de bisschoppen en superintendenten bepalen het programma, maar een eigen presidium nodigt de vele sprekers uit. Onder hen vele prominente politici, haast alle ministers inclusief Angela Merkel, verder bekende en minder bekende musici, vele wetenschappers, predikanten,hoogleraren en bisschoppen uit binnen- en buitenland.

Hoogtepunt was dit keer een gesprek op het podium voor de Brandenburger Tor tussen Merkel en Obama over democratie en vrede, 70.000 waren erbij. Niemand praat op de Kirchentag over geloof en God met meel in de mond, ook de politici niet. Een Pechtold zou het hier geen uur uit houden. De sfeer heeft altijd iets van GroenLinks: het gaat over migranten, over de opvang van vluchtelingen, gendervragen, zorg en ouderen. Er is heel veel muziek, maar er is ook heel veel geloof en vroomheid. Iedereen voelt een beetje links, maar niemand is seculier zoals in ons land.

    

 

U ziet mij

Natuurlijk valt vaak de naam van Luther. Een aantal citaten hoor je overal. Over de vrijheid van een christenmens, en dat elke gedoopte een priester was, en de ware schat der kerk is het Woord van God.  Het thema - altijd een bijbeltekst - was dit keer een woord van Hagar in de woestijn: ‘U bent een God die mij ziet’. Dit thema zingt overal om je heen, waar je ook zit. In een van de grote jaarbeurshallen (3000 of 5000) of in een bijeenkomst met slechts een paar honderd. Onder hen ook veel jonge mensen.

Elke morgen is er een bijbelstudie van een uur met mooie teksten: Maria zingt: ‘dat U mij  hebt willen zien’; Jakob die zich verzoent met Ezau: ‘ik heb uw aangezicht als dat van God gezien’; en Zacheus, Jezus zag hem… Bijzonder is dat ook de prominente inleiders zoals minister Schäuble of Margot Kässman - of welke prominent dan ook - heel dicht bij de tekst blijven, terwijl zij sterke actuele toepassingen maken. Vaak wordt er ook gezongen. Daarna volgen belangrijke inleidingen. ‘s Middags is er naast  intensieve debatten ook veel muziek, workshops, cabaret, ontspanning. De avond gaat door tot de Avondzegen rond tien uur. Met vele duizenden bij de hoofdpodia, met kaarsen en dit keer zingend: bless the Lord my soul…

 

Keuzes maken

Als je het programmaboek in huis krijg en even erin kijkt, word je haast wanhopig. Wat moet je veel aan je voorbij laten gaan. Ik geef een impressie wat mijn vrouw en ik meemaakten.

Na de opening op woensdagavond is het Hemelvaartsdag. Ik kies voor de dienst in de Berliner Dom. De dienst lijkt tradioneel te verlopen. Maar wat heet tradioneel. Indrukwekkende orgel- en trompetmuziek, het Staats- en Domkoor, de geestelijkheid schreed binnen. De verkondiging werd verzorgd door een gast: Klaus Reichert, een bekende schrijver. In zijn preek legde hij de hemelvaart van Elia en die van Jezus dicht bij elkaar. Die van Elia met veel onweer, gedonder, veel bliksem, wagens, ruiters, die van Jezus stil, zonder een woord te zeggen. Zelfs niet door Jezus.

Daarna schrijdt de geestelijkheid achter een hoog kruis naar buiten, wij er allemaal achteraan. Op straat zingend: Gen Himmel aufgefahren ist en Lasset uns mit Jesus ziehen.  En nog veel meer. Zo komen we uit bij de Marienkirche waar eerst ballonnen worden opgelaten. In de kerk gaat de dienst verder met een oratorium van Telemann over Elia en Jezus, daarna Avondmaal en uiteindelijk het  Halleluja van Handel. Voor Obama zijn we dan te laat natuurlijk. Maar ‘s avonds bij het podium achter de Wilhelm Gedächteniskirche kom ik iemand tegen die er wel is geweest en bij een glas wijn verslag doet.

 

Onheilige heilige

Natuurlijk wil ik ook een echt Reformatiethema meemaken en zo kom ik terecht bij Nadia Bolz-Weber en dr. Christina Aus der Au. Thema : ecclesia semper reformanda. Naast me zat een organist uit Noorwegen en een probst uit Pommeren (soort lutherse classispredikant) . Opvallend: op de Kirchentag hoor je niemand over de krimpende kerk waarmee we in de PKN nu al weer een paar jaar heel stressig en bangig bezig zijn. Want het gaat maar niet goed, roepen in ons land alle deskundigen die al maar bezig zijn met saneren in plaats van bekeren. En die uren vergaderen met als hoofddoel: nooit meer vergaderen.

Op de Kirchentag hoor je hier niemand over: geen bisschop, geen probst, geen organist. Wel zoekt iedereen naar vernieuwing. “Moet er iets veranderen?” “Absoluut”, zei de probst, maar wat wist hij niet. Nadia Bolz bleek een lutherse dominee in Colarado en had daar een House for all Sinners and Saints. Zeg een vreemd samenraapsel van mislukten en verknipten. Daarover schreef ze ook een boek ‘Unheilige Heilige’. Ze is een wat bizarre verschijning, blote schouders, armen vol tattoes, uitdagend taalgebruik. Haar verhaal gelardeerd met veel verhalen en voorbeelden: “Stop met proberen van je echte-ik een ideaal-ik te maken. Luther noemde dat allemaal de wet. Laat genade je aanraken en vervullen. Genade is geen warme deken van God maar zoiets als een braadpan voor je kop krijgen.” Ik werd hier heel vrolijk van.

Dr. Christina Aus der Au corrigeerde. “Calvijn was ook een belangrijk  reformator en die benadrukte de heiliging. We moeten wel iets uitstralen, anders zijn, relevant zijn”. Daar zag Nadia niets in. Uit de zaal kwam: “Er zijn ook mensen die zijn gelukkig en hebben niets om getroost te worden.” “Zulke mensen ken ik niet”,  zei Bols. Typisch: nauwelijks een opmerking hoe je de kerk zou moeten vernieuwen via nieuwe vormen. In plaats daarvan de kern van Luthers theologie heel dicht aan het hart gelegd. ‘Stel: je hebt als kerk nog vijf jaar. Wat ga je nog doen? Of ga je liever verder met de gedachte: nog 500 jaar verder sukkelen.’  

 

Bonhoeffer

Het Bonhoeffer-Haus is niet ver van de jaarbeurshallen. Wij er heen. We worden ontvangen met thee in een kleine ronde. Een oudere predikant legde uit wat dit voor huis was en vertelde veel over de jaren dertig maar ook over de Duitse mensen die pas na 40 jaar zwijgen waren begonnen hardop te praten. En daarmee niet meer stoppen. Boven is de studeerkamer van Bonhoeffer. Daar mogen we ook even kijken. Bijzonder. “Waarom is hij niet gevlucht toen hij ‘s morgens hoorde dat zijn zwager was gearresteerd?”  Zijn ouders hadden diverse vluchtplannen, maar hij wilde niet. Hij meende andere familieleden in gevaar te brengen. Ook dit soort dingen horen bij de Kirchentag. Herinneren aan wat gebeurd is, getuigen van God, nooit iemand uitsluiten. Zo ontzettend veel om over na te denken... Goed dat het ‘s avonds vaak wat relaxter isen je alleen hoeft te luisteren naar een concert, een glas wijn drinken onder een boom, of een programma van christenen uit het oosten, en daarna: de avondzegen. Bless the Lord, my soul.

 

Kan dit ook in Nederland?

De paar mensen uit Nederland die je op zo’n Kirchentag ontmoet, vragen zich altijd af bij het afscheid: zou dat ook bij ons kunnen? Nee, dat kunnen wij niet. Wij maken meteen weer ergens een punt van om weg te blijven. Van lekenbewegingen houden we sowieso niet.

Toch apart dat in de ambiance van de Kirchentag al die politici zich veilig voelen over zichzelf, hun geloof en hun visies te discusieren. Anders dan in het parlement. In de ruimte van de kerk gaat het anders toe, zeggen we alles, en vragen we alles maar op een manier dat je veilig bent. Zelfs een minister.

Intussen wel jammer dat het bij ons niet kan. Noteer in je agenda: juni 2019 Dortmund. Dichtbij. Je kunt op de fiets erheen. Doen.

 

Piet de Jong

Lees verder

Moeizaam discussiëren zit in dna van vrijgemaakte kerken

25-05-2017

Het lijkt er dan toch van te komen: de synode van de vrijgemaakt-gereformeerde kerken (GKv) zou de ambten kunnen openstellen voor vrouwen. Maar dat gaat niet zonder slag of stoot. De vrijgemaakte kerken kunnen terugzien op een slagveld voor theologen, met een onvervalste loopgravenoorlog. Hoe komt het dat deze kerken zoveel moeite hebben met vrouwen in het ambt, en waar komt dat moeizame discussieklimaat vandaan?

“Ik houd de kerkelijke discussies al jaren niet meer echt bij,” zegt kerkelijk werker Peter van der Laan. “Ik werd er moe van. Het is een voortdurende herhaling van standpunten. Veel haantjesgedrag, waar ik mezelf trouwens ook aan schuldig maakte.”

Een aanwijzing voor dat moeizame klimaat is de recente brochure Deformatie of reformatie, geschreven onder het pseudoniem Johannes Hilarius Lindeboom. Het bevat een betoog voor vrouwen in de ambten naar aanleiding van een brochure van stamvader van de vrijgemaakten Klaas Schilder. Reden voor het pseudoniem is volgens uitgever Buijten & Schipperheijn dat wanneer de naam van de schrijver bekend wordt, de discussie toch weer zou gaan over een bijzaak: de schrijver. Waar komt dat moeizame discussieklimaat toch vandaan?

 

Sjibbolet

Het is eigenlijk nooit anders geweest, herinnert Van der Laan zich. “Vroeger had je de discussie over de ‘gemengde vereniging’ waar de jeugdbonden geen ruimte voor wilden maken. Later volgden de discussies over bijvoorbeeld het vrouwenkiesrecht en de zegenende ouderling. Maar niet één discussie raakt zo tot op het bot als die over de vrouw in het ambt. We hebben ons vastgebeten in dit onderwerp. Het is een sjibbolet, ‘dit vraagt God van ons’. Als je naar een dieper niveau afsteekt gaat het echter om vragen als: wie ben ik als man als ik van mijn ambt, van mijn voetstuk af val?”

Van der Laan vindt dat de discussie over vrouwen in het ambt anders aangevlogen had kunnen worden. “Niet door in te gaan op zwijgteksten en te kijken naar vrouwen in het Oude Testament die hun rol overstegen. Wel door je aan de drie-enige God te spiegelen: houd van elkaar als man en vrouw, en als mannen en vrouwen. Draag samen zorg voor een nieuwe generatie. Mannen kunnen vragen ‘hoe komen vrouwen het best tot hun recht, wat dient hun veiligheid en geeft hen vervulling, hoe vinden ze vrede en vreugde en wij met hen’. We hebben vrouwen nodig om niet te vervreemden van onszelf en antwoorden op diezelfde vragen te vinden. Nu vragen mannen zich af of zij de ambten ook mogen openstellen voor vrouwen. Ik hoop dat de 36 mannen op de synode zich onbevoegd verklaren.

Dat ze eerst op de een of andere manier 36 vrouwen kiezen en uitgebreid met hen in gesprek gaan. Het gaat er niet om dat vrouwen mannendingen gaan doen. Dat houdt de oude ‘ambtscultuur’ alleen maar in stand. Vrouwen zitten daar volgens mij ook helemaal niet op te wachten. Bovendien vervreemden we ons van de jongere generaties. Die kennen in hun leven geen uitsluiting meer van vrouwen.”

Emeritus-predikant in de vrijgemaakte kerk Henk Folkers vindt het discussieklimaat verbeterd. Eind jaren ’90 schreef hij mee aan het boek Vrouwen op een zijspoor waarin gepleit werd voor openstelling van de ambten. Dat pleidooi vond niet alleen nauwelijks bijval, het bleef ook niet zonder persoonlijke gevolgen.

Enkele kerkenraadsleden van de kerk waar Folkers stond, begonnen een kerkelijke procedure tegen hem, die doorging tot aan de particuliere synode. “Uiteindelijk heb ik een deal gesloten. Ik zou er niet meer over publiceren. Ik werd monddood gemaakt, ik weet het, maar ik wilde de gemeente waarin ik stond niet scheuren.”

 

Het land in

Pas toen de synode van Ede in 2014 uitsprak dat de zaak vrij bediscussieerbaar moest zijn, voelde Folkers zich vrij om er weer over te beginnen. Hij nam deel aan een werkgroep die het boek Zonen & dochters profeteren schreef, samen met Maarten Verkerk, en theologen Maaike Harmsen en Almatine Leene. “De binnenkerkelijke pers besteedde nauwelijks aandacht aan het boek, alleen het conservatieve blad Nader Bekeken wijdde er een themanummer aan, gevuld met recensies uit andere bladen en een artikel waarin werd opgeroepen de vrede te bewaren,” vertelt Folkers. “Ik denk dat iedereen nu eerst de synode afwacht.”

Naar aanleiding van het laatste boek gingen de schrijvers het land in om te spreken met kerkleden. “Jongeren kwamen niet, voor hen is dit geen item meer. Toch was de sfeer uitgesproken positief. De bijterige sfeer van vroeger was er niet meer.” Er is een ander klimaat gekomen, concludeert hij. “Neem kinderen aan het avondmaal. Niet iedereen is het ermee eens, maar mensen staan meer open voor argumenten.”

De grootste verandering vond plaats toen Folkers in het buitenland was, meent hij. In 2001 vertrok hij voor missionair werk naar Congo, in 2007 kwam hij terug. “Je houdt natuurlijk wel contact met Nederland maar toch verraste de veranderde sfeer me enorm. Er kon opeens van alles op het gebied van liturgie, ouders die hun kinderen niet wilden laten dopen werden tegemoetkomend behandeld, en de toelating tot het Avondmaal was versoepeld. Dat is veel ingrijpender dan vrouwen in het ambt!”

 

Blogs

De binnenkerkelijke pers mag dan grotendeels zwijgen over de vrouw in het ambt, op blogs is dat wel anders. Neem het blog theologieplus.net van docent Systematische Theologie aan de vrijgemaakte universiteit Dolf te Velde: ‘Door vanaf het begin uit te gaan van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, ontnemen de deputaten zich de mogelijkheid om een functionerend onderscheid tussen gelijkwaardigheid en eigenheid te hanteren. Gelijkwaardigheid is geforceerd tot gelijkheid - wat echt iets anders is - en in dat kader lukt het eigenlijk niet meer om aan de eigenheid van mannen en vrouwen goed profiel te geven.’ Hoe dat profiel eruit moet zien, meldt Te Velde niet.

 

Oververhitting

Mark Veurink (29), predikant van een samenwerkingsgemeente van GKv en CGK in Franeker, is niet erg betrokken bij het debat. Zijn vrouw heeft theologie gestudeerd maar wil geen predikant worden, en in zijn eigen gemeente is vrouwen in de ambten nauwelijks een thema. Hij herkent wel de oververhitting in de debatten in de pers. “Dat komt van de onderliggende angst dat dit meer is dan een los thema. Tegenstanders zijn bang dat alles op de helling komt te staan. Dat speelt ook een rol bij andere hete hangijzers zoals schepping of evolutie, en homoseksualiteit. Ook daarbij is er geen prettig discussieklimaat.”

Opvallend bij deze drie hete hangijzers is de overeenkomst: het gaat in alle gevallen over de identiteit als man of vrouw. Bij ‘schepping of evolutie’ is immers het verhaal van Adam en Eva van belang, bij homoseksualiteit en bij de vrouw in het ambt gaat het ook over identiteit. Immers, de vorige synode sprak uit dat ‘wie zich bezint op de vrouw in het ambt, moet rekenen met het verschil in verantwoordelijkheid dat de Bijbel leert’. Hoe dat dan in elkaar zit, daar deed de synode geen uitspraak over.

 

Bevreemdend

De uitspraak van Folkers dat de discussie over vrouwen in de ambten langs jongeren heen gaat, vindt Veurink te kort door de bocht. “In mijn eigen netwerk, met veel theologen van mijn generatie, speelt het wel degelijk. Ook op catechisatie kan ik moeilijk uitleggen waarom in onze kerk alleen mannen ouderling en diaken mogen worden.”

Wel een trend is de gerichtheid op de plaatselijke kerk, stelt Veurink. “Jongeren ervaren het concept van een synode die grote beslissingen neemt als bevreemdend. Laat het over aan de plaatselijke kerk. Dat is ook het huidige voorstel van de deputaten.”

Zitten jonge vrouwen in de GKv er niet mee dat ze geen ambt mogen bekleden? “Een bepaalde groep wel, die vrouwen ken ik zelf ook. Maar voor de meerderheid is het niet zo’n issue. Ik heb de indruk dat het vrouwen hier in Franeker niet zoveel uitmaakt.”

De discussie zal gewoon verdergaan, denkt Veurink, wat de uitkomst ook is. “Als de synode besluit voorlopig geen vrouwen toe te laten, zullen een aantal plaatselijke kerken hun eigen gang gaan, en dat wel doen. De synode kan besluiten de ambten niet voor vrouwen open te stellen, maar kan de gegeven ruimte voor discussie niet meer inperken. Ze kunnen niet meer zeggen dat het ‘ongereformeerd’ is om te pleiten voor vrouwen in het ambt: dan zou opeens de halve kerk onder de leertucht komen…”

Theoloog Maaike Harmsen is co-auteur van het boek Zonen & dochters profeteren. Hoe ervaart zij

het discussieklimaat in de GKv? “Offline: prima. Ik heb geen negatieve ervaringen daarmee gehad de laatste jaren. Ik hoop dat anderen mijn toon ook als respectvol ervaren. Online en in kranten en bladen is de toon ten aanzien van ons als schrijvers van het boek boos, badinerend, een enkele keer bedachtzaam.

Laat ik bij de laatste blijven staan: een ieder die het hele boek leest en op een rustige toon inhoudelijke vragen stelt, willen we graag antwoord geven. We willen natuurlijk graag dat lezers na afloop overtuigd zijn dat het te verantwoorden is vrouwen toe te laten tot alle ambten en taken.

Maar we zijn ook tevreden als een groep lezers zegt: Ik ben niet overtuigd van jullie standpunt, maar ik vind de redenering wel bijbels onderbouwd.”

 

Moeite

Harmsen heeft zelf nooit predikant willen worden, dat maakt het wel makkelijker om enige afstand tot de discussie te houden, vindt ze. “Toch kan ik me een paar momenten herinneren dat ik het er moeilijk mee had. Toen ik bijna afgestudeerd theoloog was bijvoorbeeld, en actief in een plaatselijke gemeente, werd mijn man gevraagd ouderling te worden. Nu is hij daar heel geschikt voor, maar het gemak waarmee hij voor een ambt werd gevraagd, stak schril af met de moeite die ik had moeten doen om preekcollege te mogen volgen of een stage in een kerk te mogen doen.”

Maar het ambt is niet het enige wat belangrijk is, ook hoe je als vrouw gezien wordt, telt mee. “We waren als gezin twee jaar geleden, na een periode in het buitenland, weer op zoek naar een goede kerk. En we hadden een prachtige missionaire gemeente gevonden, hartje Den Haag. Op de introductieavond voor nieuwe leden vertelde de voorganger dat hij hart had voor leiding geven, en dat hij graag mannen begeleide op weg naar leiderschap, maar dat hij niet wist wat hij met vrouwen met talent aan moest. Voor mij hoefde die kerk niet meer; want juist als er buiten ambten ook informeel nog een cultuur is om vrouwen uit te sluiten uit bepaalde posities en taken, blijft er weinig ruimte over. We hebben toen, ondanks het orgel, bewust gekozen voor weer een vrijgemaakte kerk. En een van de redenen was de zekerheid dat ik als theologe gewaardeerd zou worden om wie ik was. En omdat ik zeker wist dat er verandering aan zat te komen ten goede voor vrouwen op het gebied van het ambt.”

Dat vrouwen een kerkelijk ambt bekleden, gaat volgens Harmsen sowieso wel gebeuren. “De vraag is, hoe gaat dat onderbouwd worden? Zowel ons boek als het deputatenrapport trekken uiteindelijk - al is het met verschillende accenten - dezelfde conclusie: het is bijbels verantwoord vrouwen toe te laten. En ook: de moeilijke teksten over vrouwen in de gemeente hebben vandaag de dag ook nog zeggingskracht. In ons boek hebben we daar uitgebreid aandacht aangegeven.

Dat is een verschil met het voorstel van drie jaar geleden: daarin werden de zwijgteksten gelijkgesteld aan een tekst over slavernij. Daarmee werden de teksten allemaal contextueel buitenspel gezet.

Het deputatenrapport en ons boek hebben de zeggingskracht voor vandaag naar voren gehaald; daarmee is het eigenlijk conservatiever in de beargumentering dan een paar jaar geleden.”

 

Ineke Evink

 

In juni staat de kwestie op de agenda van de synode van de GKv.

Lees verder

Don Ceder: 'De opstanding is voor mij een symbool van hoop'

26-04-2017

Hij stond op de zevende plek op de kandidatenlijst van de ChristenUnie: de Amsterdamse advocaat Don Ceder (27). Wat betekent hoop voor hem? Wat drijft hem om zich in te zetten voor de mensen die het in de samenleving niet redden?

De spreekkamer van Don Ceder is gevuld met een gezin dat zijn hulp als advocaat heeft ingeroepen. Ik mag even wachten in zijn werkkamer. Aan de wand hangen 19e-eeuwse schilderijen, zeegezichten, landschappen. “Mijn patroon is een kunstliefhebber”, zegt Ceder, als hij klaar is met zijn gesprek. Hij doelt op zijn collega, die hem, zoals gebruikelijk in de advocatuur, in de eerste drie jaren van zijn carrière bijstaat en een deur verder een praktijk heeft.

Bij de afgelopen verkiezingen stond Ceder, die al langer actief is als duo-Statenlid voor de Provinciale Staten van Noord Holland, op plek 7 van de kandidatenlijst van de Tweede Kamer. Uiteindelijk kreeg de partij 5 zetels. Ceder treurt er niet om, want hij blijft politiek actief voor de Provinciale Staten. En hij is druk met zijn praktijk.

 

Als de ChristenUnie in de regering komt, is er dan een kans dat we u alsnog in de Kamer zien?

“Er zijn nu onderhandelingen met GroenLinks. Maar in theorie is die mogelijkheid er, en schuift de lijst door als er Kamerleden in het kabinet zouden komen. Hoe dan ook: ik sta paraat, de komende jaren. Ik ben onbevangen de verkiezingen ingegaan, ook door de drukke baan die ik heb, en dat onbevangen gevoel heb ik eerlijk gezegd nog steeds. We hebben veel stemmenwinst gehaald en dat is hartstikke mooi. Het is heel bemoedigend en hartverwarmend dat meer dan achtduizend mensen op mij hebben gestemd. Mensen die mij kennen, maar dus ook anderen die hebben gedacht: dat vakje kruis ik aan. Dat is prachtig maar het heeft mij ook een soort besef gebracht dat ik blijkbaar een mandaat van mensen heb gekregen: Don, ga door met waar je mee bezig bent. Neem je verantwoordelijkheid. Ga aan de slag.”

 

Als jurist zet u zich in voor mensen die problemen hebben met incassobureaus of met telecomaanbieders. Wat komt er nog meer op uw bordje?

“Aanvankelijk hield ik me vooral bezig met mensen die te maken hebben met malafide partijen die onterecht bepaalde kosten doorberekenen. Dat kunnen incassobureaus zijn, maar ook bijvoorbeeld banken. Sinds ik mijn eigen praktijk ben gestart, ben ik wat breder actief, en het is zeker zo dat mijn hart sneller klopt als ik zie dat mensen te maken hebben met onrechtmatigheden die hun het leven zuur maken. Het kan gaan over huurrecht, waarbij een gezin met kinderen op straat wordt gezet. Of iemand die ziek is, en tussen de wal en het schip raakt omdat hij een hoge premie bij zijn zorgverzekeraar niet kan betalen. Het kan ook zijn dat iemand een renteovereenkomst heeft gesloten, en dat die persoon veel meer rente dan aflossing moet betalen. Het strijden tegen dat soort onrechtvaardige constructies heeft mijn passie.”

 

Waarom is het zo belangrijk dat er tegengas wordt gegeven tegen malafide incassobureaus?

“Er worden veel consumenten benadeeld zonder dat ze het weten. Grote bedrijven hebben een voorsprong op  het gebied van kennis. In één op de vijf brieven van incassobureaus zit wel een fout: in de kosten van de hoofdsom, in de termijnen. Het is belangrijk dat huishoudens daartegen beschermd worden.

Begrijp me goed: ik ben de eerste die zegt dat een schuld betaald moet worden. Maar incassobureaus berekenen nogal eens op slinkse wijze te veel kosten, en niet iedereen weet bijvoorbeeld dat er nooit meer dan 15% incassokosten mag worden berekend. Bovendien heb ik bezwaar tegen de manier waarop ze te werk gaan. Mensen krijgen angstaanjagende brieven. Het is belangrijk dat daar tegenwicht tegen komt, dat er een gelijk speelveld wordt gecreëerd. De afgelopen jaren is dit onderwerp gelukkig ook door de politiek opgepakt. Maar zolang mensen niet op een eerlijke manier worden behandeld, is er nog veel werk te verzetten.”

 

Wat motiveerde u na uw studie om juist de sociale advocatuur in te gaan? Je kunt ook gaan voor het grote geld, voor de Zuidas, voor fusies en overnames.

“Het heeft, denk ik, met mijn jeugd te maken. Ik groeide op tussen mensen die schulden hadden, ik zag dat er huisontruimingen waren. Er waren vriendjes op school, van wie de ouders het niet breed hadden, met alle gevolgen daarvan. Daar komt mijn rechtvaardigheidsgevoel, het opkomen voor anderen, vandaan. Het heeft ook te maken met mijn geloof en met de kerk, de Victory Outreach kerk, een evangelische gemeente waarbij ik betrokken ben. De kerk heeft ook een woongemeenschap opgezet voor mensen die lager aan wal zijn geraakt, bijvoorbeeld mensen met een verslavingsverleden of vrouwen die terug proberen te keren uit de prostitutie. Ik ben daar vrij jong mee geconfronteerd. Daardoor besefte ik dat er een groep mensen is van wie de stem niet altijd gehoord wordt.

Op mijn elfde ben ik voor het eerst naar deze kerk gegaan en toen ik een jaar of zestien was heb ik een bewuste keuze voor het geloof gemaakt, noem het een bekering of toewijding. In de kerk word ik omgeven door mensen die vaak een heel bijzondere achtergrond hebben. Zij komen vaak van heel ver. Door de hulp van anderen en door het geloof kunnen ze nu zelf veel betekenen. Ik zie dus in de kerk wat er gebeurt als je je talenten in dienst van elkaar durft te stellen, vooral in dienst van hen die het hardst het nodig hebben. Dat heeft veel indruk op me gemaakt.”

 

Mensen kunnen psychisch diep in de put raken door schulden. Op welke manier probeert u hen hoop te bieden als ze bij u aankloppen?

“Ik probeer mensen duidelijk te maken dat die schulden niet het grootste probleem zijn. Het probleem is vaak iemands gedrag. Ik kan wel helpen om het probleem met het incassobureau op te lossen, maar die gedragsverandering is belangrijker, want anders zit iemand binnen de kortste keren weer in dezelfde situatie. Daarom proberen we mensen op een bewustere manier met geld te laten omgaan. We geven gratis workshops. We helpen ze om de sociale kaart van de stad te leren kennen, zodat ze weten waar je moet aankloppen voor kennis. Het is natuurlijk niet altijd het gedrag van de mensen zelf dat hen in problemen brengt, dat kan ook door omstandigheden komen of doordat ze worden ontslagen. Hoe dan ook, we proberen erop aan te sturen dat ze in de toekomst zelfredzaam kunnen zijn.”

 

Ik kan me voorstellen dat mensen dankbaar zijn voor wat u voor hen doet.

“Inmiddels zijn hier meer advocaten mee bezig, maar toen mijn neef Calvin Ceder en ik het bureau Anti Incasso oprichtten, in 2012, waren dat er nog niet zo veel. Mensen met schulden horen vaak van alle kanten wat er niet mogelijk is. Dan is het verfrissend dat er mensen zijn die naar hen luisteren, en die zeggen: ja, het klopt, u wordt onrechtvaardig behandeld. Dat zorgt vaak voor opluchting. Zeker, het is dankbaar werk, wat ik doe.”

 

U vertelde zojuist al dat u actief bent in de kerk. Wat is de rol van het geloof bij dit alles?

“Dat zit bij mij in het continue besef dat mijn leven een tijdelijk iets is, en tegelijkertijd waardevol voor mezelf en voor anderen. Dat maakt dat ik heel goed probeer af te wegen wat ik doe en wat niet. Ik ervaar het als een geschenk om te leven. Dat zorgt bij mij ook voor een constante bezinning. Het gebed is voor mij de manier om daar vorm aan te geven. Ik ervaar daarbij de steun, wijsheid en kracht van de Heer. Ja, zeker, dat motiveert mij ook in mijn werk. ”

 

Wat betekent het Paasevangelie voor u?

“Nu moet ik natuurlijk een mooi antwoord verzinnen… (lacht). De opstanding is voor mij een symbool van hoop in de meest brede zin van het woord. De naam van de hoop is Christus. Pasen is een herinnering daaraan, dat er welke tegenslagen er ook zijn, altijd hoop is. Sinds de gebeurtenissen rond Pasen zijn er tweeduizend jaar verstreken, maar Hij is er bij, Hij leeft, en dat betekent dat elke situatie te overleven valt, omdat hij het graf heeft overwonnen.”

 

U wint misschien niet elke zaak en u kunt niet alle problemen van mensen oplossen. Hoe houdt u dan hoop?

“Ik heb in de afgelopen jaren geleerd om de problemen waarmee ik als advocaat geconfronteerd word, ook van tijd tot tijd van me af te zetten. Het is waar: er wordt in mijn spreekkamer nogal wat ellende van mensen besproken. Ik hecht eraan om vrije tijd te nemen en ik probeer op mezelf te letten. Dan houd je het beter behapbaar. Dat geeft ook de mogelijkheid om een frisse blik te hebben. Een stap terug zorgt voor een helicopterview, en het zorgt ervoor dat je als raadsman met een frisse blik naar een zaak kunt blijven kijken.”

 

Ik zag in uw werkkamer een briefje hangen met daarop de uitspraak: ‘Ik veronderstel dat als wij accepteren wat wij zijn, dit ons altijd zal belemmeren te zijn wat wij moeten zijn.’ Waarom is dit voor u een belangrijke uitspraak?

“Mijn patroon heeft dat een keer tegen mij gezegd. Ik vond het zo mooi dat ik het heb opgeschreven. Iemand die veronderstelt dat hij perfect is, kan niets meer aangeleerd worden. Dus juist het realiseren dat we er nog niet zijn, zorgt voor groei. Als christen wil je gelijkvormig zijn aan Christus, en dan is dit een nederige constatering. Ik vond het een mooie gedachte, en daarom heb ik hem opgehangen. Het herinnert me eraan dat je opstelling maakt dat je kan groeien, of belemmerd wordt om te groeien.”

 

KADER

Don Ceder

Don Ceder (1989), in de verkiezingen van 2017 nummer 7 op de lijst van de ChristenUnie, richtte samen met zijn neef Calvin Ceder het juristenbureau Anti Incasso op. Zijn inspanningen om mensen met schulden te helpen leverde hem in 2014 een nominatie voor Amsterdammer van het Jaar op. Ceder is naast zijn werk als advocaat woordvoerder van stichting Consument & Telecomsector (ConTel), die gedupeerden bijstaat aan wie onrechtmatige telefoonabonnementen zijn verstrekt en als gevolg daarvan in diepe schulden zijn beland. In zijn vrije tijd is Don onder meer actief als DJ, muzikant, theatermaker, dagpresentator en kinderwerker.

 

Nels Fahner

Lees verder

'Moeten we er nu ook nog dat lastige Oude Testament bijhalen?'

31-03-2017

Het Oude Testament wekt over het algemeen geen warme gevoelens, met alle teksten over geweld. Maar het eerste deel van de Bijbel kun je niet zomaar schrappen. ‘Jezus is niet los verkrijgbaar. Zonder het Oude Testament wordt Jezus een buikspreekpop die voor elke invulling vatbaar is’. Dat is een van de conclusies van een leeskring voor predikanten. Koos van Noppen schreef er een reportage over.

Welkom bij de leeskring van Areopagus (IZB) voor predikanten. Vijf maanden achtereen komen ze een middag bij elkaar om onder leiding van dr. Wim Dekker te spreken over ‘Als de goden zwijgen’, een dikke pil uit het oeuvre van de theoloog K.H. Miskotte.

We vallen middenin een lopend gesprek. Dekker heeft de twintig deelnemers vooraf gevraagd om beknopt te mailen wat ze vinden van de stelling dat we ons in de kerk het Oude Testament nooit echt hebben toegeëigend.

Miskotte oogst meer bijval dan tegenspraak, al waaieren de reacties breed uit. ‘Het Oude Testament blijft ons eigenlijk altijd vreemd, omdat we nu eenmaal geen Joden zijn’, mailde een predikant. Een ander: ‘Als wij ons het OT niet echt toe-eigenen, kunnen wij dan wel Jezus ons écht toe-eigenen, in de zin van: Hem als onze Heer en Heiland belijden?’ Een derde: ‘Wie Jezus los ziet van zijn historische en religieuze context, maakt van Hem een persoonlijke Superman, die stunt, en de weg naar God geopend heeft. Het NT dreigt de aarde te vergeten, door de hemelgerichtheid; de Hebreeuwse Bijbel laat ons zien dat de schepping ‘tov’ is. Termen als gerechtigheid en rentmeesterschap komen vooral in het Oude Testament aan de orde; ze dreigen vergeten te worden als alleen het Nieuwe Testament wordt gelezen.’

 

Bloedboek

Sommige mailers leggen er de vinger bij dat de kerkelijke traditie – bijv. het kerkelijk jaar - niet bepaald bijdraagt aan een (op)waardering van het Oude Testament. Het Apostolicum wijdt slechts één regeltje aan het OT, waar het gaat over de schepping. Is het een wonder dat het in de Alphacursus lijkt ‘alsof Jezus uit de lucht komt vallen’? Eén van de predikanten zegt dat bij zijn tekstkeuze voor de preek de verhouding ongeveer 20% Oude- 80% Nieuwe Testament is. ‘Hier moet ik maar eens verandering in brengen.’ Dan nog blijft het de vraag of het OT louter als een opstapje geldt voor het ‘echte werk’, namelijk de boodschap van het Nieuwe Testament. Klinkt het OT louter als ‘bewijsplaats’ voor de komst en het lijden van Christus? Of kan het ook voor zichzelf spreken?

‘Wat moeten we vandaag met het OT?’ vraagt Dekker. ‘Is onze seculiere context al niet pittig genoeg, moeten we dan nu ook nog aandacht vragen voor dat ‘bloedboek’ (Verhulst), met al die geweldsteksten? Of bezitten die ruige verhalen zulke epische kracht, dat ze ook mensen van vandaag nog weten te boeien? Raak je niet veel makkelijker met de seculiere mensen in gesprek over de ‘aardse verhalen’ van het OT, dan via ‘de wonderlijke gedeelten’ uit het NT?’

 

Hermetisch

Een emeritus-predikant in het gezelschap slaakt eerst een verzuchting over het hermetische proza van Miskotte. ‘Soms verlang ik naar de heldere taal van theologen als Kuitert en Graafland. Want wat er verder ook zij van de verheven gedachten van Miskotte, zijn presentatie is een ramp. Kan er geen ‘herziene’ Miskotte worden uitgegeven?’ De passages die gezamenlijk worden gelezen bevestigen die indruk. Duizelingwekkend lange zinnen; Miskotte strooide kwistig met komma’s en terzijdes. De tekst vergt opperste concentratie en zelfs dan is het een kwestie van verstaat-gij-wat-gij-nu-al-drie-keer-herleest?

‘De boodschap wordt in de bijbel nergens als een moraal aan het verhaal gehecht…. Het verhaal houdt zijn epische geslotenheid en verheft zich zo op eigen kracht tot boodschap’. Dat laat zich tenminste begrijpen. ‘Vaak hebben de verhalen uit het Oude Testament zo’n sterk karakter’, aldus een predikant, ‘dat ik merk dat een verwijzing naar het nieuwtestamentisch getuigenis in de preek eerder afbreuk is dan een waardevolle aanvulling. Al probeer ik wel de verbinding en de aansluiting tussen het OT en NT te zoeken.’

 

Geen nieuws

Met de boude stelling ‘Voor de goede verstaander bevat het NT nauwelijks nieuws’, kiest een van de deelnemers het kielzog van Miskotte. Wim Dekker roept een passage uit zijn boeken in herinnering waarin hij betoogt een introductie-cursus christelijk geloof te kunnen schrijven op basis van de eerste vier hoofdstukken van Genesis. Een van de predikanten formuleert het nog krasser: ‘Eigenlijk draait het om Gen. 1:2: God sprak: ‘Er zij licht’. De rest van Bijbel is uitwerking van die ene zin.’ Daarmee komt het gesprek pas goed uit de startblokken. ‘Eigenlijk is het NT het Oude Testament nog een keer, maar dan zó dat Jezus Christus ter sprake gebracht kan worden. ‘God Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is ook Degene die in onze harten geschenen heeft tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus (2 Kor 4). De God van de schepping is Dezelfde als de God die ons in Jezus Christus opzoekt. Wat ooit gebeurde toen God sprak, gebeurt telkens opnieuw, en moet ook gebeuren, willen we niet terugvallen in de chaos, of in een eindeloos religieus en spiritueel pluralisme. De hele geschiedenis door neemt Hij steeds opnieuw het Woord. Dat is niet opgehouden bij de totstandkoming van de canon. De openbaring is niet opgesloten in een boek.’

 

Terugfluiten

“Hij spreekt nog altijd voort”, om Barnard te citeren. Zo bezien staat een christen van vandaag dichter bij Abraham dan bij zijn buurman die niet gelooft. ‘Inderdaad. Voor ons is God net zo dichtbij is, als voor Paulus of voor Abraham. Hij kan elk moment weer het Woord nemen. Al prekend hoop ik dat Hij van zicht laat horen.’ Kun je, als je zo begint, op een gegeven moment niet beide testamenten achter je laten? ‘Allerminst. Sterker: ik heb de Schrift hard nodig.’

Maar als je uitgaat van de almaar doorgaande openbaring, houd je dan nog een objectief criterium voor het spreken van God? vraagt een predikant. ‘Jawel, de Schrift, maar dan veel dynamischer dan de wijze waarop die vroeger werd gehanteerd. Overigens geeft de Bijbel daar zelf al ruimte voor. Binnen de teksten vindt er al herinterpretatie plaats.’ Of, oppert één van de predikanten, is het criterium: ‘Geeft het licht? Ten slotte begon God daarmee…’

Anderen blijven liever dichter bij de canon. ‘Om je tijdig terug te laten fluiten. Want voor je het weet ben je in syncretisme beland, met een andere Christus dan die van kruis en opstanding.’

 

Heil

Maar stel nu dat, zoals Miskotte betoogt, het Oude Testament de eigenlijke Bijbel is, en dus voor zichzelf kan spreken, hoe definiëren we dan ‘heil’? vraagt Dekker. ‘Dat, nu alle goden zwijgen, God van zich laat horen’, probeert een predikant. ‘Een boodschap van ‘de andere kant’. Wat geen oor heeft gehoord, geen oog heeft gezien…’

Een ander: ‘Heil is dat je in het universum niet alleen bent, dat je niet aan jezelf bent overgeleverd. Dat er Iemand voorbij is gekomen, die je naam roept en je op je benen zet.’ Een derde: ‘Heil is het bevrijdende verhaal dat je er mag zijn, als mens, als vrouw, als zwarte, als slaaf. In één woord: de humaniteit.’

Het loopt al tegen het eind van de middag, als een van de predikanten een pleidooi voert voor het eigen geluid van het Nieuwe Testament. ‘Dat is toch meer dan zomaar een verklarend woordenlijstje bij het Oude Testament. Het Woord is mens geworden. Dat betekent ook dat het reddende handelen van God werkelijkheid is geworden, zo zeker als Jezus naar de aarde is gekomen. In Hem zijn al die woorden uit het OT waargemaakt. Zijn leven heeft daarmee een werkelijkheidsfactor, een overtuigingsfactor ook. Dat komt in elke verkondiging opnieuw aan bod.’

Ze zijn nog niet uitgepraat met elkaar. En met Miskotte.

 

Koos van Noppen

 

De leeskring voor predikanten is één van de onderdelen van het cursusaanbod van Areopagus, centrum voor contextuele en missionaire verkondiging van de IZB. Op het programma van juni 2017 staat een retraite en een cursus over ‘actualiteit in de prediking’. Zie izb.n of mail met areopagus@izb.nl

Lees verder

Christelijke politiek gaat niet over belangen of hobby's

17-03-2017

Christenen hebben vaak wel uitgesproken ideeën over politiek, bijvoorbeeld waar het gaat om de behandeling van vluchtelingen. Maar hoe werkt dat eigenlijk, je persoonlijke geloof politieke inhoud geven? Rien Fraanjes bezwaren tegen het label ‘christelijke politiek’ zijn niet het echte probleem. Verlegenheid met het christelijke fundament, het C-label, van die poltiek is dat wel. Een reactie van Wouter Beekers op het artikel van Rien Fraanje uit CW 4.

Rien Fraanje, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, heeft een probleem met het label ‘christelijke politiek’. Natuurlijk heeft hij gelijk als hij stelt dat christelijke politiek nooit een claim mag zijn. Maar daarmee hoeft het label nog niet bij het grofvuil. Want wat is er mis met politici die hun fundament zoeken in de Bijbel en in Christus en daarop aanspreekbaar zijn?

‘Bijbel doet vooral persoonlijk, niet zozeer politiek appèl op ons’, stelde Rien Fraanje in het CW-Opinie van 17 februari. Fraanje heeft een ‘fundamenteel probleem’ met het ‘label christelijke politiek’. Eigenlijk lees ik in zijn bijdrage wel een stuk of drie stevige bezwaren.

In de eerste plaats heeft Fraanje er moeite mee dat mensen elkaar over en weer verwijten dat standpunten of maatregelen niet christelijk zouden zijn. ‘Is het aan ons mensen om te bepalen wat wel of niet het keurmerk van boven mee mag krijgen?’ In de tweede plaats stelt Fraanje dat de Bijbel ‘geen eenduidig handboek is dat op alle politieke dilemma’s antwoord geeft’. In de derde plaats betoogt Fraanje dat Bijbelse opdrachten, zoals het doen van barmhartigheid, persoonlijke opdrachten zijn. Politiek gaat over rechtvaardigheid: niet alleen over het ene verdwaalde schaap, maar ook over de negenennegentig andere.

 

Dilemma's

Fraanje heeft drie keer gelijk. En al is ‘label christelijke politiek’ daarmee nog niet meteen ‘fundamenteel’ verwerpelijk, het is toch goed om die drie punten te onderstrepen. In de politiek gaat om recht. We kunnen en moeten van de overheid geen revolutie van naastenliefde verwachten. De samenleving gedijt erbij wanneer al haar geledingen de ruimte krijgen – soevereiniteit in eigen kring, noemde Abraham Kuyper dat ooit. Daarbij heeft de overheid een eigen roeping om recht te doen door deze maatschappelijke structuur te bewaken en wat kwetsbaar is te beschermen.

Wie zoekt naar recht in de politiek vind in de Bijbel ‘geen eenduidig handboek’. Net zomin als de Bijbel eenduidig handboek is voor het leven overigens. Met Zijn Woord roept God ons om in ons leven het goede te zoeken. De Bijbel geeft richtingen mee en grenzen aan, maar voor lang niet al onze vragen ligt een pasklaar antwoord klaar.

Soms staan we voor levensgrote dilemma’s. Fraanje geeft daarbij het treffende voorbeeld van het vluchtelingenvraagstuk. Aan de ene kant is er de grote kwetsbaarheid van mensen op de vlucht. Aan de andere kant is er de kwetsbaarheid van de samenleving, haar sociale vangnet, sociale cohesie, draagkracht en draagvlak.

Daarom ook mag christelijke politiek nooit een claim zijn. Want het zoeken van gelovigen is mensenwerk: soms verrassend briljant, soms triest tekortschietend. God is groter dan dat mensenwerk, ‘geheel anders’ – om een woord te gebruiken van de twintigste-eeuwse theoloog Karl Barth. God laat zich niet achter ons menselijk karretje spannen en gelukkig maar.

Om die redenen ben ik zelf ook een beetje terughoudend in het spreken over christelijke politiek. En daarom vind ik het ook wel een goede vondst dat mijn partij niet de Christelijke Unie, maar de ChristenUnie heet.

 

Verbazing

Toch was het met verbazing dat ik het artikel van mijn gewaardeerde collega Rien Fraanje las. Want Fraanje kent de christelijk-sociale traditie als geen ander en zou toch ook kunnen vertellen dat het ‘label C’ meer dan een claim is.

Wat betekent het om je christenpoliticus te noemen? Net als bij ieder ander zijn onze politieke standpunten en afwegingen gefundeerd op diepere waarden: een visie op de wereld, de mens en de samenleving, noem het onze levensovertuiging. Christenpolitici zoeken dat fundament in de Bijbel en in Christus. Dat betekent niet dat er een isgelijk-teken kan worden geplaatst tussen de Bijbel en bepaalde politieke standpunten. Maar wel dat christenpolitici elkaar vinden omdat ze willen drinken uit dezelfde bron en daarover open willen zijn.

Zo wil ook de ChristenUnie in haar hart laten kijken. ‘Gedreven door Gods liefde en Christus’ koningschap wil de ChristenUnie zich inzetten voor de samenleving en het bestuur van ons land’, zo luidt de eerste zin van haar onlangs opnieuw verwoordde grondslag. Hoe dat ‘christelijke’ fundament van betekenis is verduidelijkt de ChristenUnie in drie politieke kernwaarden: waardigheid, dienstbaarheid en geloofsvrijheid. In de eerste plaats wil zij het leven beschermen als kostbare gift: van plant tot mens, dichtbij of ver weg, ongeboren tot oud van dagen. In de tweede plaats wil zij zich inzetten voor een dienstbare samenleving: omdat mensen tot hun bloei komen in hun samenwerkingen en onderlinge zorg. In de derde plaats wil zij ruimte geven aan de kracht van geloof en overtuiging, want juist vanuit hun diepste waarden zijn mensen tot mooie dingen in staat.

 

Beginselprogramma

Eerlijk is eerlijk het ‘programma van uitgangspunten’ van het CDA doet daar niet erg voor onder. Even voor de minder ingevoerde lezer, dat programma kwam tot stand voorafgaand aan zijn oprichting in 1980, met een belangrijke rol voor de een jaar geleden overleden Piet Steenkamp. In 1993 werd deze voor het laatst herzien, onder andere met medewerking van de voorgangers van Fraanje bij het wetenschappelijk instituut: Jan Peter Balkenende en Ab Klink.

In het beginselprogramma van het CDA staan vier uitgangspunten centraal: gerechtigheid, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap. En het programma onderstreept dat die uitgangspunten betekenis krijgen in de wisselwerking tussen het ‘alledaagse leven’ en ‘de bron, waaruit ze voortkomen’. Sterker nog, de eerste twee artikelen geven direct een inkijkje in de bron waaruit het CDA wil drinken:

‘Het CDA aanvaardt het Bijbels getuigenis van Gods beloften, daden en geboden als van beslissende betekenis voor mens, maatschappij en overheid. Het richt zich daarnaar met de intentie steeds te zoeken naar de betekenis van het Evangelie voor het politieke handelen. In antwoord op de oproep van de Bijbel krijgt de politieke overtuiging van het CDA gestalte. De voortdurende toetsing aan de Bijbel is het kenmerk van die politieke overtuiging. Die politieke overtuiging is het samenbindend element waarop een ieder in het CDA aanspreekbaar is.’

Wauw, als dat geen christelijke politiek is, wat is het dan wel?

 

Label

Rien Fraanje zegt een ‘fundamenteel probleem’ te hebben met het ‘label christelijke politiek’. Maar is in onze tijd verlegenheid over dit ‘fundament’ niet een veel groter probleem?

Open zijn over je fundament kan helpen om te laten zien dat christelijke politiek niet gaat over christelijke belangen of christelijke hobby’s. Dat er misschien wel een lijn zit in de antislavernijpolitiek van Guillaume Groen van Prinsterer en de manier waarop Gert-Jan Segers voor uitgebuite prostituees opkomt. Noem het maar de lijn van de intrinsieke waarde van ieder leven. Wanneer je daar open over bent, kun je die waarde misschien af en toe kritisch terugkrijgen. Maar van kritiek wordt een politieke partij niet per sé slechter zou ik zeggen.

 

Politiek gesprek

Open zijn over je waarden kan ook helpen in het politieke gesprek. Een christenpoliticus kan in een debat over ‘voltooid leven’ uitleggen wat zijn of haar vertrekpunt is en een VVD’er bevragen op de zijne of hare. Of in een debat over de participatiesamenleving aan een SP’er uitleggen welke ideaal daar nu ten diepste onder zit.

Ook onder meer gelijkgezinden kan zo’n gesprek van betekenis zijn. Het lijkt me juist interessant wanneer CDA, ChristenUnie en SGP elkaar bevragen op de manier waarop zij hun waarden invullen. De waarde van duurzaam rentmeesterschap bijvoorbeeld. Of van geloofsvrijheid –  ook die van andersgelovigen.

Waarom besmuikt doen over de christelijke bron waaruit je drinkt? Om de christendemocraat Willem Aantjes te parafraseren: is dat niet waar de wereld naar hunkert, naar een politiek die eerlijk bevlogen is? Naar misschien toch maar gewoon: christelijke politiek?

 

Wouter Beekers is historicus en directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie. Het artikel van Rien Fraanje is hier te lezen.

Lees verder

Christelijke politiek bedrijven, kan dat eigenlijk wel?

02-03-2017

Christenen hebben vaak wel uitgesproken ideeën over politiek, bijvoorbeeld waar het gaat om de behandeling van vluchtelingen. Maar hoe werkt dat eigenlijk, je persoonlijk geloof politieke inhoud geven, kun je een persoonlijk appel een op een overzetten naar  een politiek standpunt? En zou je inderdaad rechtstreekse politieke aanwijzingen kunnen halen uit de Bijbel? Helaas, daarvoor is de werkelijkheid toch  echt te complex, meent Rien Fraanje.

De maatschappelijke en politieke realiteit is complex, veel te complex om zelfs maar te suggereren dat welk religieus boek dan ook voor elk probleem duidelijk richting geeft. Een goede illustratie daarvan is het actuele debat over hoe we politiek moeten omgaan met de toestroom van vluchtelingen. Het is niet aan mensen om het keurmerk ‘christelijk’ toe te kennen aan een politiek.

Ik ben nu al zo’n kwart eeuw op verschillende manieren actief betrokken bij het CDA. In die 25 jaar heeft de partij hoge pieken bereikt en is zij door diepe dalen gegaan. Ze kreeg steun omdat het bereid is verantwoordelijkheid te nemen. Ze werd bekritiseerd omdat ze te bestuurlijk zou zijn. Het CDA wist grote schare kiezers achter zich te krijgen omdat het bereid was soms pijnlijke maar noodzakelijke geachte besluiten te nemen. En het werd verguisd omdat het essentiële principes overboord gooide.

 

De C niet waard

Het meest gehoorde verwijt dat ik in al die jaren over mijn partij voor de voeten kreeg geworpen, was dat een standpunt of een maatregel niet christelijk zou zijn. Het bevriezen van uitkeringen, steun verlenen aan een militaire actie, het versoberen van onderdelen van onze verzorgingsstaat en heel recent, een stringent vluchtelingenbeleid voorstaan; het leverde steevast het verwijt op dat het CDA de C in zijn naam niet waard is.

Nu zou het al te gemakkelijk zijn om in zulke situaties tegen te werpen dat het CDA ook geen christelijke maar een christendemocratische partij is. Dat zou immers ten onrechte kunnen suggeren dat christendemocraten niet kunnen worden aangesproken op hun christelijke inspiratie en fundament. Tegelijk moet ik toegeven dat het onderscheid tussen een christelijke en christendemocratische politiek voor mij essentieel is. Ik vind het ongemakkelijk om een bepaalde politiek het goedkeuringsstempel ‘christelijk’ mee te geven. Is het aan ons mensen om te bepalen wat wel of niet het keurmerk van boven mee mag krijgen?

Het miskent ook dat de bijbel geen eenduidig handboek is dat op alle politieke dilemma’s antwoord geeft. We moeten zelfs toegeven dat de Bijbelboeken elkaar soms tegen (lijken te) spreken. Roept Jezus ons op om pacifist te zijn als hij zijn volgelingen opdraagt om hun linkerwang toe te keren als ze op de rechter worden geslagen? Of mogen uit de verhalen in het Oude Testament opmaken dat volkeren het recht hebben om hun soevereiniteit te verdedigen als ze worden aangevallen? We kunnen in alle nuchterheid vaststellen dat daar onder christenen verschillend over werd en wordt gedacht.

 

Te complex

Er is daarnaast nog een fundamenteler probleem met het label christelijke politiek. De alledaagse maatschappelijke en politieke realiteit is te complex om alleen maar te suggeren dat welk religieus boek dan ook voor elk probleem duidelijk richting geeft. Het actuele debat over hoe we politiek moeten omgaan met de toestroom van vluchtelingen die in Europa een veilig heenkomen zoeken illustreert dat feilloos. Ons geloof schrijft ons voor dat we moeten omzien naar hen die kwetsbaar zijn. Daarmee lijkt het evident dat we ruimhartig mensen moeten opvangen die vluchten voor oorlogsgeweld of voedselschaarste.

Maar hier gaat het schuren. Want de komst van vluchtelingen naar Nederland leidt er toe - en nee, dat is geen fabeltje maar harde realiteit - dat mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt die al in een kwetsbare positie verkeren er nieuwe concurrenten bij krijgen. Of dat mensen die al heel lang wachten totdat een huurhuis beschikbaar komt, nieuwe statushouders voor moeten laten gaan. Waar maakt de Bijbel duidelijk met wie we het meest solidair moeten zijn: met de mensen die van ver komen of de mensen die al lang in onze  stad wonen?

Deze lastige kwestie laat zien dat het zinvol is om een knip aan te brengen tussen enerzijds het persoonlijke appèl dat de Bijbel op ons mensen doet om oog te hebben voor onze naasten die in nood verkeren en anderzijds de eventuele politieke vertaling van dat politieke appèl. De conservatieve rechtsfilosoof en CDA-fractievoorzitter in Amsterdam, Diederik Boomsma, zette dat onderscheid eind vorig jaar scherp neer in een interview met Elsevier: “Naastenliefde is een persoonlijke opgave. Ik vind het nobel als je persoonlijke offers brengt om mensen in nood te helpen. Maar zodra je daar politiek mee gaat bedrijven, asielactivisme, zijn die offers niet persoonlijk, maar leg je die via de staat op aan de samenleving als geheel. De kosten leg je dan op aan anderen. Jezus prees de Barmhartige Samaritaan omdat hij een individu te hulp schoot, niet omdat hij een heel volk Judea binnenloodste.”

Ik vind het onderscheid dat Boomsma aanbrengt tussen de persoonlijke opgave en het bedrijven van politiek verhelderend en zuiver. Maar naar mijn smaak voert hij  die in zijn consequenties te absoluut door. Politiek is met elkaar keuzes maken en uit een democratisch proces van debat en besluitvorming kan heel wel volgen dat een samenleving vluchtelingen wil opvangen. Tussen een heel volk opvangen of één Samaritaan helpen ligt nog een hele wereld.

 

Vertalen

Hoe kunnen we die persoonlijke opgave dan wel vertalen naar een politieke opdracht? De docent katholiek sociale leer aan de Fontys Hogeschool Fred van Iersel heeft in het themanummer van Christen Democratische Verkenningen  over de vluchtelingenproblematiek (lente 2016) geprobeerd de notie ‘barmhartigheid’ die vaak als persoonlijk wordt aangeduid, te verbinden met ‘rechtvaardigheid’ die als een politieke kernwaarde wordt gezien.

Van Iersel stelt dat barmhartigheid en rechtvaardigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: “Een barmhartige overheid is wel degelijk mogelijk en nodig, maar onder de randvoorwaarde dat zij rechtvaardig is en veiligheid bevordert: alleen dan komt het surplus van de barmhartigheid tot zijn recht. Zonder gerechtigheid slaat barmhartigheid een samenleving uit het lood.” Andersom geldt dat het recht zelf de barmhartigheid nodig heeft om niet nodeloos te verharden en verstarren.

De essentie voor Van Iersel is dat de twee in ieder geval niet als tegenstelling tegen elkaar mogen worden uitgespeeld: “Waar het over beleid gaat, is het voor politici zaak aannemelijk te maken dat barmhartigheid jegens vluchtelingen niet in de plaats komt van gerechtigheid jegens vluchtelingen en de ontvangende bevolking.”

 

Schipperen

Met het verbinden van barmhartigheid en rechtvaardigheid is evenmin een complete en allesomvattende richtlijn afgegeven voor christelijke politiek. Het maakt eerder duidelijk dat een politieke invulling geven aan christelijke noties steeds weer schipperen en wegen is. En dat we daarin zonder meer ook fouten maken. Juist vanwege dat besef van onze feilbaarheid moeten we terughoudend zijn om in de publieke ruimte een politiek, partij of politicus te (dis-)kwalificeren als christelijk of onchristelijk. Daarmee doen we geen recht.

Dat betekent niet dat we in relativisme hoeven te vervallen. Als een medelid uit mijn kerkelijke gemeente mij op zondagochtend bij de koffie de bekentenis doet dat de PVV op zijn steun kan rekenen, zou ik hem of haar zeker wel bevragen op zijn drijfveren. Ik zou oprecht nieuwsgierig zijn hoe hij Bijbelse noties van naastenliefde en menswaardigheid kan rijmen met de polarisatiepolitiek van de partij zonder leden.

Maar in het publieke debat werkt het altijd beter om dubieuze politiek te bestrijden met goede tegenargumenten in plaats van christelijke keurmerken uit te delen of te onthouden terwijl wij mensen helemaal niet de certificerende instelling zijn.

 

Rien Fraanje was directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Vanaf 1 maart is hij secretaris-directeur van de Raad voor het openbaar bestuur. Zie hier voor een reactie op dit stuk van de hand van Wouter Beekers, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.

Lees verder

Marokko: christenen welkom in strijd tegen radicalisme

10-02-2017

Vergeleken met andere landen waarin de islam de overhand heeft, blijft het in Marokko relatief rustig. Het land doet veel aan tegengaan van radicale krachten. Op een onlangs gehouden internationaal en interreligieus colloqium bleek dat de zaak genuanceerder ligt dan ‘de agressieve islam tegen christenen en het Westen’. Er is ook christelijk radicalisme, en het Westen heeft forse steken laten vallen in haar buitenlandse politiek. Door Gerard van ’t Spijker.

 

‘Radicalisering in de verschillende religies’ was het thema van een internationaal academisch colloquium dat onlangs in Marokko werd gehouden. Zo’n twintig theologen en antropologen, moslims zowel als christenen, hielden inleidingen. Niet alleen moslim terreurbewegingen, zoals de Boko Haram, werden belicht, maar ook christelijk radicale en militante bewegingen, zoals het Lord Resistance Army, het ‘weerstandsleger van de Heer’ dat opereert in de buurt van Noord Uganda, werden besproken. Wat zijn de bedreigingen in Noordelijk en Centraal Afrika van nu? Wat zijn de oorzaken, en hoe kunnen radicale bewegingen worden bestreden en mogelijk voorkomen? Dat waren de vragen die aan de orde kwamen.

Opmerkelijk is dat is om een dergelijk interreligieus symposium in Marokko mogelijk is. Zo’n 99% van de bevolking is daar islamitisch, en men wil dat graag ook zo houden. Nog opmerkelijker is dat, naast de Internationale Universiteit van Casablanca,  een belangrijk deel van de organisatie voor dit colloquium in handen was van het Oecumenisch Centrum voor Theologisch Onderzoek en Onderwijs, Al Mufaraqa, te Rabat. Dit oecumenisch instituut voor onderzoek en onderwijs is twee jaar geleden gesticht door protestanten en katholieken, en staat ten dienste van  de kerken in Marokko, om er voorgangers op te leiden die grondige kennis hebben van Afrikaanse en moslimcultuur waarin kerken een plaats moeten zien te vinden. Het instituut  onderhoudt nauwe banden met vooraanstaande theologische faculteiten in Frankrijk.

 

Klimaat van openheid

Het lijkt me dat het tekenend is voor een klimaat van openheid naar andere Afrikaanse landen dat Marokko ten toon spreidt. Het spreekt ook van openheid voor ideeën en godsdiensten die niet tot het gedachtengoed van de islam behoren.  Al eerder dit jaar werd in Marrakesh een belangrijke moslimconferentie van moslimgeleerden gehouden over religieuze minderheden. Ook was de Marokkaanse stad Marrakesh de plaats waar dit de  wereldtopconferentie over klimaatsverandering werd gehouden. Uit dit alles blijkt dat het koninkrijk Marokko zich internationaal wil ontwikkelen, zoals het zich ook ziet als brug tussen Afrika en Europa.

Voor het interreligieus symposium werd een hoogst prominente  plaats in Rabat ter beschikking gesteld: de grote congreszaal van de Nationale bibliotheek.

Het is niet mogelijk om de uiteenlopende bijdragen aan dit colloquium te schikken tot een overzichtelijk mozaïek. Toch kunnen enkele hoofdlijnen die zich aftekenden in kaart worden gebracht.

Allereerst werd duidelijk dat radicalisme niet beperkt is tot de islam of tot de tegenwoordige tijd. Religie heeft altijd een rol gespeeld bij politieke expansiedrang. Dat was al te zien bij moslimheersers in de 18e eeuw. Genoemd werd Sjeik Osman dan Fodio, die in het begin van de 19e eeuw actief was in wat nu het noorden van Nigeria en Kameroen is.

 

Christelijk radicalisme

Religie speelt echter ook een grote rol in het reeds genoemde  Lord Resistance Army in het Noorden van Uganda, en in de politieke en militaire machtsontplooiing van dominee Ntumi, die thans schrik aanjaagt in Congo-Brazzaville. En er zijn meer voorbeelden van christelijk politiek radicalisme.

Het meest centraal stonden vragen omtrent de huidige terreurgroepen als Boku Haram, die niet alleen in Noord Nigeria, maar in tal van landen in Noordelijk Afrika actief zijn. Waar komt de inspiratie vandaan, wie zijn vatbaar voor het gedachtengoed van deze radicale vorm van Islam, en hoe dient men te voorkomen dat vooral jongeren door het virus van deze radicaliteit worden aangestoken?

‘Voor het bestrijden van geradicaliseerd gedachtengoed binnen de Islam zijn we veertig jaar te laat’, zei Bakary Sambé, directeur van het Timboektoe instituut voor vredesstudies in Dakar. Veertig jaar geleden werd bekend hoe de regio rondom de Sahel te kampen had met grote droogte. De meest arme bevolking leed daaronder. Kapitaalverschaffers in het Westen drongen in die tijd aan op herstructurering van de economie, waardoor de armste lagen van de bevolking nog meer te lijden kregen. Ondertussen werd vanuit Saudi-Arabië materiële hulp geboden aan de plaatselijke bevolking. Hulpgoederen werden geleverd, maar tegelijk ook werden moskeeën en scholen gebouwd waarin een conservatieve vorm van islam werd onderwezen. In deze veertig jaar is de bevolking klaar gemaakt voor de meest radicale vorm van islam, gevoed door imams die hebben gestudeerd in Saudi-Arabië.

 

Oliebelangen

Het Westen hield omwille van de oliebelangen in Saudi-Arabië de ogen gesloten voor deze negatieve invloed die het land op vele plaatsen uitoefende. Zo werd een voedingsbodem geschapen voor de radicale stromingen als Boko Haram.

Het zijn deze conservatieve stromingen die er geen oog voor hebben dat wat thans de sharia genoemd wordt, in feite de bewegelijkheid van de ethische regels in de Islam weer geeft. De sharia is de eeuwen door gezien als aanbevelingen voor een ethiek gedaan door de geestelijkheid, geleverd aan hen die de politieke macht hebben, lichtte Tareq Oubrou, theoloog, verbonden aan de grote moskee van Bordeaux, toe.  Eerst in de laatste tijd wordt in conservatieve moslimkringen deze sharia gezien als onveranderlijke wet volgens welke een staat dient te worden ingericht.

 

Deradicalisering

In 2003 werd Marokko opgeschrikt door zelfmoordaanslagen in Casablanca waardoor een dertigtal mensen om het leven kwamen. Als reactie daarop heeft de staat een groots programma opgezet om radicalisering tegen te gaan. Bekend is dat radicalisering het meest voorkomt bij werkeloze jeugd  in verwaarloosde stadsbuurten. Daarom werden ontwikkelingsprogramma’s opgezet, werden moskeeën geïnstrueerd om theologisch tegenwicht te bieden tegenover een geradicaliseerde conservatieve vorm van islam. Bij dit alles werd radio en tv ingeschakeld. Mohamed Sgir Janjar, antropoloog uit Casablanca, die dit alles naar voren bracht, vroeg zich af of dit alles voldoende is. De ideeën van een radicale islam à la Boko Haram verspreiden zich vooral via de moderne sociale media waarover men geen centrale regie kan voeren.  Daarom zal het meest effectieve middel zijn jongeren in scholen en moskeeën een godsdienstige vorming te bieden die deze jongeren kritisch maakt. Alleen zo kunnen jongeren zich wapenen tegenover eenzijdige propaganda gebaseerd op enkele gewelddadige Koranteksten, een propaganda die gevoed wordt door de salafistische stroming die door Saudi-Arabië geëxporteerd wordt.

Iemand die zich voor een nieuw programma voor godsdienstonderwijs sterk maakt, is mevrouw Aicha Haddou, directeur van het Centrum voor Onderzoek en Interreligieuze Dialoog in Rabat, met wie ik, voorafgaande aan het colloquium, een uitvoerig gesprek had. Dit centrum is gehuisvest in het gebouw van de vereniging van moslim-theologen, als je de Rabbita des Oulemas zo mag vertalen. Uit dit gesprek is me het meest bijgebleven dat volgens haar de beste manier om radicalisme te voorkomen is om een gedegen religieuze opvoeding te geven, waarbij ook niet alleen kennisoverdracht een rol speelt,  maar ook de ervaring van wat fundamenteel is in de godsdienst van islam. De jihadisten denken niet na, terwijl in de Koran staat dat je moet nadenken. En als je werkelijk een religieuze ervaring hebt gehad, en niet alleen een lesje uit je hoofd hebt geleerd, ga je iemand die andere opvattingen heeft dan jezelf niet afmaken. ‘De jihadisten praten veel over Mohammed en bijna niet over God’. Alleen een grondige religieuze vorming kan jongeren wapenen tegen de leugens van de propaganda van moslimterreurgroepen.

 

Opleidingen

Dit alles gaat niet van vandaag op morgen. Daartoe dient het programma voor de godsdienstige vorming op scholen te worden herzien, maar ook de opleidingen voor imams. Daaraan wordt trouwens ook gewerkt. Zo wordt momenteel gewerkt aan een vervolgopleiding voor imams aan de Universiteit van Ifrane. In deze opleiding wordt ook aandacht geschonken aan de interreligieuze dialoog. De betekenis van het christelijk geloof wordt daarin gedoceerd door christen docenten die het christelijk geloof van binnenuit kennen. Zo kunnen de imams die een rol gaan spelen in de belangrijkste moskeeën respect krijgen voor andersdenkenden. 

Uit de opzet van het colloquium, en uit de pogingen tot onderwijshervorming die worden ondernomen met het oog op het voorkomen van moslimradicalisme, blijkt dat in het Marokko van vandaag christenen als gesprekspartners serieus worden genomen.

 

Gerard van 't Spijker is theoloog en antropoloog

Lees verder

Hoog tijd voor vrouw in ambt in vrijgemaakte kerken

26-01-2017

Het lijkt een never ending story: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) gaan op hun synode die op 27 januari begint, opnieuw spreken over de heikele kwestie van vrouwen in het ambt. Hoe komt het dat die discussie pas de laatste jaren urgent is geworden? En waarom was en is het überhaupt een discussie in de kerk van alle tijden?

Vorig jaar verscheen het boek Zonen & dochters profeteren dat de nodige argumenten bevat voor een volmondig ja op de vraag of vrouwen tot de kerkelijke ambten toegelaten mogen worden. Een van de schrijvers is Maarten Verkerk. Het boek is bepaald niet zijn eerste publicatie over dit onderwerp. Hoogleraar christelijke wijsbegeerte Verkerk was jarenlang een roepende in de woestijn. Nu lijkt het er, als de voortekenen kloppen, dan toch van te komen.

De discussie lijkt helemaal langs de Protestantse Kerk heen te gaan. Maar of dat terecht is, is de vraag.

 

Hoe komt het dat vrouwen in het ambt zo’n heikel onderwerp is in de GKv en in andere orthodoxe kerken?

“Als ik het scherp formuleer is daar eigenlijk maar één antwoord op: het is een van de meest zichtbare effecten van de vloek uit Genesis 3. Door die vloek heersen mannen over vrouwen, en christelijke mannen doen dat ook. Er zijn nog steeds kerken waar die vloek als een zegen wordt gekarakteriseerd, als een herstel van de juiste verhoudingen. Maar je hoeft maar even te kijken naar alles wat er is geschreven door feministen om te zien wat vrouwen eigenlijk allemaal wordt aangedaan. Helaas is er na Herman Bavinck eigenlijk geen theoloog meer geweest die zo naar de vrouwenbeweging heeft gekeken. Wil je hierover goed kunnen discussiëren dan is het - ik zal het maar theologisch zeggen - nodig dat mannen zich bekeren. Vanuit cultuurfilosofisch perspectief kun je zeggen dat mannen in alle culturen van alle tijden vrouwen onderdrukken, en die culturen houden ook christenen in een vaste greep.

Ik merk dat in alle confessionele kerken nog steeds veel mensen denken dat je met het toelaten van vrouwen tot het ambt het gezag van de Bijbel aantast, omdat je de uitspraken van Paulus dan aan de kant schuift. Dat is zo in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, maar ook in de Christelijke Gereformeerde, en in gemeenten van de Gereformeerde Bond en dergelijke. Toen ik in 1996 mijn eerste artikel schreef waarin ik pleitte voor vrouwen in kerkelijke ambten, waren de meest gehoorde reacties: ‘ongereformeerd’ en ‘onschriftuurlijk’. Grote woorden die makkelijk werden gegeven, zonder degelijke onderbouwing. De recensies van dat boek dat ik samen met anderen schreef: Zonen & dochters profeteren, in de bladen De Waarheidsvriend en Nader Bekeken, stonden vol met soortgelijke reacties, ook zonder deugdelijke argumentatie.”

 

In de samenleving waren het meestal vrouwen zelf die streden voor verandering. In de GKv lijkt het vooral een actie van mannen en vrouwen samen.

“In meer orthodoxe kerken zijn het haast altijd mannen die het initiatief nemen. Dat doen ze dan samen met vrouwen. Daar zijn sociologische verklaringen voor. Er is vrouwen bijvoorbeeld altijd geleerd geen initiatief te nemen. In de vrijgemaakte kerken was er eigenlijk alleen mevrouw Bremmer-Lindeboom die dat deed, maar zij werd niet serieus genomen. Dat kwam omdat ze vrouw was, gestudeerd had en wel eens scherp uit de hoek kon komen. Daar houden mannen niet van. Ook vrouwen die theologie gestudeerd hebben, steken hun nek meestal niet uit. Soms komt dat omdat ze met een dominee zijn getrouwd en het hem niet moeilijk willen maken. Voor ons boek hebben we als redactie veel moeite moeten doen om vrouwen te vinden die het wel aandurfden. Maar ook voor mannen was het een thema waar ze zich niet aan waagden. Na de lezingen die ik vanaf de jaren ’90 gaf over dit onderwerp, hoorde ik vaak van predikanten: ‘Ik ben blij dat je dit zegt. Als ik het doe dan krijg ik geen beroepen meer’.”

 

Soms zijn zelfs vrouwen tegen de openstelling van de ambten voor vrouwen.

“Dat is zo, en dat vind ik heel jammer. Voor de oudere generatie vrouwen heeft het vaak te maken met hun identiteit. Zij zijn helemaal gericht op de man. Ik kom ook tegen dat ze denken vanuit oude paradigma’s: ‘de Bijbel zegt dat het zo is’. Jonge vrouwen vinden het vooral oninteressant, zij nemen afstand van de kerkelijke structuren. ‘Ze doen maar’, zeggen zij. Voor hen is het een gelopen race. Velen van hen – hoe jammer ook – zullen ons boek niet lezen. We hopen dat in ieder geval  mannen van tussen de 40 en de 70 jaar het wel lezen, zij nemen in deze kerken de beslissingen. Verandering heeft namelijk reflectie nodig.”

 

Tegenstand is er ook nog steeds, vaak van theologen. Belangrijkste tegenargument lijkt te zijn dat je een heel andere manier van hermeneutiek nodig hebt voor de zwijgteksten. Is er inderdaad een andere manier van Bijbellezen voor nodig?

“Ja en nee. Ja, omdat het een groot verschil maakt hoe je Genesis 3 leest, dat bepaalt in hoge mate hoe open je staat voor de invloed van de zondeval op je eigen denken.  Maar het antwoord is ook nee. Uiteindelijk heb je geen nieuwe hermeneutiek nodig. Je moet gewoon lezen wat er staat. Dan blijkt dat we te weinig weten van de precieze context van de  zwijgteksten Maar met wat we wel weten is er geen basis zijn voor het afwijzen van vrouwen in het ambt. De tegenstanders zijn daarnaast heel selectief met hun schriftbewijs. De thematische delen zoals Efeziërs 4 en I Corinthiërs 12 komen bij hen nooit aan bod, ze focussen heel eenzijdig op de zwijgteksten. Dat is op het fundamentalistische af. Er zijn natuurlijk wel hermeneutische vragen te stellen, bijvoorbeeld over de vrouw-onderdrukkende teksten in het Oude Testament.”

 

In de meeste protestantse kerken is deze discussie achterhaald. Of toch niet?

“Ik heb daar wel zorgen over. Zo hoor ik wel dat zo gauw er vrouwen in het ambt komen, er minder mannen ouderling worden. Dat is een sociologisch fenomeen: mannen gaan kerkelijke ambten dan als van lager orde beschouwen. Dat is natuurlijk heel treurig. Ook hoor ik wel van protestantse vrouwelijke ouderlingen dat ze niet altijd voor vol worden aangezien, zeker niet door mannelijke predikanten. Het is daarom van groot belang dat mannen reflecteren op hun positie in de kerk, en dat ze reflecteren op hun seksuele driften en hun neiging zich hiërarchisch op te stellen. Die reflectie is nu nauwelijks aanwezig. Dus al gaat de synode om, dan zijn we er nog niet.”

 

Op de komende synode is ook vrouw en ambt een onderwerp, misschien wel het belangrijkste.

“Het wordt hoe dan ook moeilijk voor de vrijgemaakte kerken. Er is nu al een tweede rapport dat ervoor pleit, vrouwen doen vrijwel alle taken al, ons boek speelt een rol, er is geen goede onderbouwing voor een afwijzing. En in geval van afwijzing of uitstel zijn er een aantal gemeentes die toch vrouwen gaan benoemen.”

Zou een positief besluit een nieuwe splitsing kunnen veroorzaken? “Dat denk ik niet. Mensen voor wie dit heel zwaar weegt, zijn al vertrokken. Ze worden hooguit gevolgd door individuen, niet door hele groepen. De karavaan zal gewoon verder trekken. Aan de andere kant zullen een aantal  voorstanders ook vertrekken als het niet doorgaat. ”

 

In de Bijbel zelf spelen vrouwen een belangrijke rol. Wanneer is dat veranderd?

“In de eerste eeuwen waren veel vrouwen actief in verschillende posities. De laatste jaren is daar veel onderzoek naar gedaan. Er zijn bijvoorbeeld nogal wat grafschriften gevonden met ‘oudste’, ‘apostel’, ‘opziener’ en ‘diaken’ en dan met vrouwennamen erachter. De kerkvaders waren ook vaak positief over vrouwen, zij evangeliseerden in de vrouwenverblijven waar geen mannen mochten komen, en bedienden daar ook doop en avondmaal. Maar toen de kerkelijke ambten publieke functies werden, verdwenen vrouwen uit leidinggevende posities.”

 

U maakt zich al heel lang druk om dit onderwerp, ook toen daar in de GKv nog nauwelijks belangstelling voor was. Waarom is dit onderwerp zo belangrijk voor u?

“Dat is begonnen toen mijn vrouw en ik trouwden en naar Enschede verhuisden. Zij was nog niet klaar met haar studie en hoorde in Enschede dat ze daar nu best mee kon stoppen, met een man die prima de kost verdiende. En zeker toen ons eerste kind op komst was. In Groningen hoorde ze juist dat het huwelijk een onderdrukkend instituut was, en kinderen krijgen dat nog erger maakte. Toen ging ik me verdiepen in feminisme. Ik werd er steeds meer door gegrepen en werd ook steeds bozer over het onrecht dat vrouwen wordt aangedaan. Onder christenen was er maar weinig belangstelling voor. Ik merkte dat exegeten zich niet verantwoordden voor hun keuzes voor een bepaalde uitleg van Bijbelteksten, zoals die over ‘gezag hebben over’. Dat kan zowel positief als negatief worden geduid maar die opties werden nooit beschreven.

 

Is uw argumentatie in de loop van de jaren veranderd?

“Nauwelijks, al is die wel verfijnd en heb ik veel bijgeleerd. Dat komt ook doordat ik vanuit de filosofische analyse ben begonnen, ik ben door het kwaad heen gegaan, ook in mijn eigen leven. En dan blijf ik me afvragen: ‘hoe kon dit juist in de kerken gebeuren?’”

 

Ineke Evink

 

Over Maarten Verkerk

Dr. Maarten Verkerk is bijzonder hoogleraar christelijke wijsbegeerte aan de Technische Universiteit Eindhoven en de Universiteit van Maastricht, bestuursvoorzitter van het Professor Lindeboom Instituut. Hij houdt zich vooral bezig met verandermanagement, organisatiekunde, bedrijfsethiek en innovatie. Hij schreef samen met Maaike Harmsen, Henk Folkers en Almatine Leene het boek Zonen & dochters profeteren (Uitg. Boekencentrum, 19,90 euro). Eerder schreef hij Sekse als antwoord

Lees verder

Schuld en schaamte

19-01-2017

'Onze dochter gaat binnenkort trouwen. Het gaat niet zo lekker op haar werk, ze zit niet zo lekker in haar vel; ik heb haar aangeraden zich een tijdje ziek te melden om straks wel van haar bruiloft te kunnen genieten. Ze vindt dat wel een beetje moeilijk om zich daarom ziek te melden. Ze is natuurlijk ook calvinistisch belast.’

Ik kijk mijn ziekenhuis-collega verbaasd aan. `Ziek melden omdat je niet lekker in je vel zit? Wat bedoel je met calvinistisch belast?’

`Nou,’ zegt ze, `dat stomme schuldgevoel om niks. Alles moet verantwoord zijn, dat hebben wij haar natuurlijk met de paplepel ingegoten, wij zijn natuurlijk ook kind van onze opvoeding;  ik probeer daaraan te werken, maar je raakt het niet zomaar kwijt.’

Ik had een lang gesprek met een logé uit Indonesië over hoe schuld en schaamte functioneren in zijn cultuur. We kwamen erop doordat het ons opvalt hoe slecht Aziatische studenten en collegae met hun nachtrust omgaan. `Bij ons zijn we altijd bang dat anderen vinden dat we niet hard genoeg werken. Vaders beschuldigen hun zonen, moeders hun dochters dat ze lui zijn. We zijn er almaar mee bezig wat anderen over ons denken. Moe zijn is een schande. Net als verdrietig zijn: als een kind verdrietig is, is dat een schande voor de vader, het zou betekenen dat hij niet in je noden voorziet, dus verbergt het kind dat. Emoties deel je niet, die kunnen beledigend zijn voor je ouders.’

Schuld. Schaamte. Waar hebben we het precies over? Het is niet hetzelfde,  Ik kom nogal eens mensen tegen die dat allemaal overbodige belasting vinden, het beste zou zijn  nergens last van te hebben. Religie zou mensen schuld en schaamte aanpraten, mensen knevelen en onvrij maken. Ultieme vrijheid zou zijn als mensen geen last hebben van schuld en schaamtegevoelens. Als religie afgeschaft zou kunnen worden.

Het gesprek met onze Indonesische gast bracht ons op de situatie in Indonesië. Op de radio 1 wordt met volharding beweerd dat de rechtszaak rond de gouverneur van Jakarta gaat over blasfemie en religieuze spanningen. Onze gast legt uit dat dat een welkome kapstok is voor radicalen en journalisten, maar dat het daar in de grond in het geheel niet over gaat. Het gaat wel over enorme verrijking en corruptie van machthebbers. De huidig gouverneur maakt zich sterk om daar een offensief tegen te maken. Nu is het een oud verschijnsel dat wie opstaat tegen machthebbers om hun immoreel gedrag ter discussie te stellen op grote weerstand stuit. Het kostte Johannes de Doper in vroeger tijden al de kop. Hij had Herodes erop gewezen dat hij een schaamteloze fout had gemaakt door zich de vrouw van zijn broer toe te eigenen. Corrupte machthebbers houden er niet van schuldig verklaard te worden. Zij reageren met gebruik van grote woorden, macht en geweld. Dat is in deze rechtszaak niet anders, leren we. De vorige president heeft zich onwaarschijnlijk verrijkt, daar moet niet teveel praat over zijn. Hij schoof zijn eigen zoon naar voren voor de post van gouverneur, en heeft middelen om demonstranten naar Jakarta te lokken. En er wordt gezegd dat de zaak van een waarnemer van Human Right Watch, die tien jaar geleden  naar Nederland reisde en in het vliegtuig naar Singapore vergiftigd is een rol zou kunnen spelen. Zijn lijk werd abusievelijk niet teruggestuurd naar Indonesië maar werd naar Nederland gevlogen, waar werd vastgesteld dat hij vergiftigd was. Toen werd het een zaak. De toenmalige president is er in geslaagd de zaak niet voor de rechter te krijgen, vanwege het belang dat de waarnemer dingen in Nederland aan het licht zou brengen die hem in diskrediet zouden brengen. De familie van de waarnemer dringt er nog steeds op aan dat de zaak wordt berecht, wat de voormalige president met zijn handlangers zou proberen te verhinderen - een van de manieren zou kunnen zijn als zijn eigen zoon gouverneur zou worden.

`Het grootste probleem is leiders die geen schuld of schaamtegevoel kennen,’ zegt onze gast. `En daarvan lijken er steeds meer het in onze wereld  voor het zeggen te krijgen.

Onze loge komt naar Nederland om het werk van Abraham Kuyper te leren. Een andere Chinees-Amerikaanse logée is bij ons om Nederlands te leren met het doel Kuyper in het Chinees te kunnen vertalen. `Dit is wat China nodig heeft,’ zegt ze.

Ons werd verteld dat  Jakarta ’s  gouverneur zijn dagen begint met het lezen van Calvijn en Kuyper, om richting te vinden voor een `schoon’ politiek beleid. 

Calvijn, Kuyper. Ik wens ons en de machthebbers van deze eeuw toe dat ze zich laten vormen door waardige kost. Het gaat goed als er gezond besef is van schuld en schaamte; godsdienst  en levensbeschouwing hebben daarbij van oudsher mensen gevormd en richting gegeven. Dat was in de tijd dat je een touwtje uit de brievenbus kon laten hangen.

 

Margriet van der Kooi

 

Margriet van der Kooi is geestelijk verzorger in het Zuwe Hofpoortziekenhuis en het regionaal psychiatrisch centrum in Woerden. Zij schrijft maandelijks een column in CW-Opinie. 

Lees verder

Verlangen naar God

23-12-2016

`Dat verhaal, een engel die een jonge vrouw iets komt zeggen, en dan al dat andere, dat natuurlijk  helemaal niet mogelijk is. Ik denk dat die vrouw een soort wensdroom had. Of een soort psychose toen ze ontdekte dat ze zwanger was, en zich geen raad wist. Dat zie je toch vaker bij mensen dat ze in het nauw zitten en dan met allerlei fantasieën naar buiten komen. Een op waan gestoeld feest, Kerst. Ik kan niet begrijpen dat de hele wereld hier aan meedoet. Een God die ingrijpt, een God die spreekt, ha, waar dan? Hoop? Projectie van mensenverlangen, angst we volstrekt eenzaam zijn en dat we het daarmee moeten doen. Ik doe niet meer aan mee aan Kerst, ik koop dit jaar geen kerstboom, ik ben er klaar mee.’

Projectie van mensenverlangen. Ik ga hem niet tegenspreken, ik houd niet van debat, van gelijkhalerij. Ik houd van verhalen, die houden het hart open. Ik vertel er u twee, een voor de debaters, en een voor alle anderen.

Het eerste is een denkverhaal, ik hoorde het van een filosoof. `Stel, ik heb dorst. Ik verlang naar water. Het is even niet voorhanden, mijn dorst wordt erger, mijn verlangen naar water wordt steeds erger. Is nu mijn dorst een projectie van mijn verlangen naar water? Met andere woorden: bestaat water alleen in mijn verbeelding, omdat ik dorst heb? Of zegt mijn dorst, mijn verlangen naar water ook iets over het bestaan van water?

Zou het mensenverlangen dat dit leven ergens op toe gaat, dat er Iemand is die boven en onder onze voorstelling doorgaat, Iemand die zin en duur en doel geeft aan ons leven, Iemand die ons kent en ziet, misschien verwijzen naar Iemand die er is? Iemand die dat verlangen naar Hem juist in ons geplant heeft, als naar water? `Steeds als ik roep `o God!’ is dat een wenk van God zelf naar zijn aanwezigheid,’ zei een oude rabbi in de 13e eeuw.

Een God die er is en die spreekt. Mensen hebben daar al eeuwenlang verhalen over. Een vrouw die in de zorg werkt, laat ik haar Christina noemen, vertelt me hoe lastig ze onze tijd vindt. `ik vind het zo raar dat ik wel naar het wel en wee vraag van anderen, maar dat er zo zelden belangstelling terug komt. Op het werk lijkt het steeds meer te gaan over productie en targets, managers zitten ons op de huid om dingen te doen die wel in hun belang en in het belang van papieren statistieken zijn, maar niet in het belang van kwetsbare mensen voor wie ze in dienst zijn. Bestuurders zitten achter hun bureau plannen uit te denken, op de werkvloer komen ze niet kijken. Het voelt alsof de samenhang en het samenleven op het spel staat. Het is zo onrustig in de wereld, de angst en de woede regeren. Maar nu overkwam me iets, ik heb er eigenlijk geen woorden voor, iets moois, troostends, iets dat me weer op een goed spoor brengt. Ik sliep en werd wakker van een stem, ik werd erdoor gewekt. Eerst dacht ik dat ik droomde, ik ging rechtop zitten in bed, maar ik hoorde echt een stem, niet in mij, maar buiten mij. “Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn kruis op zich nemen en mij volgen.”

Het was prachtig. Het kwam uit het niets tot mij, ik werd herinnerd aan iets buiten mij, iets dat groter is dan ik ben, en ik voelde de moed en de kracht en de hoop weer terugstromen. Alles veranderede erdoor. Mijn teleurstelling in mensen, mijn boosheid over wat op het werk gebeurt, mijn onrust over de wereld, het heeft me ineens niet meer zo te pakken. Ik keer me ervan af, ik keer me om naar iets dat leven geeft.’

Een God die spreekt. Talloze mensen hebben daar al eeuwen verhalen over. Christina herinnert me aan Maria, de jonge vrouw van tweeduizend jaar geleden. Zij beiden vertellen erover hoe ze een stem hoorden waar ze niet op rekenden, maar waardoor ze moed vatten om beschikbaar te zijn voor de hoop. Ze gingen ervan zingen. Sandro Botticelli drukte Maria’s vreugde uit door haar ontmoeting met de engel zo te schilderen dat het lijkt of ze zich laat uitnodigen om te dansen. Ik zag zoiets toen Christien mijn kamer verliet: haar tred was licht, alsof ze wegdanste, een meisje van de hoop.

 

Margriet van der Kooi

Lees verder

Voltooid leven: autonomie versus godsdienst?

11-11-2016

In de discussie rond ‘voltooid leven’ en de autonomie van de mens lijkt de Bijbelse moraal daar diametraal tegenover te staan. Maar zo eenvoudig ligt het niet, aldus Henk Geertsema. Menselijke autonomie is immers ook een groot goed. Botsen beide benaderingen wel zo ernstig als gedacht? Het is wel duidelijk dat de dood anders tegemoet wordt getreden dan in de 19e eeuw, toen het besef van God nog het hele leven doortrok. Al was het maar omdat de onontkoombaarheid van de dood veel meer als een dagelijkse realiteit werd ervaren.​

Een van de bezienswaardigheden van Parijs is de Catacomben. In een middeleeuwse steengroeve zijn rond 1800 de stoffelijke resten herbegraven van alle Parijzenaren die tot die tijd op oude begraafplaatsen op de noordoever van de Seine ter aarde waren besteld. In keurig opgestapelde rijen beenderen, hier en daar onderbroken door rijen schedels, liggen de resten in de oude mijngangen. Geordend naar de kerk en de begraafplaats waar zij in eerste instantie lagen.

Voor 12 euro kun je de 130 treden afdalen en een route van een klein uur lopen langs de overblijfselen van circa zes miljoen mensen die eeuwen geleden leefden, liefhadden, werkten, dronken, aten, geloofden. Netjes gestapeld, de route elektrisch verlicht, een audioapparaat met toelichting in vier talen is beschikbaar. Overigens is een toeristisch bezoek niet iets alleen van deze tijd. Al snel na de verplaatsing konden mensen de beenderstapels bekijken. Er heeft zelfs eens een muziekuitvoering tussen de doden plaatsgevonden. Dat was overigens wel illegaal.

 

Zelfgekozen einde

De afgelopen weken werd in Nederland een debat gevoerd over de dood. De dood als zelfgekozen beëindiging van het leven. Van levens die door de dragers daarvan als zinloos of als te belastend voor de omgeving worden ervaren. Niet primair lijden stond in de debatten centraal, maar de vraag of de mens zelfstandig mag besluiten dat het leven genoeg is geweest en daar vervolgens de consequenties uit mag trekken.

Wie die wens heeft of wie niet zeker weet of de eigen opvatting voldoende autonoom is, kan zich volgens de minister wenden tot een stervenshulpverlener: een arts, een psycholoog of een verpleegkundige. Voor de laatste beroepsgroep zou er een aparte opleiding ontwikkeld kunnen worden: de arts kan dan de legitimiteit van de wens beoordelen en de verpleegkundige de verdere uitvoering ter hand nemen, stelde Schurink, de directeur van de Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (www.nursing.nl, 13 oktober 2016).

De christelijke partijen waren de enige die de overstap naar de wetenschapper en professional als moreel hoogste instantie ter discussie stelden: de mens heeft niet het recht zich het leven te benemen, zelfs niet als een stervenshulpverlener daar toestemming voor heeft gegeven. Maar God speelde voor de Tweede Kamer niet een doorslaggevende rol.

De verhouding tussen individuele autonomie enerzijds en moraal of wetenschap anderzijds stond ook centraal in het (tweede!) proefschrift van predikant en psycholoog Bert Loonstra. In ‘Worldview and Psychotherapy’ onderzoekt Loonstra de verhouding die twee: de psychotherapie wil de autonomie van de mens bevorderen, terwijl de godsdiensten de nadruk leggen op extern gezag als richtinggevend voor menselijke keuzes.

Zijn perspectief is die van de christelijke psychotherapeut: kun je vanuit een christelijk standpunt die twee uitgangspunten laten samenkomen? Kun je aan de ene kant de autonomie bevorderen (de taak van de psychotherapeut) en aan de andere kant  de toewijding aan God of een godheid benadrukken en je laten begrenzen door een externe moraal-stellende instantie?

 

Autonomie

Loonstra vindt de oplossing daarvan in de opvatting van de Reformatorisch Wijsbegeerte dat de dagelijkse ervaring van het bestaan fundamenteler is dan de wetenschappelijke wijze van verstaan van de werkelijkheid. Als gelovige mensen zichzelf ervaren als betrokken op God, als betrokken bij een geloofs- en mensengemeenschap en zich bewust zijn van de tijdelijkheid van hun bestaan, dan hoeft dat niet ten koste te gaan van de autonomie en individualiteit die in de psychotherapie zo belangrijk is.  

Die autonomie en individualiteit kunnen zich dan uiten als versterkte bewustwording van de eigen keuze voor geloof in God of een godheid. Autonomie betekent dan ook zelf kiezen hoe je participeert in de geloofs- en mensengemeenschap, en hoe je je ontplooit in de richting van het beeld dat God schetst van de mens.

Er ontstaan wel vraagstukken over levensbeëindiging wanneer allerlei vormen van hulpverlening alleen worden beargumenteerd vanuit ‘de holistische dagelijkse ervaring’ (p. 418). Mensen ervaren soms hun dagelijks leven als voltooid, voldaan, voldoende. Dat ‘soms’ kan zelfs langere tijd of altijd aanwezig zijn. De zo geformuleerde fundering kan dan ook ruimte maken voor (ook christelijke!) stervenshulpverlening aan (ook christelijke!) mensen die in die subjectieve, dagelijkse ervaring het leven als voltooid ervaren.

Vanuit het op die manier gefundeerde christelijk perspectief betekent toename van autonomie ook dat je kunt kiezen om wel of niet je eigen leven te beëindigen als je denkt dat God dat toestaat, en om die keuze wel of niet vooraf binnen de gemeenschap of met een deskundig opgeleide te bespreken. Loonstra zelf trekt die conclusie niet, omdat hij vooral de wij-kant van het mens-zijn benadrukt, de inbedding van de mens in een traditionele christelijke geloofsgemeenschap. En de meeste van die geloofsgemeenschappen wijzen actieve, zelfgekozen levensbeëindiging in situaties van een subjectief ervaren ‘voltooid leven’ af. Maar christelijke politieke partijen en christelijke hulpverleners hebben dus nog wel wat te bespreken over dit onderwerp. In ieder geval theoretisch.

 

Eerbied

Volgens de toelichtende vertelling in de Catacomben vond de herbegrafenis van de menselijke resten plaats met veel eerbied en terughoudendheid. De stoffelijke overschotten werden ’s nachts op karren geladen, overdekt met een zwarte doek en voorafgegaan door een priester die passende gezangen zong en teksten declameerde uit de Bijbel. Al waren de resten honderden jaren oud, de dood was iets waar je eerbied voor had. Uiteindelijk had de dood immers iets te maken met de ontmoeting met de Maker, en ook wie niet zo trouw gelovig was, nam toch het risico van Gods oordeel serieus.

Het besef dat iedereen ‘autonoom’ moet sterven en dat zulk sterven niet primair een kwestie is van levensbeschouwelijke of wetenschappelijke deliberaties, maar vooral iets onontkoombaars, leek veel nadrukkelijker aanwezig te zijn dan tegenwoordig in de (wel of niet christelijke) maakbare samenleving. En dat besef maakte kennelijk zo stil dat zelfs de herbegrafenis met ontzag werd uitgevoerd. Deze ‘autonomie’ is geen keuze, er valt niet aan te ontsnappen.

De opgestapelde beenderen in de Catacomben zijn soms zo verstoft dat de onderste beenderen helemaal verpulveren als de stapel ineenzakt. Zorgvuldig worden de overige beenderen dan weer opnieuw gestapeld. ‘Stof ben je, tot stof zal je weerkeren’, zei God al. In deze aarde liggen miljarden mensen, soms nog met enige vorm, soms alleen maar stof. Er is geen leven meer in te vinden.

De profeet Ezechiël ziet iets soortgelijks. Een heel dal vol dorre, uitgedroogde, half vergane beenderen (Ezech. 37). Symbool voor de toestand van Israël, symbool voor de toestand van de mensen zonder God. Individuele resten liggen in een gemeenschap van resten bij elkaar. En er is geen leven meer in te krijgen, zegt Ezechiël op Gods vraag daarnaar. Maar dan gaat God zelf handelen: de beenderen van individuen zoeken elkaar op, er komen spieren, vlees en huid op. En op Gods initiatief komt er zelfs weer leven in: de wind (NBV), de Geest (NBG) van God zelf geeft wat voltooid is, wat af is, wat zichzelf heeft overleefd en aan zichzelf gestorven is, een nieuw begin.

Daarmee blijkt de dood en doodsdoorgang niet een zaak van moraal, van levensbeschouwing of van wetenschap, maar een zaak van God. God die mensen door die doodsdoorgang wil heenleiden. Naar een nieuw perspectief op aarde, maar ook naar een nieuw perspectief bij Hem. Wie zijn leven als voltooid, af-geleefd ervaart,  kan daarover praten met God die zelf door dat leven is af-geleefd en die zelf in God nieuw leven heeft gekregen.

 

Dr. Henk Geertsema is directeur van het Praktijkcentrum in Zwolle en docent aan de Theologische Universiteit Kampen en hogeschool Viaa te Zwolle.

Lees verder

Hoeden en hoofddoeken (column)

27-10-2016

“Mijn moeder heeft nergens meer belangstelling voor,” gromt een man tegen me. “Dat is altijd al zo geweest, maar nu is het enige belangrijke haar ziekte en klachten en pijntjes en eenzaamheid, en dat wij daar weer niets van begrijpen. Is dat altijd zo bij zieke mensen? Leuke baan hebt u dan!”

Nee, dat is niet altijd zo bij zieke mensen. Dat ga ik hem op dit moment niet zeggen, zijn vraag vraagt niet om antwoord maar om begrip.

Op Prinsjesdag gaan de gesprekken in het ziekenhuis onder medewerkers en patiënten over de glazen koets en hoeden, over het hoedje van de kleindochter van een collega die met haar moeder mee mocht naar de opening van de Staten Generaal. Over zorgen in de zorg, over bestuurders die andere dingen aan hun hoofd hebben dan de patiënten die hopen op dokters die aandacht hebben,  op verpleegkundigen die even echte tijd hebben. Het gaat over vluchtelingen en bombardementen, over mensen die hun leven verliezen, zonder hoop op hulp. Het valt me opnieuw op dat wie zelf kwetsbaar is dikwijls een fijne antenne heeft voor anderen die moesten ontdekken hoe weinig regie over het leven ze hebben.

Zieke mensen weten dat. Zo kan het gebeuren dat er een wonderschoon gesprek ontstaat tussen een oude dame, een veel jongere kamergenote met een hoofddoek en mij. We zitten bij een tafel bij een raam. De oude dame vertelt hoe ze de avond tevoren een lang gesprek had met de jonge moslima, allebei aan een infuus die hun leven moet redden. “Bij ons op het dorp zijn geen vrouwen met hoofddoeken op. Wel met hoeden, op zondagmorgen, ik draag die ook,” glimlacht ze. “Ik ben bijzonder ontroerd doordat zij en ik elkaar op zaal leren kennen. Ik ben altijd een beetje bang geweest voor de islam. Wist u dat ze ook het verhaal van Noach en Abraham hebben?”

Ja, knik ik, dat weet ik. “We hebben veel hetzelfde,” zegt de jongere vrouw. “En we zijn allemaal schepselen van God. We delen veel waarden.” Er is een sfeer van warmte en goede verbondenheid in de kamer. Dat breekt ook niet stuk als christendom en islam verder vergeleken worden, voor hen beiden een nieuw gesprek. “Mohammed is jullie belangrijkste profeet, dat weet ik nog van school” zegt de oude dame. “Wat vind je van Jezus? Mogen we daar over praten? Voor mij is Hij de Zoon van God.”

 Ik denk aan onze minister van gezondheid, Edith Schippers. Onze cultuur is de beste, weet ze, en religie is achterhaald, ontdekte ze ook al. Zo verlicht ben ik nog niet. Ik verlang ook niet naar deze verlichting. Ze is me te dogmatistisch en stralend zelfingenomen, superieur. Mensen die zo zeker zijn van hun gelijk laten zich zelden meer verrassen.  Ediths verlichting is oogverblindend, alsof ze in de koplampen van het eigen gelijk staart, en meestal zie je dan weinig meer.

Een paar weken geleden hoorde ik een mooi verhaal van Hans van der Jagt, een jonge historicus aan de VU. Hij vertelde over Alexander Idenburg, een politicus met een indrukwekkende carrière, onder andere in Indonesië. In een artikel uit 1928 (!)  betoogt hij dat het contact van het Westen met oosterse culturen werd beheerst door geestelijk onbegrip. Jonge Aziaten die in het Westen gingen studeren ontdekten dat het Westen “zich kenmerkt door logisch denken, het is activerend, heeft grote drang tot handelen en een diepe zucht naar macht en geld. Maar alles zo veel mogelijk zonder religie.” Hij schrijft:  “Deze niet-Westerse studenten kwamen uit culturen waarin men juist zocht naar innerlijke verdieping, passiviteit en innerlijke vrijheid en rust. Alles onafhankelijk van materiële banden en aardse zorgen.” Idenburg geeft een advies: de religieuze traditie van het christendom moet juist niet worden verstopt. Het benadrukken van gezamenlijke religieuze waarden met Oosterse culturen, en tegelijkertijd ook het wijzen op fundamentele verschillen, wekt wederzijds vertrouwen en verdraagzaamheid.

Voor mijn ogen voltrekt zich hoe een goed advies Idenburg een eeuw geleden gaf. Twee vrouwen van verschillende leeftijd en andere cultuur, verbonden aan een infuus gaan nieuwsgierig een echt gesprek aan, waarin herkenning en verschil mogen zijn, echte vragen niet uit de weg gegaan, en respect niet de kleur van onverschilligheid heeft, maar van verdraagzaamheid. Ik heb inderdaad de mooiste baan in het ziekenhuis.

 

Margriet van der Kooi is geestelijk verzorger in het Zuwe Hofpoortziekenhuis en het regionaal psychiatrisch centrum in Woerden

Lees verder

Katholieke en protestantse kerken: verenigt u

27-10-2016

Andries Knevel houdt van de paus, een ooit diehard gereformeerde politieke partij als de ChristenUnie verwelkomt katholieken. Maar belangrijker nog is dat de Rooms-Katholieke Kerk beter aansluit bij wat gelovigen nu nodig hebben. Het is de hoogste tijd voor een zeer intensieve samenwerking, betoogt Coen Wessel.

In het EO-televisieprogramma ‘Op zoek naar God’ uit 2013 werden zes bekende jonge vrouwen gevolgd, die uitgedaagd werden om op zoek te gaan naar God. Het programma liet op een opvallende manier de spirituele stand van zaken in Nederland zien.  De vrouwen werden niet meegenomen naar een Opwekkingsbijeenkomst of naar een befaamde preektijger. De Evangelische Omroep koos voor een stilteretraite in een klooster. In deze Katholieke omgeving is blijkbaar de grootste kans dat jonge, hippe mensen God vinden.

Het is een teken van een bredere ontwikkeling in de Protestantse kerken. In het midden van de Protestantse kerk is er een belangstelling voor de katholieke spiritualiteit, die allang verder gaat dan kaarsen, leesroosters en kleuren. Ook aan de rechterflank is het jongere kader niet meer anti-katholiek. In de Christen-Unie is nadrukkelijk plaats voor katholieken. Jonge reformatorische theologen bestuderen intensief de kerkvaders. Andries Knevel houdt meer van Paus Franciscus dan Antoine Bodar.

In dit artikel wil ik duidelijk maken waarom de Protestantse kerk veel dichter naar de Katholieke kerk moet trekken en daar ook institutioneel mee verbonden moet raken. Om de noodzaak daarvan te beseffen wil ik het niet alleen hebben over de opbloeiende liefde voor de Katholieke kerk, maar ook over de zwakte van de Protestantse kerk. Ik denk dat de bestaansreden voor een zelfstandige Protestantse kerk verloren is gegaan. Want een kerk kan niet zomaar voortbestaan. Daar is een krachtig verhaal voor nodig dat de kerk verbindt met Christus en haar tegelijkertijd onderscheidt van andere kerken. Het onderscheidende verhaal van de Nederlandse kerk van de reformatie, die ik voor het gemak maar de Protestantse kerk noem, ging over haar calvinistische spiritualiteit en haar verbondenheid met de Nederlandse natie. Beide zijn afgebrokkeld of ingestort.

 

Calvinistische spiritualiteit

De Protestantse kerk werd de afgelopen 500 jaar gedragen en bezield door de typisch calvinistische spiritualiteit van bidden, bijbellezen aan tafel, zondagsheiliging, sterk zondebesef en de identificatie met het Oudtestamentische Israël. Deze spiritualiteit sluit niet meer aan op de huidige cultuur. Sinds de jaren zestig gaat het in onze cultuur om zintuigelijke ervaringen, om zelfexpressie en authenticiteit.  Het lichaam speelt een grote rol. Het gaat meer om het beeld dan om het woord. De botsing tussen de calvinistische spiritualiteit en de moderne ervaringscultuur  heeft niet alleen geleid tot kerkverlating, maar ook tot een afscheid van de calvinistische spiritualiteit binnen de kerken. 

Sindsdien wordt er heel hard gezocht naar een spiritualiteit die de calvinistische spiritualiteit kan vervangen. Sommigen zoeken het in evangelicale richting, waarin delen van de gereformeerde spiritualiteit aangevuld worden met ervarings- en expressie-elementen. Anderen in een stijlvolle liturgie. Meditatie, pelgrimage, kunst en expressie veroveren een plek . Het is een diverse en verbrokkelde zoektocht waarvan het nog niet duidelijk is wat er uitkomt.

 

Nationale identiteit

Al eerder verloor de Protestantse kerk haar speciale verbondenheid met de Nederlandse natie. In de 19e eeuw kregen alle kerkgenootschappen gelijke rechten. Maar aanvankelijk bleven de Protestanten hun speciale verbondenheid met de natie benadrukken. Zo bleef een zelfbeeld overeind waarin de calvinistische reformatie en de opstand tegen Spanje het begin vormden van kerk en natie. Na de Tweede Wereldoorlog kwam daar ook binnen de kerk een omslag in. Nationalisme werd verdacht. Een belangrijk onderdeel van de Nederlandse Protestantse identiteit viel daarmee weg. De bovenste lagen van de kerk richtten zich op de internationale oecumenische beweging. Maar dat gaf de kerk en de gelovige niet een identiteit die even sterk was als de nationaal-calvinistische. Net zoals ‘de wereldburger’ niet bestaat, bestaat de ‘Wereldraad van Kerken-christen’ niet. In de kerk zien we dezelfde dilemma’s als in de hele samenleving zien: nationalisme kent beperkingen en ontsporingen, maar wereldburger/wereldgelovige worden lukt ook niet.

 

Zelfverstaan

Deze ontwikkelingen hebben gevolgen voor ons zelfverstaan als kerk. Op de eeuwen van calvinisme is veel minder trots. In mijn jeugd golden de beeldenstormers nog als geloofshelden, in mijn studententijd als revolutionairen, maar tegenwoordig zien we hen als Taliban-achtige barbaren die eeuwenlang gegroeide hoogtepunten van devotie verwoestten. Op de hele Reformatie wordt met  gemengde gevoelens teruggeblikt. Ja, de kerk had een hervorming nodig, maar was een scheuring wel nodig? Speelde politieke omstandigheden daarbij niet een hoofdrol?

Maar als de Reformatie niet het trotse beginpunt van onze kerk is, dan komen ook de eeuwen de eeuwen daarvoor in beeld. Bonifatius, Willibrord en Franciscus kunnen herdacht worden. Kloosters en hun leefregels gaan tot de verbeelding spreken. Kerkvaders worden intensiever bestudeerd. Het levert een herwaardering van de kerk en van de continuïteit van de kerk op.

Voor predikanten levert dat ook een nieuw zelfverstaan op. Toen ik begon als predikant voelde ik dat ik dat deed als een eenzame mens voor Gods aangezicht. Dat gevoel is er nog steeds, maar ik ervaar mijn werk – en het gezag waardoor ik durf te spreken en te preken–ook vanuit de stroom van een lange en bezielde traditie. Bij een aantal collega’s merk ik dat zij het daarom belangrijk vinden ook zichtbaar in de lijn van zegeningen en wijdingen te staan die vanuit de vroegste kerk en dus vanuit de opgestane Christus zelf tot ons komen.

Kan een kerk verder die haar ontstaan als een bedrijfsongeval ziet, die spiritueel vooral zoekende is en die niet overtuigend tussen internationale en locale toewijding kan laveren? Ik denk het niet. Zo’n kerk biedt heeft te veel een toevallige en vooral organisatorische samenhang en biedt te weinig een identiteit aan haar leden. En moeten we de geestelijke krachten die ons terugdrijven naar een veel katholieker kerk- en geloofsverstaan blijven negeren. Kan dat eigenlijk wel? Ik denk het niet.

 

Katholiek?

Nu kan je dit allemaal constateren en je tegelijkertijd afvragen hoe zinvol het is om samen te werken met de Katholieke kerk. De Katholieke kerk staat er in Nederland misschien nog wel beroerder voor dan de Protestantse kerk. Toch is de Katholieke kerk beter toegerust is om kerk in deze tijd te zijn.

De Katholieke kerk heeft van oudsher een positieve verhouding tot het beeld en sluit daardoor goed aan bij de beeldcultuur. Ze is gericht op spirituele ervaring en mystiek. Kloosterlingen hebben een tot de moderne verbeelding sprekende radicale levenswijze. Spiritueel sluit de Katholieke kerk veel beter aan bij de ervaringsgerichte, zintuiggerichte en authenticiteit zoekende mens.

De Katholieke kerk is in staat zowel het nationale als het internationale perspectief te benadrukken. Ze is nationaal met een eigen nationale kerk, met diensten in de landstaal en plaatselijk aansprekende figuren, maar tegelijkertijd is ze internationaal. Ze is internationaal georganiseerd, heeft een zichtbare wereldleider, heeft internationale devotionele bijeenkomsten in Lourdes en op wereldjongerendagen, studiecentra in Rome en internationale congregaties. In een wereld waarin we uitgedaagd worden om ons zowel plaatselijk als wereldwijd thuis te voelen is dat een groot goed.

Ik denk dat er ook veel in de Katholieke kerk moet veranderen. Ook deze kerk heeft niet makkelijk aansluiting bij onze tijd. De geloofsvormen die we moeten vinden zijn waarschijnlijk veel radicaler dan wat de Katholieke kerk nu in huis heeft. Maar het uitgangspunt van de Katholieke kerk is veel beter.

 

Wat te doen?

Het lijkt me goed om al deze zaken eens hardop uit te spreken. De komende herdenking van de Reformatie is daartoe een goede aangelegenheid. Vervolgens is het zaak om ook institutionele stappen te zetten. Er kan een veel hechtere samenwerking ontstaan op het gebied van de opleiding van predikanten en priesters, op het gebied van catechese etc. Maar dat is niet genoeg. Ik denk dat er een echte institutionele verbinding moet komen tussen de Protestantse kerk en de Katholieke kerk, zodat de Protestantse kerk zich ook als onderdeel van de Katholieke kerk gaat verstaan. Welke kerkrechtelijke vorm dat moet krijgen weet ik niet precies, maar beschouw de Protestantse kerk voortaan maar als een kerk die ‘in staat van hereniging’ is. De kerk houdt haar eigen kerkorde en organisatie, maar beschouwt zich als onderdeel van de Katholieke kerk.

Dat vergt ook wat aan Katholieke zijde. Ze moeten er plezier in hebben nauw verbonden te zijn met een kerk waarin een aantal zaken anders gaan. Over de vrouw en de man in het ambt en het zegenen van het huwelijk van twee mannen of twee vrouwen moeten goede afspraken worden gemaakt. Dat kan nog wel eens makkelijker worden dan het lijkt. Beide kerken moeten omgaan met een diepe wereldwijde verdeeldheid op dit punt. Misschien moet de Katholieke kerk de Protestantse kerk maar leren zien als een pioniersplek waar geëxperimenteerd wordt met andere vormen van kerkzijn, waar je af en toe ook nog wat van opsteekt.

 

Coen Wessel is predikant te Hoofddorp

 

Lees verder

Jongeren hebben uitleg nodig in een wereld vol spiritualiteit

09-06-2016

Kinderen en jongeren groeien op in een wereld die bol staat van de spiritualiteit in de breedste zin van het woord, én in een wereld die bepaald wordt door de wetenschap. Hoe vind je je weg in zo’n wereld vol impliciete boodschappen, en hoe kunnen opvoeders hen begeleiden? Corjan Matsinger en Marian Timmermans helpen jeugdleiders en andere opvoeders.

Corjan Matsinger en Marian Timmermans zijn religieuze trendwatchers die samenwerken in de organisatie Young&Holy. Zij staan middenin de cultuur waarin kinderen en jongeren opgroeien en kijken wat zich afspeelt aan religie in de samenleving. Hun doel is bij jongeren het verlangen aan te wakkeren om God te leren kennen.

Matsinger en Timmermans signaleren die trends door voortdurend alert te zijn op informatie die ze overal opdoen. Vooral jongeren zelf zijn een belangrijke informatiebron. Wat hen opvalt is dat er nogal wat grenzen zijn verschoven de afgelopen jaren.

“Het is in deze tijd heel gewoon om als meisje samen met de moeder naar de softpornofilm Fifty shades of grey te gaan. Dat was eerst ondenkbaar,” zegt Timmermans. Een andere trend is dat games en films veel rauwer zijn dan voorheen. 

 “Nog een andere heel belangrijke trend is dat alles rondom de dood heel normaal is geworden.” Een paar jaar geleden verschenen de eerste doodskoppen op jongerenkleding, dat associeerden veel mensen nog met horror. Maar inmiddels zag Timmermans ook al een afbeelding van een sneeuwpopje met een karkas als lijfje, in plaats van twee sneeuwballen. Het stond op een T-shirtje voor een klein kind. “De aandacht voor de dood is breder geworden. Jongeren hebben veel vragen over de dood, maar de dood manifesteert zich als iets heel gewoons,” constateert Timmermans.

 

Spiritualiteit zonder God

Opvallend is dat in een wereld die gekenmerkt wordt door seculariteit en wetenschappelijk materialistisch denken tegelijkertijd spiritualiteit een grote rol speelt. Het lijkt op een spiritualiteit zonder God. “Het oosterse denken is veel invloedrijker geworden. Dat begon met aandacht voor yin en yang, voor balans. Nu is yoga de meest beoefende sport, en staan spellen en films er vol mee. Neem alleen al de op dit moment populaire film Kung Fu Panda.”

Het ingewikkelde is dat die spiritualiteit enorm leeft maar niet expliciet aan de orde komt, legt Timmermans uit. “De spiritualiteit komt naar hen toe, ze zitten er middenin. Het komt tot ze in de vorm van vlogs, films, games en dergelijke, maar ze zijn zich daarvan vaak nauwelijks bewust. Ik vergelijk het wel eens met een zebrapad: je loopt eroverheen en het heeft effect want de auto’s stoppen voor je en je kunt dus gewoon doorlopen. Tegelijkertijd merk je zo’n zebrapad nauwelijks op.”

Invloed heeft het ondertussen allemaal wel. Zoals op de jongere die graag een steen op zijn tafel wilde leggen toen hij een tentamen moest maken. Hij geloofde er heilig in dat zo’n steen geluk brengt.

Het speelgoed waar kinderen mee spelen is al doorspekt van spirituele zaken. LEGO heeft de serie Elves, waarin elfjes een grote rol spelen. Meisjes zijn er vaak dol op vanwege de mooie kleuren en versieringen die bij elfjes horen. Tegelijkertijd worden ze in een magische wereld getrokken: ‘Laat je betoveren door de wondermooie kleuren en maak kennis met Azari, Aira, Naida, Farran en Emily. Leer net als de elven om de kracht van de elementen water, wind, vuur en aarde te gebruiken. Je zult de elementen nodig hebben tijdens je avonturen’, zegt LEGO.

Young&Holy helpt ouders en docenten het gesprek daarover met hun kinderen aan te gaan. De kinderen krijgen er immers hoe dan ook mee te maken.

“Voor veel jongeren lopen het wetenschappelijk wereldbeeld van alleen het materiele en spiritualiteit gewoon door elkaar. Jongeren kunnen vaak goed leven met die onduidelijkheid, het is allemaal niet zo absoluut voor hen.”

Zo groeien ze op met het idee dat de evolutie wetenschappelijk bewezen is maar daarnaast sluiten ze niet uit dat de wereld ook is geschapen.

 

Polarisering

Polarisering is ook een duidelijke trend. Moslimjongeren voelen zich vaak miskend, vandaar dat ze begrip hebben voor de aanslag op Charlie Hebdo, en ze ook een minuut stilte willen houden voor aanslagen in Bagdad.

Daar komt bij dat er heel weinig kennis is onder jongeren, weet Timmermans. “Het verhaal uit Handelingen 8, over de apostel Filippus die de Ethiopiër moest uitleggen wat hij las, is voor mij een belangrijke inspiratie. ‘Hoe kan ik het begrijpen als ik geen uitleg krijg?’ vroeg de Ethiopiër. Dat is een actueel woord. Uitleg geven en kennis delen is hard nodig. Tijdens de opvoering van The Passion dit jaar in Amersfoort deden we dat door jongeren van verschillende scholen kennis te laten maken met het Paasverhaal. Veel jongeren hebben echt geen idee van wat het christelijke geloof inhoudt.”

Een van hen meende een teken van de Illuminati te hebben gezien, zegt Timmermans.

De Illuminati zou een mystiek gezelschap zijn dat uit is op wereldheerschappij. Het idee duikt veelvuldig op in allerlei complottheorieën, in het boek Het Bernini Mysterie van Dan Brown, in de eerste Tomb Raider-film en in de computergame Deus Ex.

Complottheorieën tieren welig onder jongeren. “Het laat zien dat symbolen niet meer worden herkend en anders geframed. Er is behoefte aan uitleg en kennis.  Des te meer behoefte is er aan betrouwbare kennis. Dat is de schreeuw van jongeren op dit moment,” weet Timmermans.

Timmermans en haar collega Matsinger willen daar graag bij helpen. Zij staan docenten en jongerenwerkers ter zijde met manieren om het geloofsgesprek te voeren, zowel met jongeren uit de kerk als daarbuiten. Want kerken hebben wel degelijk wat te bieden, vindt Timmermans. Zij ziet wel toekomst voor kerken.

“Kerken kunnen allereerst een voorbeeld geven in het hebben van respect voor anderen. Mensen zouden echt moeten luisteren naar jongeren op een open manier. Als je meteen gaat vertellen wat ze zouden moeten geloven, luisteren ze niet meer.”

 

Interesse-groepen

In de beleving van jongeren is de eredienst niet hun kerk, dat is de jongerengroep waar ze mee optrekken en hun levensvragen bespreken. Dat is voor jongeren de kerk. De jeugdleider verdient daarom alle waardering van de kerk, hij of zij zorgt voor verbinding tussen jongeren en de kerk.

Maar leeftijd is niet allesbepalend. “Je ziet dat er steeds meer festivals voor interesse-groepen ontstaan in plaats van festivals voor een specifieke leeftijd. De kerk kan daar wellicht van leren, bijvoorbeeld door mensen  niet op leeftijden bijeen te laten komen, maar op interesses en zo ook in gesprek te gaan over de inhoud. Denk aan: samen koken, sporten, kennis opdoen.”

“De uitdaging voor de kerk is het doorgeven van de unieke hoop die ze heeft, hoop die verder gaat dan wat je kunt denken. De kerk biedt zingeving, en kan daar vormen voor bedenken waarin daar ruimte voor is. Een jongere gaat niet over zingeving praten op een sportclub. De kerk kan een veilige plek bieden, een plek waar je niet per se succesvol hoeft te zijn om mee te tellen. De kerk kan een plaats zijn waar je rust kunt vinden.”

Dat gaat allemaal niet vanzelf. Want hoe ouder de jongeren zijn, hoe vaker ze al een besluit hebben genomen om bijvoorbeeld niet meer naar de kerk te gaan, of geen interesse meer te hebben in het christelijke geloof.

“Dat bevestigt hoe belangrijk het is al met jonge kinderen het geloofsgesprek te voeren en te investeren in een plek waar kinderen en jongeren graag heengaan en waar ruimte is om op een veilige manier geloofsvragen te bespreken. Het is prachtig als een tiener aan je vraagt: ‘Is God geboren?’ En je gaat dat samen onderzoeken.”

 

Ineke Evink

 

Voor informatie over wat Young&Holy te bieden heeft aan ouders, docenten en jeugdleiders, zie www.youngholy.nl of mail naar marian@youngholy.nl

Lees verder

Discussie: Historisch Jezus-onderzoek heeft grenzen, maar welke?

08-06-2016

Heeft Jezus niet echt bestaan, zoals je wel eens hoort? Onzin, stelt hoogleraar Nieuwe Testament Annette Merz. Maar of Jezus meer was dan alleen mens, valt buiten het veld van historisch onderzoek, zegt zij. En dat verbaast Guus Labooy. Hieronder zijn de artikelen van Labooy en Merz te lezen, met aansluitend een reactie van Labooy.

In het laatste nummer van PThUnie, het lijfblad van de Protestantse Theologische Universiteit, stelt de nieuwe hoogleraar Nieuwe Testament Professor Dr. A.B. Merz zich voor (maart 2016). Zij komt daar met een verrassende invalshoek: ‘Hedendaagse historici, zegt Merz, bezinnen zich op de ethische code voor historisch onderzoek.’ Vanuit deze invalshoek kun je de mensenrechten ook op historische figuren toepassen, zo betoogt zij. En heeft dan niet ook Jezus recht op bestaan? Zo heeft zij zich krachtig in het openbaar uitgesproken rond de kwestie dat Jezus niet bestaan zou hebben. Onhoudbaar, historisch gezien, zegt zij: ‘Doe hem recht!’ Een veelbelovend uitgangspunt!

Als haar dan echter de vraag wordt gesteld of Jezus niet meer was dan alleen een mens, antwoordt zij: ‘Dat is een vraag die buiten de scoop van het historisch Jezus-onderzoek valt.’ Dat roept veel vragen op.

Het staat er terloops, want het artikel is op andere kwesties gericht. Maar zij wekt althans de indruk dat er zo ondertussen wel een ingrijpende beslissing is gevallen. Waarom ingrijpend?

Kernachtig gezegd: zij werkt aan een Protestantse Universiteit en is van daaruit geroepen om het geloof van die kerk wetenschappelijk te bestuderen, te ‘bekloppen’. Het zou natuurlijk erg mooi zijn als de kern van dat geloof daar ook onder valt: dat in Jezus God mens werd. Merz stelt echter dat dit niet tot het historisch Jezus-onderzoek behoort: Het uitgangspunt is dat hij een mens onder mensen was, ‘met alle grootsheid, feilbaarheid en kwetsbaarheid van dien’. Ik vind dit ingrijpend, omdat ze hiermee dus lijkt te stellen dat haar wetenschappelijke arbeid de kern van het christelijk geloof moet mijden, namelijk dat Hij meer was dan dat alleen. Ze wekt daarmee sterk de indruk dat zij zich uitspreekt voor een boedelscheiding tussen geloof en wetenschap, althans op dit kernpunt.

Is het terecht dat ik hier het alom toegepaste uitgangspunt van het methodisch naturalisme beluister? Wat is dat precies? Bij ‘methodisch naturalisme’ worden er uitsluitend natuurlijke oorzaken toegelaten in historisch onderzoek. God wordt dus principieel buiten haakjes geplaatst. Alleen dus natuurlijke gebeurtenissen. Vaak leidt dat tot een boedelscheiding in leven en werken: onze wetenschappelijke arbeid aan de ene kant, ons geloof aan de andere kant.  

Zeker, dit methodisch uitgangspunt is in de huidige geschiedwetenschap dominant. Maar wat als we de ethische code voor het historisch onderzoek ook hier toepassen? Zou je, als er eventueel specifieke daden van God in de geschiedenis zijn, die om ethische redenen niet ook moeten kunnen onderzoeken? En ze niet op methodische gronden buiten haakjes plaatsen? Vanuit een ethische code voor historisch onderzoek zou je toch moeten kunnen onderzoeken of je signalen ziet van dat wonder dat God de ongelofelijke liefde heeft gehad om mens te worden? Hem daarin recht willen doen? Als een historische methode echt ethisch op orde wil zijn, moet zij dan geen openheid hebben voor een dergelijk eventueel gebeuren? Open voor nader onderzoek? Open voor signalen dat er misschien meer aan de hand is? Je zou dan de Opstanding kunnen noemen, maar het bezwaar hierbij is de beperkte lengte van deze reactie. Want ik ben er op tegen dat de Opstanding als een los mirakel ter sprake komt. De Opstanding is ingebed in een hartveroverend en tegelijk bloedstollend verhaal: hoe Jezus alle verwachtingen rond Israël in die tijd samenbalt én op zichzelf lijkt te betrekken. De lijdende knecht, de Koning Messias én de verwachting dat de Heer zélf zal terugkeren naar zijn tempel om Israël te herstellen. Jezus betrekt deze drie strengen op zichzelf, zo lijkt het, en lijkt ze bovendien te betrekken op dat Pascha als Hij de stad in trekt die laatste week. Allemaal signalen dat er meer aan de hand is … Dat in Hem de Heer zélf terugkeert naar Sion? (Jesaja 52, Zach. 8). Mijn punt is: zou je daar methodisch niet open voor moeten staan?

Het kwam allemaal in het bewuste artikel helaas wat terloops aan de orde. Het zou daarom goed zijn als professor Merz zich hier nader over uitspreekt? Daarbij zouden wellicht de volgende punten aan de orde kunnen komen.

Op grond waarvan wordt eigenlijk gesteld dat de scoop niet op de Menswording gericht kan zijn? Is dat een beschrijvende uitspraak? Zo van: het is nu eenmaal zo dat dit tegenwoordig in de wetenschap niet gebeurt? Maar dan is de uitspraak toch feitelijk onjuist? Er zijn toch wetenschappelijke topfiguren volop bezig met historisch onderzoek naar (ook) die dimensie? Ik noem L. Hurtado, N.T. Wright en G.H. van Kooten, bepaald toch geen wetenschappelijke randfiguren.

Haar uitspraak kan ook als een normatieve stelling worden gelezen, gebaseerd op bijvoorbeeld een filosofische overweging, bijvoorbeeld op een beredeneerde erkenning van het methodisch naturalisme. Maar dan is nadere verantwoording van die keuze op zijn plaats. Want het naakte feit dat dit de dominante visie is voldoet toch niet? Zeker niet als door die visie de ethische code geschonden lijkt te worden?

En dan dit punt: stel je onderschrijft Merz’ stelling. Voeg daaraan toe dat we toch altijd menen dat wetenschap zich ook op het belangrijkste in een vakgebied zal willen storten. Loop je dan niet de kans dat je daarmee toch op den duur suggereert dat de Menswording bijzaak is?

Kortom: haar stelling roept veel vragen op. Het uitgangspunt is prachtig: doe historische figuren recht! Dat wordt natuurlijk nog klemmender, als van een historische figuur in je eigen Credo beweerd wordt dat Hij was: God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; mens-geworden om ons mensen. Zou het niet de ultieme roeping zijn van de historische wetenschap om deze lijdende Messias recht te doen? Hij vroeg het zelf ook: ‘wie zeggen de mensen dat ik ben?’

 

Guus Labooy 

 

Historisch Jezus-onderzoek heeft grenzen (reactie)

Graag reageer ik op de vragen die Labooy stelt naar aanleiding van het interview dat ik gaf in de PThUnie (maart 2016) dit jaar en dat terugkijkt op mijn inaugurele rede, uitgesproken op 3 november 2015 te Groningen. Laat ik ermee beginnen vast te stellen, waarover we het eens kunnen zijn. Dat ik geroepen ben om het protestantse geloof (in al zijn pluraliteit) wetenschappelijk te bestuderen, is juist. Iets uitgebreider formuleert het mission statement van de PThU dat wij ons richten op ‘de theologische bestudering van het christelijke geloof
in de wisselwerking tussen bronnen en eigentijdse vormgeving’ ‘in de protestantse traditie’ en ‘met bijzondere aandacht voor de interactie tussen religie en maatschappelijke/culturele contexten’.
En natuurlijk hoort daar ook bij wat Labooy als kern van dat geloof benoemt: dat God in Jezus
mens werd. De vraag is alleen: hoe doe je wetenschappelijk verantwoord onderzoek naar deze geloofsovertuiging? Hier gaan onze opvattingen uit elkaar, omdat ik bij Labooy de wens hoor om de menswording van God historisch te bewijzen, door te onderzoeken ‘of je signalen ziet van dat wonder’ in de geschiedenis.
Maar voordat ik daarop verder inga, is eerst nog een andere opmerking nodig. Ieder theologisch onderzoek vindt plaats in een bepaalde wetenschappelijke, kerkelijke en maatschappelijke context.
Het geeft expliciet of impliciet antwoord op vragen die in deze contexten leven en neemt daarbij altijd maar een selectie van aspecten en methoden mee die bij de beoefening van het vak in zijn algemeenheid ter beschikking staan.
Mijn oratie ging over historisch onderzoek naar Jezus. Ik vind dit onderwerp belangrijk omdat het een maatschappelijk probleem - een algemene minachting voor historische kennis en de snel toenemende overtuiging dat Jezus geen historische figuur was - verbindt met een binnenkerkelijk en theologisch probleem. In veel gemeentes heeft bijvoorbeeld het boek van dominee E. van der Kaaij tot onzekerheid geleid en tegelijk wordt door collegae nieuw-testamentici beweerd, dat onderzoek naar de historische Jezus onmogelijk of theologisch zinloos zou zijn.
Hier heb ik een tegengeluid willen laten horen: historisch onderzoek naar Jezus is mogelijk en het is zelfs geoorloofd vanuit ethische principes die door seculiere historici worden gehandhaafd. De vraag waar mijn onderzoek antwoord op geeft is dus niet: werd in Jezus God mens, maar: was Jezus überhaupt ooit op de aarde als mens, en wat kun je daar historisch verantwoord over zeggen?
In mijn onderwijs en onderzoek aan de PThU komen vanzelfsprekend ook andere facetten van de omgang met de Bijbel aan bod, bijvoorbeeld contextueel Bijbellezen, literaire benaderingen, maar ook meer theologische vraagstellingen: hoe preek je verantwoord over bepaalde teksten en hoe kom je vanuit de pluraliteit van vroegchristelijke geloofsopvattingen tot een tegenwoordig te verantwoorden theologie van het Nieuwe Testament? Dit alles hoort bij mijn wetenschappelijke omgang met het Nieuwe Testament, van een ‘boedelscheiding in leven en werken: onze wetenschappelijke arbeid aan de ene kant, ons geloof aan de andere kant’ is dus zeker geen sprake.
Wel ben ik van mening dat je bij ieder onderwerp de juiste methode moet kiezen. Daarmee komen we bij de hamvraag: Kun je de menswording van God door historisch onderzoek bewijzen of ten minste bepaalde signalen opsporen die daarop wijzen, zoals de door Labooy genoemde N.T. Wright inderdaad probeert te doen? Het is mijn overtuiging dat we de verkeerde kant op gaan als we ons op dit vlak begeven. Je kunt geloofswaarheden historisch contextualiseren, maar je kunt ze niet historisch bewijzen. Je moet het niet eens willen. Wie historisch wil aantonen dat in Jezus God mens is geworden, zou naar dezelfde logica en met dezelfde methoden ook moeten kunnen aantonen dat bijvoorbeeld Mohammed wel of niet Gods profeet is - met alle problematische gevolgen voor een vreedzame samenleving van religies die zo’n onderneming met zich mee brengt. Historisch onderzoek doe je naar bepaalde verschijnselen in het veld van de geschiedenis, de religieuze beoordelingen van deze gebeurtenissen zijn daarbij ingesloten. Want wat er toen gebeurde krijg je niet los van daaraan verbonden en soms tegenstrijdige interpretaties in beeld. Je plaatst dus God niet ‘buiten haakjes’ maar je plaatst hem waar je hem tegenkomt, in de beleving en het geloof van mensen van toen. Labooy wijst daar terecht op. Jezus vroeg: “Wie zeggen de mensen dat ik ben”?
Historisch onderzoek houdt zich bezig met de antwoorden en beseft bijvoorbeeld dat het antwoord van Petrus: “Jij bent de Messias (Grieks: de Christos), de zoon van de levende God”, in Matt. 16:16 niet dezelfde theologische voorstellingen bevatte die eeuwen later in het Credo werden verwoord (‘God uit God’), want ‘Zoon van God’ was toen nog geen beschermde, door christenen geclaimde titel. Dat God in Jezus mens werd, is een geloofsovertuiging die historisch niet in één keer aanwezig was en die door de geschiedenis heen ook niet door iedereen op precies dezelfde manier werd (en wordt) begrepen. 

Ik blijf erbij: de vraag of Jezus meer was dan alleen een mens valt buiten het bestek van het historisch Jezus-onderzoek. Historisch kan je alleen de verschillende opvattingen van tijdsgenoten daarover in kaart brengen.
Maar het is natuurlijk een theologisch zeer belangrijke vraag. Ik kan dat als gelovige belijden. Voor mij is Jezus de zoon van God en als ik daarvoor een andere korte beschrijving moet kiezen dan zeg ik: hij is het menselijke gezicht van God. Maar historisch bewijzen, dat kan - en wil - ik niet.

 

Annette Merz

 

Annette Merz is hoogleraar Nieuwe Testament, PThU Groningen

Volledige rede van prof. Merz is hier te
downloaden: www.annettemerz.com/publicaties/

 

Openstaan voor signalen (reactie)

Ik dank Professor Merz ten eerste voor haar antwoord, dat zeker veel verduidelijkt. Mijn bezwaar is dat zij in dit antwoord niet consequent onderscheid maakt tussen ‘bewijzen’ en ‘openheid om signalen op te sporen’. Kijk naar wat zij de hamvraag noemt: ‘Kun je de menswording van God door historisch onderzoek bewijzen of ten minste bepaalde signalen opsporen die daarop wijzen, zoals de door Labooy genoemde N.T. Wright inderdaad probeert te doen?’ Zij antwoordt dan: ‘Het is mijn overtuiging dat we de verkeerde kant op gaan als we ons op dit vlak begeven. Je kunt geloofswaarheden historisch contextualiseren, maar je kunt ze niet historisch bewijzen. Je moet het niet eens willen.’ Ik ben het met dit laatste antwoord eens, omdat ze hier alleen over ‘bewijzen’ spreekt. Maar wel opvallend dat ze niet ingaat op de vraag of we dan ook ‘geen signalen kunnen opsporen’. En dat terwijl ik het alleen daarover gehad heb in mijn vraag aan haar. Sterker nog, ik heb eigenlijk alleen om openheid voor signalen gevraagd. Ik citeer: ‘Als een historische methode echt ethisch op orde wil zijn, moet zij dan geen openheid hebben voor een dergelijk eventueel gebeuren van de incarnatie? Open voor nader onderzoek? Open voor signalen dat er misschien meer aan de hand is?’ Ik heb het woord ‘bewijzen’ dus niet in de mond genomen. Heel bewust: ik denk dat een historicus zich dan al snel overschreeuwt: die eis is vaak te hoog. Maar er zit wel een wereld tussen bewijzen enerzijds en iets methodisch uitsluiten anderzijds: de tussenwereld van waarschijnlijkheidsoordelen, van signalen, van ‘eerder dit dan dat’. Ik denk dat ‘historisch contextualiseren’ inderdaad de kern is wat een historicus moet doen. Maar als uit die context blijkt dat volgens het geloof van de mensen toen er meer aan de hand is, waarom mag je dat dan niet als een resultaat van historisch onderzoek opvoeren? Zet je jezelf als historicus anders geen oogkleppen op? Waarom mag je wel proberen aannemelijk te maken dat Jezus bestaan heeft, en mag je niet proberen aannemelijk te maken dat er meer aan de hand was? En bij al de resultaten van je onderzoek aangeven wat je de (ongetwijfeld bescheiden) zekerheidsstatus acht? Bescheiden, want historische wetenschap reikt ons slechts waarschijnlijkheidsoordelen aan; geloofszekerheid kan zij niet geven. Inderdaad: ‘dat moet zij niet eens willen’. Dat komt van de Andere kant. Historisch-Jezusonderzoek heeft grenzen!

Voor een uitgewerkte visie op de zekerheidsproblematiek die hier aan de orde is, zie mijn: ‘Theologie van het Oude Testament en historisch denken’, Kerk en Theologie, 65/3 (2014), 249-273.

 

Guus Labooy

 

 

Lees verder

Een grote zus voor christelijke meiden

01-04-2016

Een eigen website voor christelijke meiden, een eigen tijdschrift en een agenda. Huis van Belle timmert aan de weg met haar nieuwe website. Doel is meiden te helpen hun identiteit te vinden in God.

Vier jaar geleden startte Huis van Belle met de website om christelijke meiden te bereiken. Inmiddels bezoeken 50.000 mensen per maand de site en lanceert het team acht trends die ze waarnemen onder tienermeiden. Eline Hoogenboom werkt voor Huis van Belle.

 

Wat is de bedoeling van Huis van Belle?

“We zijn vier jaar geleden begonnen met de website Huis van Belle.nl. Daarvoor had ik met meiden  in achterstandswijken gewerkt en daar merkte ik hoe belangrijk het is dat meiden rolmodellen hebben. Je kunt ze wel zeggen hoe ‘het moet’ maar voorbeelden kunnen navolgen, werkt veel beter. We willen met Huis van Belle meiden op weg helpen naar een stevige identiteit in God.” 

 

Waarom speciaal aandacht voor meisjes?

“Eigenlijk zou zoiets als Huis van Belle er ook voor jongens moeten zijn maar dan wel in een heel andere vorm. Jongens hebben behoefte aan dingen doen, ze lezen niet zo graag als meisjes. Misschien iets in de vorm van een app of een game. Zelf heb ik geen zussen, maar ik wil graag met huis van Belle de meiden een ‘grote zus’geven die je door het leven heen leidt.”

 

De trends die jullie signaleren (zie hieronder) zijn eigenlijk nogal negatief, zijn er ook positieve trends aan te wijzen?

“We schrokken zelf ook wel van deze trends maar we hebben ze ook zo negatief geformuleerd om de relevantie te laten zien. Er zitten natuurlijk ook positieve kanten aan de trends. Bijvoorbeeld dat meiden van nu opener zijn en meer delen, ze geven hun emoties de ruimte. Ze maken bewuste keuzes en hebben een groot verantwoordelijkheidsgevoel, ze zijn goed geïnformeerd, ik zie bijvoorbeeld dat ze hun instagram-account meestal hebben afgeschermd. Maar de negatieve dingen zijn er zeker ook. Het valt mij op dat meiden slecht kunnen omgaan met tegenslag. Zo kreeg ik laatst een vader aan de telefoon die vertelde dat zijn dochter in tranen was omdat het niet lukte de Huis van Belle-agenda te bestellen via de website. Dan denk ik: ‘Je kunt je dochter hiervan ook laten leren dat niet alles altijd meteen hoeft te lukken’. Ik merk dat trouwens ook wel aan stagiaires. Die zijn bij ons begin 20 maar willen liever geen stagiaire worden genoemd maar medewerker. Terwijl je als stagiaire nog gewoon fouten kunt maken en daarvan mag leren. Je zou zeker tot je 25e gewoon moeten kunnen oefenen in het leven. “

 

Het leven van pubers gaat toch nooit over rozen?

“Dat klopt. Voor meiden voelt dat wat hen overkomt en wat ze voelen al gauw dramatisch. We proberen ze vaak gerust te stellen door te vertellen dat dat er gewoon bij hoort.

 

Je moet wel een meisjesmeisje zijn voor Huis van Belle. Het roze spat ervan af.

“Ja, daar moet je wel doorheen kijken als je er niet van houdt. Het is al minder roze dan de oude website maar we kijken ook naar hoe we hen op een andere manier kunnen bereiken, via instagram bijvoorbeeld. Daarnaast hebben we ook blogs over sport, daar houden deze meiden vaak wel van.”

 

Is Huis van Belle ook nuttig voor de ouders van meisjes?

“Ja zeker! Het begint allemaal bij de ouders, daarom organiseren we regelmatig moeder-dochterdagen en dat gaan we ook doen voor de vaders. Vaders weten ons ook steeds vaker te vinden en geven aan dat de sfeer met puberdochters in huis soms om te snijden is.”

 

Jullie constateren dat het leven van nu minder aansluiting vindt bij kerkgang en dat meiden op zoek zijn naar andere vormen van geloofsbeleving. Dat past wel bij de uitkomsten van het rapport 'God in Nederland' van begin 2016. Zien jullie ook welke andere vormen dat zijn?

“Dan denk ik zelf aan online forums, aan manieren om meiden een community-gevoel te geven. Ze kijken enorm uit naar evenementen als Opwekking en EO-jongerendag. We krijgen al maanden van te voren de vraag of wij daar zelf ook weer zijn. We vinden dat de jeugdleiders in kerken zelf aan de slag moeten, ze durven alleen niet altijd. Daarnaast hebben meiden ook in de kerk rolmodellen nodig, en heus niet alleen twintigers of dertigers, zestigers kunnen prima rolmodel zijn, als ze zich maar openstellen voor jongeren.”

 

Trends

Trend 1  - Jongeren & burn-out

Meiden leren niet te mogen falen en leren niet met tegenslag om te gaan. Huis van Belle ontmoet steeds meer meiden die het overmatig druk hebben, keuzestress ervaren en die het moeilijk vinden te dealen met perfectionisme. Onderzoek laat zien dat 70 procent van eind tieners en twintigers/dertigers burn-out raken.

 

Trend 2 – Gebroken gezinnen

De gevolgen van kapotte relaties worden ook online zichtbaar. Eén op de zeven meiden komt uit een gebroken gezin. Meiden ervaren gebrokenheid in hun gevoel van veiligheid en zelfvertrouwen.

 

Trend 3 – Depressie en zelfdoding

Zelfdoding neemt toe in onze doelgroep (steeds jonger). Op de eerste pagina met zoekresultaten hierop, staat Huis van Belle met een blog over zelfdoding. De afgelopen vier jaar reageerden meer dan 31 meiden op deze blog met hun doodswens.

 

Trend 4 – Bang door/van onze maatschappij

Terroristische aanslagen, hypes op internet, dreigingen waardoor het leven onveilig voelt, creëren angst en onzekerheid. Huis van Belle ziet dat meiden zich er duidelijk van bewust zijn dat de maatschappij verandert.  Dat maakt hen onzeker.

 

Trend 5 - Online pesten en ongewenste online seks ervaringen

De afgelopen vier jaar speelt het leven zich nog meer dan voorheen online af. Dat levert naast veel goeds en leuks, ruimte om online gepest of misbruikt te worden. Deze zaken grijpen in op het zelfbeeld van de meiden.

 

Trend 6: Op seksueel gebied ontstaan nieuwe normen en vormen

Toename van sexting zorgt ervoor dat meiden zich over grenzen laat trekken die we vier jaar geleden nog niet kenden. 1 op de 4 meiden maakt voor haar zestiende een vervelende seksuele ervaring mee. Eén derde van de meisjes zoekt haar informatie over seks op internet en ook bij ons.

 

Trend 7 - Het perfecte schoonheidsideaal

Onder druk van superfoods, fit& slank zijn en de meer dan 250.000 gephotoshopte beelden die zij voor hun 16e zien, vervormt hun zelfbeeld. Daarom is een ander ideaal zo belangrijk om te laten zien.

 

Trend 8 – Religie is verwarrend

De trend ‘Religie mag weer’ verwart meiden omdat deze religietrend wat anders blijkt te zijn dan geloven in Jezus. Langzamerhand zien we ook dat het leven van nu minder aansluiting vindt bij kerkgang en dat meiden op zoek zijn naar andere vormen van geloofsbeleving.

 

huisvanbelle.nl

Lees verder
content image

Zelf de regie over je leven houden, als een onafhankelijk en vrij mens. Dat ideaal sluit naadloos aan bij de reclame, maar ook bij het beleid van de overheid. Tot het te duur werd, en de samenleving een participatiesamenleving moest worden. Toch blijft afhankelijkheid een beetje een vies woord. Wie wil dat nou? Het is daarom een gewaagd thema van het Christelijk Sociaal Congres: ‘Op elkaar aangewezen’. Oftewel: hoe bevorder je afhankelijkheid? Want iedereen kan zomaar aan de andere kant van de streep terecht komen, zegt Theo Bovens.

tekst Ineke Evink, beeld Provincie Limburg

Mensen van nu zijn autonome mensen die zelf de regie in handen hebben. Dat is het algemene mensbeeld in de samenleving, en het uitgangspunt van veel overheidsmaatregelen. Maar zijn we niet juist heel afhankelijk van elkaar, en zou dat niet veel meer tot ons moeten doordringen?
Daarover gaat het Christelijk Sociaal Congres (CSC), dat eind augustus plaatsvindt. Een van de sprekers is de gouverneur van Limburg, Theo Bovens.

Het is een gewaagd onderwerp van de CSC: hoe bevorder je afhankelijkheid. Autonomie en onafhankelijkheid staat bovenaan het verlanglijstje.
“Inderdaad, de trend is net andersom. Het is een uitdagend onderwerp omdat het zo rechtstreeks ingaat tegen het mensbeeld van de mondige mens die zichzelf wel kan redden. Maar dat is een idee fixe, je kunt jezelf niet redden. Op ieder moment van je leven kun je aan de andere kant van de streep terecht komen, iedereen is kwetsbaar. Ondertussen groeit de kloof tussen de mensen die wel en de mensen die niet kunnen meekomen in de samenleving. En de mensen die dat wel lukt, gaan er vaak vanuit dat het de mensen aan de andere kant ontbreekt aan de wil daartoe. Want ‘als het mij lukt, waarom hen dan niet?’
Ook in de politiek en het openbaar bestuur is zelfbestuur het hoogste goed. Feitelijk is de idee dat iedereen het helemaal in zijn uppie redt. De notie dat je ook voor anderen moet zorgen, wordt daarmee ondermijnd, de solidariteit neemt af. Wel dringt langzamerhand ook tot de overheid door dat die hulp van anderen onmisbaar is.”

‘De ruimte geven aan kwetsbaarheid, onvolmaaktheid en improvisatievermogen’ staat in de omschrijving van het doel van dit congres. Vanwaar het improvisatievermogen?
“Mijn ervaring is dat improvisatievermogen een talent is van kwetsbare mensen. Maar doordat er zoveel regels zijn, komt dat improvisatietalent in het gedrang. Als je gaat improviseren, houd je je namelijk niet aan de regels. De overheid en vele andere organisaties dwingen mensen door hun regels in hun systeem.
Het ontbreekt mensen die in de problemen zitten vaak wel aan organisatietalent, dat is een apart element in deze discussie. Problemen tasten vaak het organisatietalent aan, je overziet het allemaal niet meer. En die problemen kunnen zomaar opduiken, bijvoorbeeld als er iemand in je directe omgeving overlijdt.”

Wij zijn toch al lang afhankelijk, misschien wel meer dan ooit: elektriciteit, internet en andere zaken.
“Er zijn nog steeds mensen die helemaal geen internet hebben. Maar inderdaad zijn we ons vaak weinig bewust van onze afhankelijkheid van deze dingen. Af en toe merk je daar iets van, wanneer er een stroomstoring is, zoals laatst in Noord-Holland. Misschien moeten we af en toe even een stroomstoring meemaken om het te ondervinden. Of alleen maar als gedachte-experiment.
Afhankelijkheid is natuurlijk evengoed intermenselijk, dat merken mensen bijvoorbeeld na een verbroken relatie of een overlijden. Het is immers niet verplicht met elkaar in contact te treden. Eenzaamheid is een groot probleem dat alleen maar toeneemt, het is een van de grootste problemen van de westerse samenleving. Eenzaamheid is een grote zorg voor de overheid.
Het is ondertussen een ingewikkelde puzzel voor de overheid om constant te moeten afwegen tussen de burger die het allemaal zelf kan - en dat is ook een groot goed! - en de mensen die daartoe niet in staat zijn. De overheid moet zich goed bewust zijn van dit dilemma, niet iedere burger is mondig en succesvol, en redt zich er wel mee. Neem het invullen van het belastingformulier op internet, in hoeverre moet je rekening houden met mensen die dat niet kunnen? Of neem de publicatieplicht van de overheid, die vroeger plaatsvond in de huis-aan-huisbladen maar nu digitaal, op een website. De afstand tussen een flink aantal burgers en de overheid groeit.
Daarbij komt dat lokale overheden hun takenpakket zien uitgebreid. Zij zullen fysieke loketten open moeten houden. Ook al omdat daar waar de gemeentes wel in de wijk aanwezig zijn - bijvoorbeeld in de wijkteams - de burger dit niet altijd herkent als zijnde een onderdeel, een gezicht van de overheid.”

Hoe keer je de trend van de autonomie, als die zo sterk is?
“Die trend keer je niet, en dat komt mede door die digitalisering. Alternatieven voor digitalisering worden daarom steeds belangrijker. De overheid moet haar burgers niet gaan zien als ‘klant’ of een nummer. Het rapport van de WRR Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid, was in dit opzicht veelzeggend. De grote systemen van overheid en instellingen hebben als taak rekening te houden met mensen die het niet kunnen bijbenen. Gelukkig is het wel zo dat Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen - waar dit thema onderdeel van moet zijn - steeds meer in zwang komt. Dat is een tegenkracht.”

Het CSC wil de drang naar perfectie tegenspreken. Ook daarbij hebt u het tij tegen.  
“Aandacht voor imperfectie is een oude traditie van het CSC, het is een troostvolle gedachte dat je niet perfect hoeft te zijn!”

Komt u dit onderwerp tegen in uw werk als Gouverneur van Limburg?
“Eigenlijk maar weinig. De provincie is een tussenbestuur, wij komen vaker in contact met organisaties dan met burgers. Wat wel kan, is subsidies geven aan organisaties die samenhang en solidariteit bevorderen. Een relatie met elkaar hebben, geeft namelijk identiteit. Je hoort bij je gezin, je familie, bij je dorp, daarvoor kom je in beweging. Dat kan misschien ook helpen die mensen in beweging te krijgen die anders voor weinig meer te porren zijn. In ons geval: als je je Limburger voelt, ben je betrokken. Dat is iets waar de overheid over moet nadenken, over de mogelijke kracht van groepsidentiteit.
Dat geldt overigens niet voor elke provincie even sterk. Ronald Plasterk zei na zijn mislukte poging om het aantal provincies te verminderen, dat bij een volgende poging Friesland, Noord-Brabant en Limburg daarvan uitgesloten zouden moet worden. Die provincies hebben een heel sterk besef van eigen identiteit. Natuurlijk is er ook een keerzijde: groepsidentiteit kan ook uitsluiten, daar moet je voor waken.”

U bent voorzitter van het Kansfonds. Doet dat fonds niet iets wat de overheid zou moeten doen?
“Dat is eigenlijk een politieke vraag: hoeveel moet de overheid doen? Ik denk dat de overheid niet alles kan oplossen. Dat heeft te maken met het gelijke behandeling waarmee de overheid rekening moet houden. De overheid moet iedereen gelijk behandelen. Ooit kreeg ik als wethouder Sociale Zaken vier vakantiereizen aangeboden, bedoeld voor gezinnen van bijstandsgerechtigden. Maar hoe doe je dat als er vierduizend mensen zijn die daarvoor in aanmerking ouden kunnen komen? Daarom hebben wij dat overgelaten aan een particuliere organisatie die de mensen zelf kent, en weet waar ze goed besteed zijn.
Het Kansfonds is zo’n particuliere organisatie, maar die werkt overigens soms samen met de overheid, zoals ook met andere vrijwilligers, kerken, diaconieën, etcetera.”

Wat verwacht u van het congres? Waar ziet u het meest naar uit?
“Het gevaar kan zijn dat je daar vooral gelijkgestemden tegenkomt, en daardoor is het soms een beetje preken voor eigen parochie. Maar het is ook bemoedigend mensen tegen te komen die dezelfde visie hebben als jij. En ik hoop op verrassende inkijkjes van anderen.
Daarnaast hoop ik natuurlijk op ideeën voor antwoord op de grote vraag: hoe krijg je die wederzijdse afhankelijkheid terug in de samenleving? Op het CSC zijn allerlei organisaties vertegenwoordigd, zij zullen ermee aan de slag moeten.”

_______________________

CSC: Op elkaar aangewezen

Het thema van het Christelijk Sociaal Congres (CSC) is ‘Op elkaar aangewezen’. Want: we zijn op elkaar aangewezen, we kunnen niet zonder elkaar. Met lezingen van Kim Putters, directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, en Theo Bovens, gouverneur van de provincie Limburg. Reflecties hierop door Sybrand van Haersma Buma (CDA) en Carola Schouten (CU)
Er zijn interactieve deelsessies middels social hackathons over het vergroten van afhankelijkheid tussen jong en oud, vast en flex, milieu en economie, en tussen denkers en doeners.
Het thema is gebaseerd op een centrale vraag uit het visiedocument van de CSC De Kracht van Verbondenheid, dat in 2016 verscheen naar aanleiding van het 125-jarig jubileum: Hoe kunnen we kwetsbaarheid, onvolmaaktheid en improvisatievermogen de ruimte geven en zo de drang naar perfectie en eenvormigheid tegenspreken en de vitaliteit en leefbaarheid van de samenleving versterken?
30 en 31 augustus, Landgoed Zonheuvel, Amersfoortseweg 98, Doorn.

www.stichting-csc.nl/congres-2017

_______________________

Social Hackathon

Een Social Hackathon is een samenstelling van ‘sociaal’ en ‘marathon’. Het is een evenement waar je één dag samenwerkt met anderen om van sociaal idee een concreet plan te maken. Vaak blijven mensen hangen in de idee-fase, omdat ze niet het juiste netwerk hebben of niet weten hoe ze het kunnen realiseren. Met een Social Hackathon wordt deze idee-fase teruggebracht naar één dag. Met behulp van de aanwezige netwerken en met een concrete methodiek kun je met een groep mensen sociale ideeën veranderen in een praktisch plan.

content image