CW Opinie - Hét christelijke opinieblad

CW Opinie houdt u betrokken bij kerkelijk en christelijk Nederland. Maar ook bij Nederlandse christenen die actief zijn in het buitenland. Iedere twee weken actuele verhalen, achtergronden, interviews, columns, boekbesprekingen en nog veel meer. Lezers van CW Opinie zijn meelevende christenen uit nagenoeg alle protestantse kerken.

content image

 

Speciale aanbieding
voor nieuwe lezers!

 

content image

Deze editie

Theoloog en docent Liesbeth Last is een van de weinigen die zich bezighoudt met het verhalende aspect van games. Er wordt veel onderzoek gedaan naar het verslavende effect van games, maar dat ze ook interessant zijn vanuit levensbeschouwelijk perspectief, en dat ze discussies kunnen oproepen over religie en geloof, is minder bekend.

 

Wanneer had u voor het eerst het idee: games zijn eigenlijk een heel goed uitgangspunt voor godsdienstlessen?

“Ik ben zelf al heel lang gamer, en zo’n vijf jaar geleden viel het me voor het eerst op dat games eigenlijk veel meer waren geworden dan entertainment.  Games worden steeds beter qua verhaal en vormgeving, omdat er ook steeds meer geld in wordt gestopt.”.

Lees verder 

Eerdere verschenen artikelen

'Pionieren is vallen en opstaan'

05-04-2018

Urban Expression: dat is de naam van een moderne ‘orde’ van buurtkerken en hun leiders, die dit jaar tien jaar bestaat. Overgewaaid uit Engeland is de beweging nu in zo’n 10 Nederlandse steden actief, in creatieve christelijke gemeenschappen die in toenemende mate samenwerken met lokale kerken, én gedragen worden door de buurtbewoners zelf. Oeds Blok blikt terug op 10 jaar pionierswerk, in zijn eigen stad Amersfoort en op de ervaringen in andere plaatsen.

Van Zaanstad tot Rotterdam tot Arnhem: de afgelopen jaren zijn er op verschillende plekken in Nederland wijkkerken en -initiatieven ontstaan door teams van Urban Expression. In Rotterdam zijn er zelfs twee plekken, in Den Haag is poppenspeler en verhalenverteller Matthijs Vlaardingerbroek al vanaf 2000 gestart met een buurtkerk in de Spoorwijk. Een bekend gezicht uit Rotterdam is Daniël de Wolf, bekend van De Torrie van Mattie (het evangelie van Matteüs in de taal van de straat). Blok: “Urban Expression is eigenlijk een soort orde van pioniers, en ons hart ligt bij de mensen in zogeheten ‘krachtwijken’, wijken die schoonheid, maar vooral ook een rauwe rand hebben. We zijn ervan overtuigd dat daar iets van God te vinden is wat je elders niet vindt. Het zijn vaak plekken waar bijna niets meer van de kerken te zien is. Op die plekken zijn we actief.”

Creativiteit is bij Urban Expression een sleutelwoord; vertelt Oeds Blok in zijn woning aan een doorgaande weg in het Soesterkwartier in Amersfoort, waar hij zes jaar geleden in zijn vrije tijd zelf begon met buurtkerk.

Het is geen kerk met een toren, waar hij het over heeft: het is een groep mensen die samenkomt in en rond een speeltuin.

Hoe ziet een zondagochtend in de kerk in het Soesterkwartier eruit? Blok: “Op zaterdagavond hielden we al een spelletjesavond, en daar kwamen veel mensen. Maar we zaten lang met de zondag. Wat doe je dan, en voor wie? De stap om iets op zondag te doen was voor veel van hen te groot. De zondagochtend was voor de mensen uit de buurt geen goed tijdstip, dan ben je vrij, is dan het idee, dus dat werkte niet. Toen hebben we besloten om op zondagmiddag in de speeltuin een tafel neer te zetten. Dat was best een grote stap, want dan ben je kerk midden tussen de mensen in de speeltuin. We hadden taart op tafel staan. Het was dus een feestje, dat was de gedachte. Voor iedereen. We hebben daarna iets met een bijbelverhaal gedaan, want dat doen we altijd op de zondag. Dat hebben we afgestemd met de beheerder. Daar moet je transparant over zijn. Het leuke van een buurtkerk is dat ik kinderen en volwassen weer tegenkom op straat, in de winkel of bij voetbal of ergens op de koffie ga. Veel relaties spelen zich af in het dagelijks leven.”

 

Tentje

De manier waarop een bijbelverhaal wordt verteld of uitgebeeld is heel divers, vertelt Blok. “Laatst ging het over angst. Toen hebben we met een tobbe met water het verhaal van Jezus op het meer uitgebeeld. We hebben er ook een wedstrijd voor de kinderen aan vastgeplakt. Blazen en dan zien welk bootje het snelst naar de overkant komt. Als volwassene kon je op een papiertje schrijven waar je het meest bang voor bent. Mocht wel, hoeft niet. Het is dus heel rechttoe-rechtaan.”

Er kan dan een moment komen dat het gepast aanvoelt om te bidden met elkaar, al is bidden niet altijd aan de orde. “Normaal doen we dat niet, in het koffiehuis – waar we ’s winters kerk houden in plaats van buiten in de speeltuin - want het is geen viering. Maar dit keer hebben we wel gebeden, gewoon met iedereen, staand rond dat badje. Omdat God erbij is, als we angstig zijn.”

De vorm die wordt gekozen heeft dus altijd iets met beleving te maken, met je zintuigen. “Het zijn eigenlijk gewoon moderne leerprincipes die we toepassen, zoals dat ook in het reguliere onderwijs gebeurt. Met Pasen hebben we vijf plekken gemaakt in de speeltuin waar mensen iets konden proeven. Ik stond op een speeltoestel en mocht geurolie uitdelen. Het was eigenlijk best bijzonder dat een paar moslimvrouwen ook toelieten dat ze olie op hun hand kregen. Ik vertelde erbij: ‘Toen Jezus in het graf lag, waren de vrouwen om hem heen verdrietig. Toen hebben ze hem verzorgd met olie.’ Punt. Daar laat ik het dan bij. Op een andere plek was er brood met mierikswortel. De kinderen mochten dat proeven. Bah natuurlijk. Daar werd bij gezegd dat het lijden bitter was voor Jezus. En dat hij het uit liefde deed.”

Soms kun je ook enorm lachen met elkaar, vertelt Blok. “Er was bijvoorbeeld ook een onderdeel ‘raad dit geluid’. Dat was dus het geluid van een grote rollende steen. En dan vertelden we van de engel die de steen wegrolde. Een graf is moeilijk uit te beelden in een speeltuin. We kozen uiteindelijk voor een engel die in een tentje zat. Als laatste onderdeelkwamen alle volwassenen en kinderen in dat tentje. Degene die de engel speelde moest zeggen: Jezus was wel dood, maar op een gegeven  moment was hij er niet meer. Weg. Hij was sterker dan de dood.

Daar waren ook twee tieners bij gekropen, zoals wel vaker gebeurt natuurlijk in een speeltuin, dat er plotseling mensen meedoen die je eerder niet verwachtte. Die begonnen te lachen. Dat kan toch niet, zo’n raar verhaal. Er werd dus om gelachen. Dat kan. Maar het is ook wel een raar verhaal natuurlijk.”

De buurtkerk heeft een zomerkerk en een winterkerk, legt Blok uit. “’s Winters is het buiten te koud en dan komen we samen in een zijgebouwtje van de speeltuin. Daar is dan een koffiehuis. Er komt een vaste groep mensen, en een wisselende groep. In het koffiehuis is binnen een tafel waar een kruisje op staat. Je kunt er ook een kaarsje opsteken. Er zijn onder andere een paar Marokkaanse families die blijven komen. Dat vind ik bijzonder, blijkbaar schrikt dat kruisje niet af. We leggen ook aan de kinderen uit waar een kaarsje voor is. Dat als je iets wenst, dat God dat ook weet.”

 

Unplugged

Terugkijkend op zes jaar buurtkerk, constateert Blok dat er gaandeweg steeds meer activiteiten bij kwamen, verschillende vormen van kerk, zoals hij het noemt. “We misten op een gegeven moment body, een kerngemeenschap. Dus zijn we ook elke eerste en derde zondag van de maand met een viering bij iemand thuis gestart. Het begint met koffie. We lezen iets uit de bijbel en we zingen met elkaar. We vieren dan avondmaal, rondom Jezus. We zetten dat niet in de krant, maar nodigen mensen persoonlijk uit. We hoeven aan die vieringen niet veel voor te bereiden. Er is geen dominee die alles doet. We kunnen met meerdere mensen om de beurt het avondmaal voorbereiden. Ik wil ook graag dat het een meerstemmige gemeenschap is. Verder houden we het eenvoudig. Er wordt piano gespeeld of gitaar. We zingen een paar nummers. Er is altijd eten of koffie, voor de sociale contacten. Naast die vieringen en de bijeenkomsten op zondagmiddag zijn er ook twee groepjes ‘Bakkie & bidden’, een bij een Arubaanse mevrouw thuis. Bidden is een mooie manier om iets van God te ervaren. En er zijn twee bijbelstudiegroepjes ‘De weg’. Zo zijn er verschillende vormen van kerk, en deelnemers kiezen waar ze bij willen horen. Twee mannen hadden bijvoorbeeld weinig met Jezus, maar ze stonden wel open voor geloof, en ze waren ervan overtuigd dat er een God bestond. Toen zijn ze de verhalen over Jezus gaan lezen. Er is bij de bijbelstudie veel ruimte voor dialoog. Uiteindelijk heeft dat hun leven beïnvloed en hebben ze een soort basisrust gekregen. We lezen dus een stukje en praten erover. We lezen de bijbelverhalen over Jezus unplugged, zeg ik weleens, we slaan niets over. Ook de passages die schuren, lezen we. Het is de kunst om met de flow mee te gaan – dus het gesprek te volgen zonder te veel een bepaalde kant op te willen. Wat wel helpt om structuur aan te brengen, is het telkens weer invoegen bij de vraag wat Jezus met ons doet, wie hij is, of wat we zelf voor betekenis aan hem geven. We lazen pas een verhaal over een bezeten man. Dat is best een ruig verhaal. Maar sommige van onze mensen hadden daar helemaal geen moeite mee. Zij kenden dat. Wat blijft Jezus rustig. Dat viel hen op.”

 

 

Jezus-factor

Hoe zorg je ervoor dat je niet alleen maar bezig bent met een sociaal initiatief? Wat is, anders gezegd, de relevantie van de Jezus-factor, zoals Blok het zelf eens noemde in een interview met Andries Knevel?

“In het begin was dat voor mij wel een vraag. Ik verdiepte me toen ook in mensen die niets met Jezus hadden maar zich toch inzetten voor de buurt. Ik ging God meer in mensen zien. Maar later ben ik anders naar onze eigen initiatieven gaan kijken. Alleen al het feit dat in ons koffiehuis iedereen welkom is. Wie doet dat? Niemand. Dat is, denk ik, de Jezus-factor. Een kind dat op straat de dag doorbrengt en pas ’s avonds weer thuis mag komen, krijgt bij ons aandacht. Meer hoeft het niet te zijn, en meer kan ik er ook niet van maken.”

Er is natuurlijk een grote godsdienstige diversiteit. “Ik werk samen met moslims en ook met autochtone Nederlandse vrouwen die heel spiritueel zijn. Met deze vrouwen zit ik in een werkgroep voor buurtuitvaarten, voor mensen met een smalle beurs. Zij putten uit een andere bron, maar ik probeer nieuwsgierig te zijn. Ik leer ook van mensen om me heen van hun leven en bezieling die het verdient om gezien te worden. Bij moslims zie ik dat zij zelfbewust zijn in hun geloof. Dat vind ik mooi. Een houding van vrijmoedigheid en nederigheid, dat hebben we nodig.”

 

Tussenruimte

Pioniersplekken zijn nieuw en lijken daardoor automatisch succesvol en fris. Maar de werkelijkheid is er een van vallen en opstaan. Er is de afgelopen jaren ook weleens een buurtkerk weer gestopt. En vermoeidheid is een terugkerend fenomeen.

“Hier in het Soesterkwartier zijn we 6 jaar geleden met een groep van ongeveer 14 volwassenen gestart. Onder hen een groep van 4 mensen die de bijbelschool De Wittenberg hadden gevolgd. Dat was een geschenk. Maar uiteindelijk hielden de meeste mensen die mee gingen uit de Baptistengemeente, waar ik predikant was, het niet uit. Twee echtparen zijn gebleven, vier zijn er gestopt. Het lukte hen uiteindelijk niet goed genoeg om dit als hun kerk te zien, hun geloofsgemeenschap. Dat is natuurlijk voor henzelf, en ook voor de rest van het team wel moeilijk. Maar je moet ook de vrijheid houden om te doen wat bij je past. En zij hebben dit wel mede mogelijk gemaakt. Na een jaar of vier zijn er ook steeds meer buurtbewoners mee gaan doen”.

Een trend is dat er steeds meer wordt samengewerkt met lokale kerken. “Dat zien we bijvoorbeeld in het Oude Noorden in Rotterdam, dat mensen die meedoen met wijkgemeenschap Bless ook lid zijn van andere kerken. Dat past bij de trend van multiple religious belonging: mensen komen uit de Protestantse Kerk in Nederland, uit de Baptistengemeente, of uit de gereformeerde kerken vrijgemaakt, en ze willen tegelijkertijd betrokken zijn bij een buurtkerk.”

Uiteindelijk gaat het er bij Urban Expression om, dat er een soort tussenruimte ontstaat, zegt Blok ten slotte. “Een viering, dat is een christelijke ruimte. Daar is op zich niets mis mee, we houden ook zelf vieringen. Maar we zijn ook het liefst aanwezig op het terrein van de ander, want dat biedt kansen voor ontmoeting. Dat past ook bij het koninkrijk van God. In de creativiteit tussen mensen komen verschillende werelden bij elkaar. In die ontmoeting gebeurt Gods koninkrijk.”

 

Info: www.urbanexpression.nl.

Lees verder

De barmhartige samaritaan in Almelo

01-03-2018

Er komen steeds meer pioniersplekken in Nederland. Vorige week opende er weer een zijn deuren,  nu in Almelo. LINKT is de naam, en uitgewerkte toekomstplannen zijn er niet. ‘We zien wel wat God op ons pad brengt.’

‘Van religiestress is hier gelukkig geen sprake’, zegt ds. Catherinus Elsinga, missionair predikant in Almelo. LINKT, de pioniersplek van de plaatselijke protestantse gemeente, is ingebed in het welzijnswerk, de huisartsenposten en de geestelijke verzorging van het ziekenhuis. ‘Als die hulpverleners in hun dagelijks werk mensen ontmoeten die behoefte hebben aan een goed gesprek, of aan een netwerk waarin ze persoonlijke aandacht krijgen, kunnen ze hen doorverwijzen. Van een taboe heb ik niets gemerkt; er is juist veel openheid en bereidheid om mee te werken.’

We staan in ‘Het Pakhuis’, een uit de kluiten gewassen huiskamer op de benedenverdieping van een pand in het centrum van de stad, op steenworp afstand van het station. Her en der zijn wat zitjes gecreëerd, er staat een bankstel en een grote stamtafel. Het is allereerst een ‘pleisterplaats’, waar bezoekers kunnen binnenwaaien voor koffie, thee, broodjes, soep en een goed gesprek. Verder is het de thuisbasis van het stadspastoraat. Je kunt er terecht voor gesprekken die net even verder gaan dat een borrelpraatje in de kroeg; ‘vertrouwelijk, gratis en vrijblijvend’. De derde ‘poot’ van LINKT vormen de zondagse bijeenkomsten, het gesprek rond de tafel, over de God, de Bijbel en het dagelijks leven.

Werkloosheid

Burgemeester Arjen Gerritsen (VVD) is te gast bij de kick-off. De bijna-buurman van LINKT, dat vrijwel naast het stadhuis ligt, omarmt het initiatief als één van vele organisaties die een bijdrage leveren aan het welzijn van de 73.000 inwoners van zijn stad. Ruim 8% daarvan is werkloos. ‘Er zijn families waarin de derde generatie op rij geen werk heeft. ‘Opa, vader, zoon. Dan wordt armoede een cultuur. Je ervaart afstand, niet alleen tot de arbeidsmarkt, maar ook tot welvaart, liefde en gemeenschap. In zulke situaties kan LINKT veel betekenen.’

Passie voor mensen

Bij een kop soep spreek ik Hans ter Braake. Hij blijkt de eigenaar van het pand en woont met zijn gezin op de eerste verdieping. ‘Sinds we het zes jaar geleden kochten, hebben mijn vrouw Ingrid en ik vaak gesproken over onze wens om vanuit onze christelijke achtergrond iets te doen voor de stad. Vorig jaar hadden we net het plan opgevat om in de wijk hier tegenover te gaan folderen. We zouden de deuren opengooien voor iedereen die zin heeft in een bak koffie en een praatje. Precies op dat moment kwamen we via-via in contact met dominee Elsinga, die met een soortgelijk idee bezig was. We vonden elkaar snel in de opzet van LINKT.’

Onderkant

Ter Braake is eigenaar van een groothandel in gereedschappen. ‘En ik heb een passie voor mensen’, voegt hij er in één adem aan toe. ‘Ik heb niets met glitter and glamour. Het is veel leuker om je in te zetten voor anderen. Ik coach bijvoorbeeld jonge ondernemers. Maar het liefst zet ik me in voor de mensen aan de onderkant van de samenleving. De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan vind ik daarbij bijzonder inspirerend. De Samaritaan is ergens onderweg, loopt tegen een probleem op en toont dat hij hart heeft voor zijn naaste. Hij verzorgt hem, brengt hem naar de herberg, zorgt voor een goeie follow-up en trekt weer verder. Dat breng ik ook graag in praktijk. ‘

Teleurgesteld

Hans en Ingrid zijn lid van een gemeente van Vrije Baptisten in Wierden. ‘Het is daar niet anders dan in veel andere gemeenten: de kerk is nogal naar binnen gericht. Dat verwijt ik hen niet, het is gewoon zo. Het zijn ingesleten tradities en gewoonten. Ik ben  daar niet teleurgesteld over. Als je teleurgesteld bent in de kerk, ben je dat eigenlijk in jezelf. Want de kerk, dat zijn we zelf, toch? Diep in hun hart weten gemeenteleden wel dat het nooit de bedoeling van Jezus is geweest dat we alleen maar in onze eigen kringetjes ronddraaien. Als ze van zo’n initiatief als LINKT horen, zijn ze enthousiast en doen we niet te tevergeefs een beroep op hen om een handje uit te steken.

Toekomst

Wat moet LINKT worden? ‘Daar maak ik me geen concrete voorstellingen bij. Overdag, in mijn business, moet ik bezighouden met toekomstplannen en prognoses; dat is ook je verantwoordelijkheid voor je personeel. Maar bij LINKT doe ik dat principieel niet. Hier hoef ik alleen maar te bidden. We zien wel wat God op ons pad brengt. Hij zal voorzien. We houden onze hand op en zien wel hoe die gevuld wordt. Als LINKT in het komend jaar voor 1 persoon van grote betekenis blijkt te zijn, is het niet voor niets geweest.’ Met pretoogjes: ‘En als er 100 man komt, prachtig. Ook goed.’

 

 

KADERTEKST

Missionair werk in textielstad

Almelo is een oude textielstad. Het gemiddelde inkomen is laag. De stad kent een relatief grote populatie met een Turkse en Armeense achtergrond. In 2012 is ds. Catherinus Elsinga aangesteld als missionair predikant. Een paar dagen per week werkte hij voor wijkgemeente De Ontmoeting. Twee dagen legde hij zich toe op het ontwikkelen van missionair werk op stedelijk niveau. LINKT is te beschouwen als een vervolg op dat werk. Drie protestantse wijkgemeenten zijn betrokken bij het initiatief, dat sinds oktober 2017 officieel de status heeft van pioniersplek van de Protestantse Kerk in Nederland en de missionaire organisatie IZB.

LINKT richt zich op de brede doelgroep van 25-45 jaar. Veel inwoners uit die leeftijdscategorie staan nog wel geregistreerd in de kaartenbak van de kerk, maar zijn niet meer actief betrokken. Uit pastorale contacten blijkt dat bij een deel van hen wel openheid is voor gesprekken over het geloof.

Elsinga: ‘Bij de ontwikkeling van LINKT mobiliseren we het maatschappelijk netwerk van de leden van drie wijkgemeenten. In het pastoraat ontmoeten ambtsdragers randkerkelijken die gebaat kunnen zijn bij een laagdrempelige ontmoetingsplek als LINKT. Gemeenteleden kunnen mensen die ze kennen uit hun straat of buurt, erop attenderen. Het blijft pionierswerk, we zullen zien wat er op ons pad komt. Zo sprak ik bijvoorbeeld iemand die contact heeft met prostituées in de stad.  Ik was aangenaam verrast door de goede contacten met huisartsen, de welzijnsorganisaties en andere hulpverleners in de stad, die het initiatief warm verwelkomen. Mensen verblijven tegenwoordig relatief kort in het ziekenhuis; ze zijn blij dat ze hen dan kunnen wijzen op LINKT.’

Lees verder

Abortus: vrij kan zomaar vogelvrij worden

12-01-2018

Draag je je zwangerschap uit of laat je hem beëindigen? Vrouwen die voor deze keuze staan, worden vaak door voor- zowel als tegenstanders van abortus in de steek gelaten. Een pleidooi voor een echt kindvriendelijke samenleving.

Het leek een tijdlang rustiger te worden rond de abortusdiscussie. Ook voorstanders van de mogelijkheid erkenden de mogelijk traumatische gevolgen van abortus, en tegenstanders leken meer begrip te krijgen voor de penibele omstandigheden van ongewenst zwangere vrouwen. Voor euthanasie geldt toename van begrip bij christenen mogelijk nog meer - dat wil zeggen, daar waar euthanasie zich beperkt tot terminaal zieke patiënten.

Maar toen kwam de Mars voor het Leven van 9 december. Organisator was ‘Schreeuw om Leven’, bekend van acties als plastic foetussen op ware grootte en demonstraties bij abortusklinieken. Voorop liepen CU-voorman Gert-Jan Seegers en SGP-fractievoorzitter Kees van der Staaij.

Twitter ontplofte, zoals gebruikelijk. De reacties waren ongemeen fel en hard, zelfs voor onze uiterst gepolariseerde samenleving. Ongenuanceerd als Twitter is, werden voor het gemak alle christenen over één kam geschoren. Het was gefundenes Fressen voor iedereen die religie eerder vandaag dan morgen achter de voordeur ziet verdwijnen. Menigeen zag zijn eigen vrijheid alleen al aangetast doordat de Mars überhaupt plaatsvond.

 

Buikpijn

Toch zullen ook veel christenen een beetje buikpijn hebben gekregen van deze Mars voor het Leven. Dat begint al met het feit dat abortus en euthanasie onder één noemer worden gebracht, terwijl het toch echt verschillende onderwerpen zijn. Het maakt nogal verschil of je het leven van een terminaal zieke patiënt beëindigt waardoor deze enkele dagen of weken eerder sterft, of dat een ongeboren kind niet eens kan beginnen aan zijn of haar leven.

Daarbij is de prominente aanwezigheid van politici een complicerende factor. Zeker waar het de SGP betreft, zijn er nogal wat kanttekeningen te plaatsen. Deze partij had tot voor kort nog de doodstraf in zijn  programma staan. Daarnaast profileert de partij zich sterk als gezinspartij, waarbij gezin ook echt staat voor het traditionele gezin met een vader, een moeder en kinderen. Verder staat de SGP niet direct bekend als royaal met sociale voorzieningen, en daar zullen veel alleenstaande moeders toch regelmatig - en zeker voor een bepaalde periode - op aangewezen zijn.

De ChristenUnie heeft zo zijn  eigen imagoprobleem. De partij maakt op dit moment immers deel uit van een coalitie die geen goede reputatie heeft op het gebied van kindvriendelijke maatregelen. Zo is daar bijvoorbeeld het kinderpardon dat de onderhandelingen niet heeft overleefd. Het werd de partij als verwijt voor de voeten geworpen. Wel op de bres staan voor ongeboren kinderen, maar als ze er dan zijn moeten ze zich maar redden? Hypocriet!

Maar een alternatief bieden degenen die de christelijke partijen bekritiseren feitelijk niet. Want niet zelden betekent ‘je eigen keuze’ in de praktijk: ‘red je er maar mee’. Feministen hebben in deze discussie vanaf het begin al het standpunt ingenomen dat de vrouw beslist. Dat klinkt logisch, maar is tegelijkertijd ook heel kort door de bocht. Een foetus is immers  geen klompje cellen zonder meerwaarde. Versluierend taalgebruik als ‘zwangerschapsweefsel’ en ‘weghalen’ doet daar niets aan af. De praktijk is anders. Een gewenst zwangere vrouw spreekt al vanaf het begin van de zwangerschap over ‘mijn kind’. Ook vrouwen die een abortus ondergaan, beschrijven het niet zelden als een traumatische ervaring.

Waarom de discussie tussen voor- en tegenstanders dan toch zo vaak een gesprek is tussen doven, wordt deels verklaard door de botsing tussen twee grondrechten: die op leven en die op vrijheid. Tegenstanders van abortus hebben gelijk als ze claimen dat abortus strijdt met het recht op leven. Voorstanders hebben gelijk als ze de vrijheid van vrouwen verdedigen, zeker in het bredere kader van de geschiedenis waarin vrouwen op dit punt toch al zo vaak het onderspit delven.

Of vrouwen iets opschieten met deze patstelling is de vraag. Het wordt voor onwillige mannen nog makkelijker hun verantwoordelijkheid over de schutting van vrouwen te werpen. ‘Dan laat je het toch weghalen’, is niet zelden de reactie. ‘Het is jouw keuze’ klinkt schril als je als vrouw vanaf dat moment geacht wordt het zelf maar op te knappen. De verantwoordelijkheid voor onbedoelde zwangerschappen komt zo helemaal op het bordje van vrouwen te liggen. Draagt ze de zwangerschap uit, dan komt ze tal van problemen tegen. Ondergaat ze een abortus, dan draagt ze dat vaak haar leven lang met zich mee.

 

Isolement

In de discussies naar aanleiding van de Mars voor het Leven was voortdurend te horen dat vrouwen zich niet schuldig hoeven te voelen omdat ze over hun eigen lichaam mogen beslissen - ofwel dat het schuldgevoel een gevolg is van christelijke indoctrinatie. Maar zulke bezweringen helpen niet altijd. Op dit punt hebben kerken - juist die aan de meer orthodoxe kant - trouwens ook nog wel wat huiswerk te verrichten. Hoeveel ongewenst zwangere christelijke meisjes hebben een abortus ondergaan uit angst voor afwijzing en sociaal isolement?

Het zou goed zijn als christenen die zich achter de Mars voor het Leven scharen zich dringend beraden. Hoe behandelen zij onbedoeld zwangere vrouwen, en wat mag het de samenleving kosten aan hulp en begeleiding, ook als het kind er eenmaal is?

Inderdaad, de meeste vrouwen plegen niet zomaar een abortus. Maar in onze maatschappij worden mensen wel opgejaagd. Een studente van begin twintig moet stevig in haar schoenen staan om een kind en een studie te kunnen combineren. En niet zelden wordt geldgebrek als belangrijk motief voor een abortus opgevoerd. Daar zouden christelijke partijen weleens wat meer naar mogen kijken.

 

Ineke Evink

 

Ineke Evink is eindredacteur van CW Opinie

Lees verder

Herman Paul: 'Het hart is een arena vol verlangens'

11-01-2018

Voor veel christenen staat de secularisatie voor niets minder dan een verlieservaring. Maar er is een andere manier om tegen dit fenomeen aan te kijken, meent hoogleraar Secularisatiestudies Herman Paul. Zijn boek ‘De slag om het hart’ is een zoektocht naar de vraag waarom hij zelf zo’n geseculariseerde christen is, en een ode aan christelijke denkers die hem op een ander spoor zetten.

Het is een druilerige dag waarop ik afspreek met prof. dr. Herman Paul, die als historicus verbonden is aan de universiteit van Leiden en daarnaast één dag in de week in Groningen doceert. Hij ontvangt me op zijn werkkamer aan de Leidse Universiteit, die uitziet op een binnentuin die duidelijk met zorg is aangelegd: bomen met donkergroen blad wisselen af met struiken in diverse herfstkleuren. Zelfs op deze grauwe dag ademt de tuin schoonheid uit.

‘De slag om het hart’ is de titel van een nieuw boek van Paul, dat handelt over ‘secularisatie van verlangen’.

 

Wat heeft iets abstracts als secularisatie met concrete verlangens te maken?

“Het boek is eigenlijk uit twee vragen geboren. Hoe komt het dat ik zo’n geseculariseerde christen ben? Ik ga braaf naar de kerk, maar toch vraag ik me af hoe het komt dat ik bijvoorbeeld zo kan opgaan in mijn werk. Het boek is dus ook een persoonlijke zoektocht. Hoe kan ik begrijpen wat hier gebeurt?

Daarnaast had ik de meer wetenschappelijke vraag of secularisatie wel helemaal verklaard is door de cijfers van afnemend kerkbezoek. Cijfers maken het fenomeen voor sociologen meetbaar. Maar het zorgt ook ervoor dat veel verklaringen opvallend cognitief geladen zijn.  Alsof het vooral argumenten zijn die mensen ertoe brengen zich te laten uitschrijven uit de kerk. Dat geeft veel gewicht aan de opvattingen van mensen. Maar ik wil het vraagstuk graag breder benaderen. De mens is immers ook een verlangend wezen.”

 

Secularisatie wordt door gelovigen vaak als een bedreiging gezien, een soort monster dat je kinderen opslurpt als ze niet meer naar de kerk gaan, bijvoorbeeld. Waarom heeft het woord zo’n negatieve gevoelslading?

“Dat heeft het niet altijd voor iedereen gehad. Het werd in bijvoorbeeld de jaren zestig ook wel als een kans gezien door vrijzinnige theologen. Sommigen zagen het als winst en verlies tegelijkertijd. Maar in het algemene kerkelijke taalgebruik is secularisatie inderdaad altijd heel negatief geladen geweest. Het staat toch voor gebouwen die worden gesloopt, voor ouders die zien dat hun kinderen niet meer naar de kerk gaan. Het is een soort codewoord voor verlies en verdriet. Het woord helpt om verlieservaringen te benoemen. Secularisatie is dus niet alleen een historisch, maar ook een psychologisch geladen begrip.”

 

U zegt ergens in uw boek: secularisatie is geen onomkeerbaar proces, maar het is inzet van strijd. Hoe bedoelt u dat?

 “Ik probeer aan te sluiten bij godsdienstsociologen als Smith en Gorski, die bezwaren hebben tegen een heel massief secularisatiebegrip, alsof het een anonieme kracht zou zijn. Dat is voor sociologen en ook voor historici heel onbevredigend. Bij Smith gaat het om de secularisatie van de publieke ruimte. Wat is de plek van religie daarin? In de rechtspraak en de politiek is daar voortdurend strijd over: denk aan het privilege om kerkklokken te mogen luiden, om eigen christelijke scholen te hebben. Die strijd is overigens niet lineair, maar kent altijd verrassende wendingen.

Deze sociologen hebben het over de publieke ruimte, maar hun model van secularisatie pas ik in mijn boek toe op het innerlijk. Het hart is een arena waarin verlangens voortdurend met elkaar botsen. De titel van mijn boek, ‘De slag om het hart’ is ontleend aan de Franse tragediedichter Jean Racine, die het heeft over twee mannen die strijd voeren in zijn binnenste. Die secularisatie als strijd in het hart kent evenmin een lineair verloop als de strijd in de publieke ruimte, en het is ook niet een onomkeerbaar proces.”

 

Hoe moet je die strijd dan voeren? De manier waarop evangelische christenen de afgelopen decennia de strijd aanbonden tegen bijvoorbeeld abortus, roept bij mijn generatie geen strijdlust, maar juist schaamte op.

“De strijd zoals ik die voor mij zie, vindt ook niet plaats met spandoeken voor het parlement. Het belangrijkste verschil is: wij zijn niet één van de strijdende partijen, maar we zijn inzet van de strijd. Denk maar aan de voorstelling zoals je die ziet op middeleeuwse retabels, waarop mensenlevens heen en weer getrokken worden tussen een engel en een duivel. Ik merk dat er van verschillende kanten aan mij getrokken wordt.

Misschien is het moderne gezinsleven een goed voorbeeld. Ik heb twee jonge kinderen, en als jonge ouder word je direct bestookt met kraampakketten. Je wordt ook nog eens omringd door andere jonge ouders die allemaal fungeren als een spiegel. De Prenatal roept je toe: als ouders wil je toch het beste voor je kind? Koop dan deze wandelwagen van 1.200 euro!

Er wordt daarbij voortdurend geappelleerd aan ongebroken geluk. Overal zie je stralende babyfoto’s, die natuurlijk een onrealistisch beeld geven van de werkelijkheid. Je wordt kortom geconfronteerd met je eigen onzekerheid, je spiegelt je aan anderen, en dat wringt voor mij met het zingen van de lofzang op zondagochtend in de kerk. Dat is een ander soort geluk dan de idylle die te realiseren is met de juiste spullen.”

 

De Britse theoloog David F. Ford noemt het moderne leven ‘overwhelming’ oftewel overstelpend, schrijft u in uw boek.

“Ford kiest als beginpunt van zijn theologie de ervaring van overweldigd zijn, bijvoorbeeld door de geboorte van een kind. Je kunt ook juist overweldigd zijn door de druk die op je schouders rust door je werk of  door zorg voor anderen. Het gaat hem hoe dan ook om momenten waarop we naar adem happen. Zijn vraag daarbij is: heeft dat iets te maken met God, die immers overstelpend goed is? Vaak zijn we geneigd om zulke ervaringen met rationele wapens te lijf te gaan: maak de juiste keuzes, neem afstand. Maar als iets echt je leven overstroomt, gaat dat niet werken. Ford pleit er daarom voor om niet te proberen zulke ervaringen klein te maken, maar juist de vraag te stellen of God er iets mee te maken heeft. Als God zo veel groter is dan wij denken, dan kunnen daardoor al die andere overweldigende dingen ook op hun plaats vallen.

Bernd Wannenwetsch, een Duitse theoloog die ik erg waardeer, zegt iets dergelijks ook. Een groot verlangen krijg je niet klein door ertegenin te preken. Als iemand bijvoorbeeld single is en dat graag anders zou zien, helpt het niet om te wijzen op de flexibiliteit die het single-zijn met zich meebrengt. Wat wel helpt, is het voeden van een groter verlangen. Dus niet door te preken, maar door een sterker verlangen te voeden, kan het andere verlangen op z’n plek worden gezet. Dat neemt de kracht van verlangens serieus en dat helpt het ook om je leven richting te geven – om het op God te richten en om de secularisatie van verlangen te weerstaan.”

 

In uw boek confronteert u ook de denkbeelden van twee andere prominente theologen, Stanley Hauerwas en Rowan Williams met elkaar. Op welk punt raken zij elkaar?

“Ze staan voor totaal verschillende stijlen van theologie bedrijven, maar beiden hebben een grote gevoeligheid voor de subjectpositie van de mens. Als je zegt ‘We moeten een dam opwerpen tegen secularisatie’, wat zeg je dan over je eigen positie? Ben je dan groot genoeg om dat te doen? Kun je er wel wat aan doen? Om bij het voorbeeld van die babyreclame te blijven: die gaat ervanuit dat jij als ouder je kind het geluk kunt geven. Die suggestie van maakbaarheid, gecombineerd met de neiging tot beheersen, dat vinden Hauerwas en Williams allebei heel problematisch.

Williams en Hauerwas doen een oproep tot ‘living out of control’, en dat betekent niet zozeer een afhankelijkheidsgevoel van God, als wel een besef dat Gods handelen belangrijker is dan dat van mensen. In dat licht kan het zinvoller zijn om als reactie op terreur in de kerk bijeen te komen en psalm 91 te zingen, over de schuilplaats van de Allerhoogste, dan een petitie in te dienen voor deze of gene maatregel.”

 

Het vraagt wel veel vertrouwen van mensen om de controle over hun leven uit handen te geven, zoals Hauerwas en Williams bepleiten.

“Dat is ook niet iets wat je per decreet kunt regelen. Het vraagt een leerschool om stapje voor stapje te leren vertrouwen. Hoe moeilijk dat is, kun je zien aan wat bijvoorbeeld ziekte doet met mensen. Ziek zijn is bij uitstek iets wat je in je greep kan proberen te krijgen. De verleiding is groot om in allerlei databases op internet te kijken wat de statistische kans is op verslechtering of herhaling. Dat is een natuurlijke neiging die ik ook zelf herken.

Maar misschien is er ook een andere manier van leven mogelijk en kan die door de kerk gestimuleerd worden. Niet: hoe kan ik grip krijgen op mijn ziekte, maar: hoe kan ik groeien door mijn ziek-zijn? Hoe kan ik daardoor leren, bijvoorbeeld, om anders met mensen om me heen om te gaan? Dat bedoel ik niet als een lesje leren. Ik denk bijvoorbeeld aan de plek die ziekte inneemt in een gebedenboek als The Book of Common Prayer. Daarin gaat het veel meer om leven met ziekte dan om het uitbannen ervan.”

 

In uw boek gaat het ook over discipelschap als manier van omgaan met angst voor de toekomst. Op welke manier stimuleert onze maatschappij gevoelens van angst?

“Ik denk dat die stimulans er zeker is. Vooral in economische zin wordt de angst voor tekort gecultiveerd. En als we continu worden opgeroepen tot het maximaliseren van geluk en status, dan is concurrentie bedreigend. Zo zullen we muurtjes blijven bouwen, elkaar blijven wantrouwen. Want de economie van het tekort is een verhaal voor winnaars, dat de rest als verliezers achterlaat.

De cultuur kan daarin ook een bedreiging zijn voor kerken die krimpen. Als maximaliseren de norm is, zullen we slecht kunnen omgaan met verlies. Het is natuurlijk verschrikkelijk verdrietig als een kerk krimpt van 500 leden naar 50 leden. Maar er kunnen daardoor ook vensters opengaan, je kunt in een andere relatie tot God komen te staan. Daarom is die thematiek van verdriet in relatie tot secularisatie, waar ons gesprek mee begon, ook zo belangrijk. Want ook bij verdriet speelt de vraag: hoe kunnen we verder? Theologen als Ford en Williams helpen mij om die vraag te beantwoorden.”

 

Wat heeft dit boek u zelf geleerd over het verband tussen verlangen en geloof?

“Ik ben aangenaam verrast door de prominente plek die verlangen inneemt in de christelijke traditie. Niet alleen bij Augustinus, die in mijn boek voortdurend opduikt. Ik heb bijvoorbeeld pas de Regel van Benedictus herlezen, en daarin gaat het ook constant over verlangen. Het is dus al een heel oud thema, en niet alleen iets voor de ‘economy of desire’ waarin we nu leven.  In de Middeleeuwen is er veel over geschreven, en al is dat natuurlijk niet allemaal een-op-een over te nemen, maar het zijn wel stemmen die ik belangrijk vind omdat ze kritische vragen stellen over de wijze waarop onze verlangens gemanipuleerd worden. Hoe werken dat soort mechanismes? Daar zou ik nog weleens dieper op in willen gaan. René Girard heeft laten zien dat we elkaar imiteren in onze verlangens. Maar een fenomeen als reclame verdient ook een genuanceerde blik: mensen zijn vaak heel goed in staat om zich voor het bombardement aan prikkels af te sluiten. Hoe werkt dat? Met die confrontatie van de ‘morele economie’ met premoderne denkers hoop ik nog een poosje door te kunnen gaan.”

Nels Fahner

Herman Paul, De slag om het hart. Over secularisatie van verlangen. Uitg. Boekencentrum, 16,99 euro

Lees verder

500 jaar Reformatie: 'Zelf kunnen geloven is een groot goed'

09-11-2017

500 jaar Reformatie is in ons land uitgebreid gevierd. Maar wat kunnen we eigenlijk leren van vijfhonderd jaar gekibbel en ellende? Volgens kerkhistoricus prof. dr. Mirjam van Veen moeten we niet te negatief denken over de verworvenheden van de reformatie. Het was een veelkleuriger beweging dan menigeen denkt. Zij schreef er een boek over: Luther en calvinistisch Nederland.

 

Over calvinisme doen allerlei definities de ronde. Hoe kijkt u aan tegen dat begrip? In hoeverre kan het een inspiratiebron zijn?

“Ik denk dat het gebruik van de term bijna onvermijdelijk is. Maar ook vrij ongelukkig, want het gereformeerde protestantisme was vanaf het begin veelkleurig en divers; het is altijd al een brede bedding geweest. De term calvinisme suggereert een eenduidigheid die er niet was. Heinrich Bullinger schreef bijvoorbeeld een prekenbundel die op VOC-schepen meeging. Die hoogte heeft Calvijn in de Lage Landen nooit bereikt. Vanaf de vroege gereformeerde kerk tot aan Kuyper waren er heel uiteenlopende figuren bij het gereformeerde protestantisme betrokken, Bullinger en Calvijn, maar ook Melanchthon, de rechterhand van Luther, die als het om de predestinatieleer ging ver van Calvijn afstond. Die breedte van blik verdwijnt aan het eind van de 19e eeuw. De term calvinisme suggereert een eenduidigheid en eenkennigheid die er in de geschiedenis niet zo geweest is.”

 

Op welke manier heeft Abraham Kuyper ons beeld van de reformatie beïnvloed?

“Doorslaggevend, denk ik. Zijn leerlingen maken van Calvijn het één en het al. Rutgers schrijft: ‘zo belangrijk als Calvijn was er geen’. Kuyper had zo zijn redenen om Calvijn op een voetstuk te zetten. Hij had een held nodig, en dat werd Calvijn. Maar historisch klopt het niet.  Kuyper had een ideaal voor ogen voor zijn vrije kerken; die moesten onafhankelijk zijn en geleid worden door gewetensvolle christenen die zich hadden gecommitteerd aan het geloof. Dat etiket plakt hij op de vluchtelingengemeenten uit de tijd van Calvijn. Maar die suggestie van onafhankelijkheid was aantoonbaar onjuist: de vluchtelingengemeente van Emden viel bijvoorbeeld onder de plaatselijke kerk; iets vergelijkbaars kun je zeggen van die van Wesel en de kerk van Londen viel onder de plaatselijke bisschop. Kuyper schiep dus een bepaald beeld van de vluchtelingengemeenten, hij deed aan ‘invented history’ zouden wij nu zeggen. En daarin was hij heel succesvol.”

 

Waarom is Luther voor de gereformeerden eigenlijk altijd een soort held gebleven?

“Omdat hij de Reformatie was begonnen. Dat sprak niet alleen lutheranen, maar ook de gereformeerden aan. Luther was voor hen degene die de waarheid van het evangelie opnieuw voor het voetlicht had gebracht.”

 

Lutheranen hadden politiek gezien een andere positie dan gereformeerden. Waarom hielden zij zich eigenlijk afzijdig van de Opstand tegen Spanje?

“Dat had toch te maken met het idee van de gehoorzaamheid aan de overheid. Toen de lutheranen zich in Antwerpen gingen organiseren om in opstand te komen, zei Luther: dit is niet de bedoeling. Daarmee schakelden de lutheranen zichzelf uit en kwamen ze in het achterschip van de opstand terecht. Voor de gereformeerden was de opstand tegen Spanje de enige kans om een legale plek te veroveren. De Prins van Oranje speelde in op dat verlangen: hij schreef brieven aan gereformeerde kerkenraden waarin hij vroeg om de opstand actief te steunen met wapens en geld. Hij suggereerde ook dat de strijd om religieuze vrijheid ging. Zo werden politiek en kerk in elkaars armen gedreven.”

 

Welke invloed had de omgang met vluchtelingen op de onderlinge verhoudingen tussen gereformeerden en lutheranen?

“Het thema vluchtelingen heeft op zich niet zo veel invloed gehad, behalve dan het geschrift dat Johannes Utenhove publiceerde over een groep gereformeerde vluchtelingen. Dat ging om ongeveer 175 protestantse vluchtelingen uit Londen, die vandaar door Europa trokken op de vlucht voor Bloody Mary. Zij kwamen op Luthers gebied terecht en stelden zich op als missionarissen; de lutheranen konden volgens hen profiteren van het gereformeerde geloof. De lutheranen voelden er weinig voor om hen een eigen kerkgebouw te geven.

Utenhove publiceerde vervolgens een tranentrekkend verhaal over de zwerftocht die deze mensen hadden gemaakt door Denemarken en Noord-Duitsland, met beschrijvingen van kinderen met bevroren handjes en vrouwen die moesten baren in de sneeuw. Calvijn waarschuwt hem nog dat dit geschrift de verhouding met de lutheranen zal vergiftigen, maar Utenhove luistert niet en publiceert toch. Dat verhaal heeft de verhoudingen tot pakweg 1950 belast. Gereformeerden zetten de lutheranen weg als intolerant, en andersom vonden lutheranen de gereformeerden hypocriet. Gereformeerden deden alsof ze voor de eenheid waren, maar ondertussen weigerden ze zich aan te passen aan de lutherse gebruiken. Daarmee heeft men elkaar tot 1950 om de oren geslagen. En zoals het gaat in een klas vol kinderen waarin een verhaal wordt doorverteld: het verhaal werd steeds erger. Eerst was er sprake van dat er onder die gereformeerde vluchtelingen één oude man bij die barre tocht gestorven zou zijn, later was het zo dat de een na de ander stierf.”

 

Zo bezien is het Samen-op-wegproces een historische doorbraak geweest.

“Er zijn altijd al herenigingspogingen door de gereformeerden geweest, omdat de Reformatie toch gezamenlijk begonnen was. Gereformeerden waren ook altijd bereid lutherse belijdenisgeschriften te ondertekenen: volgens hen waren beide stromingen het over de fundamenten eens. De lutheranen vonden echter dat er met de gereformeerden altijd gedonder van kwam. Uiteindelijk waren het de orthodox-gereformeerden die op de rem trapten, en dat is historisch gezien eigenlijk vreemd. Juist zij hebben goede reden om te zeggen: wij zijn het in essentie eens met Luther.”

 

U gaat ook in op het leven van Luther. In hoeverre biedt dat leven ook aanknopingspunten voor de hedendaagse oecumene tussen rooms-katholieken en protestanten?

“Dat weet ik niet zo goed. Ik denk soms dat de geschiedenis tot nadenken stemt bij het verlangen naar eenwording van kerken. Als de terugkeer naar de ware kerk niet goedschiks lukt, dan maar kwaadschiks – zo ging het vaak. Als gesprekken niet lukken, dan maar met de knoet. Ik denk daarom dat diversiteit een goed is, zolang je elkaar maar erkent als ware kerk. Daarin moet je niet kleinzielig zijn. De katholieke kerk die de protestanten kerk-achtig noemt: dat is mij te mager. Je moet elkaar voluit erkennen als gestalte van het lichaam van Christus.”

 

Luther bleef aanvankelijk gewoon de mis bedienen. Zou hij nu ter communie gaan?

“De misstanden van de katholieke kerk van destijds zijn wel opgelost. Het verdienmodel van de Middeleeuwse kerk met zijn aflaten, dat is er niet meer. Maar het offerkarakter van de mis was voor Luther ook hoogst problematisch. Volgens de traditionele leer zou Christus bij de mis telkens opnieuw op onbloedige wijze geofferd zijn. Het offer wordt dus herhaald. Dat is volgens de hele reformatie onzin. Christus is één keer gestorven en dat is genoeg.

Op de achtergrond speelt daarbij ook sociale kritiek op de macht van de kerk. De traditie schrijft voor dat bij de mis, als de instellingswoorden worden uitgesproken, Christus lijfelijk present wordt gesteld. Als je dat belijdt schrijf je aan de priester een enorme macht toe. Volgens de dopersen en de lutheranen kun je wel bidden om Gods aanwezigheid, maar kun je die niet afdwingen. Dat is ook waar mensen tegen te hoop liepen, zelfs zo dat ze de mis belachelijk maakten. Dat was uit weerzin tegen de macht die priesters zichzelf toekenden. Die sociale kritiek is nu niet meer aan de orde, want de rooms-katholieke kerk in Europa heeft geen macht meer, maar dat aspect leefde zeker mee bij Luthers latere afwijzing van de mis.”

 

Luthers gedachtegoed werd snel verspreid mede dankzij de drukpers en allerlei propagandaprenten. De vergelijking dringt zich op met bijvoorbeeld de Arabische Lente, die ontstond mede dankzij internet.

“Of die vergelijking opgaat, weet ik niet. Daarvoor zitten we er nu nog te dicht op. Ik denk dat een bepaald type retoriek wel gevaarlijk is. Luther identificeerde zijn tegenstanders met de duivel. Hij deed dat ook met Joden. Dat type retoriek is een opmaat voor geweld. Voor mij is dat reden om erg op te passen met zulke uitspraken.

Als je je tegenstander identificeert met de macht van het kwaad, legitimeer je geweld. Dat zie je nu gebeuren bij radicale moslims ten opzichte van het Westen. Maar ook in xenofobe kringen in Europa en Nederland, als zij zich uitlaten over moslims. In Vlaanderen werd pas een foto gepubliceerd van een vrouw in boerka naast een vuilniszak, met als tekst ‘zoek de verschillen’. Dan beeld je iemand af als vuil. De stap naar geweld is dan niet groot.

Je zou dat debat fatsoenlijk moeten voeren, zonder een sfeer van geweld op te zoeken. Als je met woorden grenzen overschrijdt, kan dat mensen in gevaar brengen. Het zelfde geldt voor een uitdrukking als ‘een tsunami van moslims’ die ons zou overstromen. Dan stel je mensen voor als onderdeel van natuurgeweld, van een kwade macht die mensen te na komt. Dan dehumaniseer je mensen. Dat is een levensgevaarlijk type retoriek.”

 

Wat is de winst van 500 jaar reformatie herdenken?

“Ik vind het in de Protestantse Kerk een mooie herdenking geworden. Het is niet allemaal rozengeur en maneschijn geweest, maar er is ook voldoende om trots op te zijn. Protestanten moeten zichzelf niet te veel in de hoek zetten, om daar te tobben over wat niet goed was. Dat je zelf kunt geloven, dat je zelf ook verantwoordelijk bent voor je geloof: dat is een groot goed. Ook de religieuze diversiteit is een groot goed. Ik kan op zondagmorgen besluiten of en naar welke kerk ik ga. Dat is winst. Ik hoop verder ook dat er meer aandacht komt voor het feit dat de reformatie veel veelzijdiger was dan we vaak denken.”

 

Hoe ziet u de toekomst van het protestantisme? En welke rol spelen de evangelische christenen, ook erfgenamen van de reformatie tenslotte, daarin?

“Zij worden steeds belangrijker, alleen al getalsmatig. Tegelijk met hun opkomst ontstaat er in de traditionele protestantse kerken de bereidheid om van elkaar te leren. De theologische bezinning was bij de evangelischen altijd wat minder sterk ontwikkeld, maar de laatste tijd is dat ook wat rechtgebreid: er is waardering voor grondige theologiebeoefening gekomen. Anderzijds hebben protestantse kerken lang het gevoel veronachtzaamd. Er is nu steeds meer bereidheid om daarop terug te komen.

De toekomst van het protestantisme? Geen idee. Ik ben niet zo goed in grote woorden. Je moet als gelovige je best doen. Kerken moeten ook hun best doen. Er wordt nog te vaak vrolijk aangeklungeld. Daar kun je wat aan doen, aan de muziek of aan de preek, maar het is geen garantie voor groei. En de rest moeten we maar overlaten.”

 

Met de pioniersplekken oogst de Protestantse Kerk veel lof in de media. Dat geeft ook een nieuw elan.

“Het is heel goed dat de Protestantse Kerk uit de schulp is gekropen, en dat men heeft gedacht: laten we het gewoon proberen. Dat levert soms hele mooie dingen op. Maar je moet ook bedenken dat de massale gelovigheid aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw een uitzondering was. De tijd dat praktisch iedereen lid was van een kerk, duurde eigenlijk maar kort.

Dat maakt mij ook vrij laconiek. We weten dat men in de 16e en de 17e eeuw vergaderde over vragen als: wat doen we met catechismusdiensten waarbij alleen het gezin van de predikant aanwezig is? Dat soort vragen heb je niet als je kerk altijd bomvol zit. Ik bedoel maar: het was altijd al een moeizaam getob. En dat de kerken vroeger altijd vol zaten is gewoon niet zo. Dat relativeert veel, vind ik.”

 

Nels Fahner

 

Mirjam van Veen. Luther en calvinistisch Nederland. Uitg. Boekencentrum Utrecht, 16,95 euro

Lees verder