CW Opinie - Hét christelijke opinieblad

CW Opinie houdt u betrokken bij kerkelijk en christelijk Nederland. Maar ook bij Nederlandse christenen die actief zijn in het buitenland. Iedere twee weken actuele verhalen, achtergronden, interviews, columns, boekbesprekingen en nog veel meer. Lezers van CW Opinie zijn meelevende christenen uit nagenoeg alle protestantse kerken.

content image

 

Speciale aanbieding
voor nieuwe lezers!

 

content image

Deze editie

Advent is de tijd van verwachting, van afwachten en de tijd nemen, van vertraging. Wij leven alleen in het nu, en met onze herinneringen. Maar hoop strekt zich uit naar de toekomst. Hoop maakt de tijd rekbaar. Het centrum van de tijd is de geboorte van Jezus.

Het zou wel eens kunnen dat hij ook gewelddadig was, hadden ze gezegd. Maar er was altijd iemand bij de eerste keer, dus er kon eigenlijk niets gebeuren. Hij zat voor een geweldsdelict maar zou binnenkort vrijkomen. Toen ik naar de instelling voor forensische psychiatrie toereed kon ik enige spanning niet onderdrukken. Wie zou ik aantreffen? Hoe zou zo’n eerste gesprek gaan? 

Lees verder 

Eerdere verschenen artikelen

‘Een religieus perspectief kan boeren helpen tegenwicht te bieden aan het winstdenken’

16-11-2018

Jack Steeghs is pastor en opbouwwerker in in Wijchen. Hij werd bekend als de ‘boerenpastor’, gaat als zelfstandig theoloog bij boeren langs en roert zich soms in de media om commentaar te leveren op actuele ontwikkelingen. Een interview over winstdenken, duurzaamheid en religieus perspectief.

 

tekst Nels Fahner, beeld Matthias Zomer

 

Steeghs kent het boerenbedrijf van binnenuit: hij is boerenzoon en zelf varkenshouder geweest. Volgens Steeghs zet het gebrek aan toekomstperspectief veel boeren en hun gezinnen onder grote druk. Tegelijkertijd praat men daar niet graag over.
“Er zit iets in de mentaliteit van agrariërs dat hen trots maakt. En terecht. Ze werken hard, ze doen veel goed en zijn vaak succesvol. Maar het is ook een lastige tijd, zeker nu supermarkten de prijs bepalen.”
Naast zijn baan van 24 uur bij een parochie brengt Steeghs de problemen van boeren onder de aandacht van media en andere organisaties. “Er is heel veel verborgen eenzaamheid. De meeste boeren praten daar niet gemakkelijk over. Voorheen werkte ik naast mijn zzp-bedrijf als boerenpastor ook als opbouwwerker in ’s Hertogenbosch. Nu heb ik een nieuwe baan in een parochie op het platteland, en kom ik als pastor makkelijker aan tafel”.
Als varkenshouder was Steeghs een vernieuwer. “Ik wilde al jong goed gezonde varkens en liep veel rond in de stallen om het gedrag van de varkens te observeren. Ik haalde de veearts erbij en maakte regelmatig rondes met hem.”
De vruchten van die gerichte aandacht bleven niet uit. Het medicijngebruik nam flink af en zijn varkens groeiden beter, vertelt Steeghs. “Ik kreeg de smaak te pakken, maar bedrijfsvoering sturen op basis van technische resultaten deden veel collega’s toen nog niet. Ik kon mijn ervaringen niet delen met anderen.”


Verdubbelen


Er waren een paar redenen waarom hij stopte, vertelt Steeghs. “Ik besefte dat er voor mijn bedrijf geen groei in zat. Bovendien had ik een paar jaar meegedaan aan een project met een supermarkt, om het medicijngebruik terug te dringen. Dat werd zonder overleg stopgezet.”
Een andere teleurstelling was dat er geen animo bij collega’s bleek te zijn voor een gezamenlijke solidariteitspot.
“Varkenshouders kun je onderverdelen in vermeerderaars en vleesvarkenshouders. Soms zie je beide takken in één bedrijf. Het kan zijn dat een zeugenhouder - de eerste categorie - te weinig verdient terwijl het de vleesvarkenshouders zeer voor de wind gaat. Wij lieten een enquête uitgaan om te kijken of er interesse was voor een gezamenlijke stroppenpot. Maar bijna niemand wilde dat, want de prijs was weer iets omhoog gegaan. Toen knapte er wel iets bij mij. Het was heel erg ‘ieder voor zich en God voor ons allen’.”
Daarnaast ging de druk het bedrijf voortdurend te laten groeien hem tegenstaan. “De risico’s worden op het bordje van de boer gelegd. Dat was uiteindelijk de reden dat ik gestopt ben met het boerenbedrijf dat ik van mijn ouders had overgenomen. Dat was in 1998. Ik wilde niet steeds weer verdubbelen, dat werd te riskant.”

 

Opvolging

 

“Ik voelde dat het geen makkelijk gesprek zou worden en dat is ook uitgekomen. Ik besefte dat het niet als een vraag moest brengen. Dan wist ik het antwoord wel: nee. Ik heb hints gegeven, maar er ontstond geen gesprek. Het ligt zo gevoelig, de opvolging, en ik was ook nog eens enig kind. De eerste maanden daarna hadden mijn ouders het er moeilijk mee, daarna hebben ze het geaccepteerd en nu is de verhouding prima.”
Als je wilt investeren sta je als boer altijd op een kruispunt, vertelt Steeghs. Er is de druk van de tijdgeest, van collega’s. En ondertussen is het heel erg ieder voor zich. “Of het zo gevoeld wordt, hangt van de fase af waarin een boer verkeert. Er zijn ook boeren die uitgekocht worden omdat er ergens een woonwijk of snelweg moet komen. Dan ben je in één keer, plat gezegd, miljonair. Dan kun je je bedrijf elders weer opzetten. Dat is mooi, maar het vertekent het beeld.”
Statistisch leeft ongeveer de helft van de boeren onder de armoedegrens, weet Steeghs. “De meeste boeren kunnen best één of twee jaar armoede hebben.” Maar boeren  zijn wel kwetsbaarder dan andere ondernemers. “Ze vallen niet onder het mkb. Ze kunnen niet zelf hun prijs bepalen. Als ze dat gezamenlijk zouden doen, worden ze teruggefloten door de kartelwaakhond. Dat is dus ingewikkeld. Dat hangt samen met de geschiedenis van de beroepsgroep.”

 

Taboe

 

‘Boeren hebben het zwaar, maar lijden in stilte’ was laatst een kop in De Correspondent. Dat artikel gaat over de theatervoorstelling Maalkop, over een boer die een einde aan zijn leven maakt maar daarvóór nog een monoloog houdt tegen een koe.
“Veel boeren lijden inderdaad in stilte, dat klopt. Wat het extra moeilijk maakt, is dat dé boer, dé tuinder niet bestaat. De problemen zijn sterk afhankelijk van de context. In welke sector werkt hij of zij? Heeft hij een gezin of niet? In welke fase van zijn carrière zit hij? Dat maakt allemaal heel veel uit.”
Grote organisaties zoals de LTO zijn erg verzakelijkt, signaleert Steeghs. Er zijn wel allerlei overlegclubs die gericht zijn op groei, op technische verbetering of ondernemersvaardigheden. “Een boer kan wel sparren over bedrijfsproblemen, maar als hij lijdt onder eenzaamheid en de weg kwijtraakt in het leven, dan is daar geen ruimte voor. Het is zo’n gigantisch taboe om het over persoonlijke problemen te hebben.”
Dat taboe merkte ook onderzoekster Lizzy van Leeuwen, die het boek De hanebalken. Zelfmoord op het platteland schreef, over het hoge aantal zelfmoorden op het boerenerf.
Steeghs heeft met haar contact gezocht, vertelt hij. “Interessant aan haar boek is dat de eerste helft gaat over de moeite die zij als stadse onderzoekster moest doen om dit onderwerp ter sprake te brengen. In Nederland wordt de reden achter suïcide niet geregistreerd. Toch is het aantal zelfmoorden in de agrarische sector veel hoger dan in de stad. Als er een boer een poging onderneemt, lukt het meestal.”
Steeghs heeft het gelukkig niet van nabij meegemaakt. “Via anderen heb ik wel verhalen gehoord. Maar dit is omgeven met veel taboes. Het is heel moeilijk daarover in gesprek te gaan.”

 

Solidariteit

 

In het toneelstuk ‘Maalkop’ wordt de boer geplaagd door kopzorgen, onder meer door de problemen met de bank.  Steeghs: “Natuurlijk spelen schulden een rol. Denk maar aan de glastuinder die moet kiezen: óf afbouwen of nog één keer verdubbelen met zijn bedrijf. Daar was pas een documentaire op televisie over. Het was misgegaan, het bedrijf was failliet en de man woonde in een rijtjeshuis. Opvallend was de zakelijke reactie van de Rabobank: ‘dat zijn nu eenmaal de risico’s’.”
De bank hanteert jegens de boeren een solidariteit onder voorwaarden, signaleert Steeghs. De bank wil zwakkere boerenbedrijven alleen helpen als daar voordelen bij de sterke bedrijven tegenover staan, merkte hij. “Dat is wat anders dan de Bijbelse solidariteit. Solidariteit in de seculiere geest is: ik geef als jij mij wat geeft. Maar in de christelijke traditie betekent solidariteit dat je geeft omdat eerder aan jou is gegeven. Daar hoef je niets voor terug.”
In onze kapitalistische samenleving is dat besef weggezakt, weet Steeghs. “Dan is het dus lastig met mensen die daar van huis uit niets over meekregen het gesprek aan te gaan.”

 

Zandgrond

 

Sinds de Tweede Wereldoorlog is de landbouw een verdienmodel geworden. Terwijl dat eigenlijk niet past bij de aard van het boerenbedrijf. Steeghs: ”Voor mijn opa en de generaties voor hem was het boerenbedrijf een manier van leven. Hij was een keuterboer. Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de jaren zestig kwam de schaalvergroting op gang. 1968 was een sleuteljaar, denk ik. Het was niet alleen het jaar van de seksuele en de burgerlijke revolutie, vanaf dat moment verzakelijkte het boerenbedrijf. ”
Vanaf de negentiende eeuw zorgden coöperaties voor de randvoorwaarden: als verzekeringen en melkfabrieken. “Vanaf de jaren zestig gingen die instituties commercieel denken en schaalvergroting stimuleren. Mijn voorouders waren zandboeren. Zand is arme grond. Vandaar dat de intensieve veehouderij in Oost-Brabant snel opkwam”.
Boeren gingen veel meer varkens houden, geholpen door de mechanisatie. “Er konden veel grotere stallen komen. Dat voltrok zich allemaal binnen een paar jaar. Rond 1970 is er een saneringsronde geweest - nog voor mijn tijd - waarbij een aantal boeren zijn afgehaakt. Andere boerderijen, zoals dat van mijn vader, zijn opgeschaald.”
Veel boeren voelden zich niet thuis bij de gedwongen schaalvergroting, vertelt Steeghs. “Maar er zaten ook echte ondernemers tussen. Die gingen iedere paar jaar verdubbelen en waren midden jaren ‘80 schatrijk. In die centrifugale kracht ging iedereen mee, van varkenshouderijen in Oost-Brabant tot de Gelderse Vallei. Het was een nieuwe tijd, een tijd van optimisme.”
In 1972 kwam ook het rapport van de Club van Rome uit. “Wat daarin stond, wilde niemand horen. Varkensboeren gingen gewoon door met steeds meer stallen bijzetten.”

 

Abraham

 

Veel van de huidige problemen zijn dus in de afgelopen veertig jaar ontstaan. Wat is er nodig om het tij te keren? “Er hoeft niet van bovenaf van alles worden geroepen. Er is inlevingsvermogen van onderop nodig. Informele netwerken die onbaatzuchtig bereid zijn boeren te helpen, die tegen het winstdenken ingaan. Ik zie ook een rol en een opdracht voor kerken. De Bijbel is een heel aards boek.”
En het gaat ook over sociale rechtvaardigheid, zegt Steeghs. “Ik heb geprobeerd dat aan te kaarten bij de Rabobank, bij de LTO, maar die  staan allemaal in de overlevingsstand. Pas had ik een gesprek met een wethouder. Ik heb hem geadviseerd: kies één dorp uit en begin een bezoekproject. Bezoek er alle boeren. En begin dan niet met een vraag over iets dat je in de media hebt gehoord over hun problemen. Maar je kunt wel naar hun verhalen luisteren, misschien mensen bij elkaar brengen. God begon ook niet bij de hele wereld, hij begon bij één volk. Bij één persoon zelfs: Abraham, en hij liet hem de sterren zien. Daar geloof ik in, in die benadering. Als je meteen een groot plan uitrolt, gaan de hakken in het zand.”
Niet lang geleden presenteerde minister Schouten van Landbouw haar visie. Wat verwacht hij van de landbouwplannen van de minister?
“Ik volg het op hoofdlijnen, niet in detail. Zij is natuurlijk gevraagd beleid uit te zetten dat voortbouwt op dat van vele voorgangers. Je merkt wel dat haar boerenafkomst heel goed valt bij boeren. Maar haar rol wordt ook overvraagd. Tot 1994 was de minister van Landbouw zo ongeveer de spreekbuis van boeren. Bij de paarse kabinetten is een kentering gekomen. Toen kregen we voor het eerst een minister van D66-huize, Brinkhorst.
Het is positief dat er nu weer een apart ministerie van Landbouw is, en dat de minister iemand is die het snapt. Maar zoals ik al zei zit de hele landbouworganisatie in een overlevingsmodus. Ik hoop dat het lukt om menswaardigheid wat meer in het spel te laten meespelen. Het is nu hartstikke zakelijk allemaal.”
De boer is geen BV, het voor- en het achterhuis zijn met elkaar verbonden, dat loopt allemaal door elkaar. Bovendien: een boer werkt met levende dieren en planten die een beperkte houdbaarheid hebben. Dat is heel kwetsbaar.”
Steeghs denkt dat kerken een rol kunnen spelen in het organiseren van steun van onderaf. Hij werkt daartoe bijvoorbeeld samen met Jacobine Gelderloos, die onlangs promoveerde op plattelandskerken. “Ik werk vooral in een katholieke context. Sommige pastoors zijn boerenzoon, die hebben nog wel affiniteit met landbouw. Maar anderen hebben het al druk met de problemen van gewone gemeenteleden. Extra aandacht voor boeren en hun gezinnen is dan gewoonweg niet haalbaar.”

 

Hoop

 

Kort nadat hij besloot niet verder te boeren, ging Steeghs  theologie studeren. Wat betekent hoop in zijn werk? “Hoop houdt je gaande. Als iemand geen hoop meer heeft, kun je dat in zijn ogen lezen. Dan mag er een traan vallen. Anders kom je niet bij je eigen diepere laag. Soms lijkt de situatie inderdaad uitzichtloos. Dan probeer ik met meerdere mensen te bekijken hoe het verder moet.”
Juist het religieuze perspectief kan boeren helpen tegenwicht te bieden aan het winstdenken. “In de landbouw gespecialiseerde coaches doen heel goed werk. Maar boeren en tuinders zijn voor hen ook een verdienmodel. Zij bereiken vooral kapitaalkrachtige boeren. Die hebben dan een conflict met de buren dat ze willen oplossen, of ze willen hun ondernemersvaardigheden vergroten. Maar een grote groep wordt niet bereikt.”
Er zijn kleinschalige netwerken nodig, vindt Steeghs. “Ik probeer mensen wel praktisch te helpen, maar ik weet natuurlijk ook niet alles van de recente ontwikkelingen. Dat hoeft ook niet, is mijn ervaring. Het gaat om de vragen erachter. Waarom automatiseert een boer alles? Waarom mijdt hij samenwerking?  En dan krijg ik natuurlijk wel bijna altijd vragen terug: hoe zat dat dan bij jou? Dan is mijn achtergrond als boer wel winst natuurlijk.”

www.vroedman.nl  
 

Lees verder

'Het kerkelijk bedrijf kraakt in zijn voegen'

02-11-2018

De dominee preekt wel, maar komen zijn woorden nog over, landen ze in de wereld van zijn hoorders? In de serie De nieuwe dominee stelt Arjan Plaisier dat de tijd waarin het woord dominant was, aan het voorbijgaan is. Wat betekent dat voor de preek? CW onderzoekt de valkuilen en mogelijkheden voor de toekomst in een serie interviews over ‘de nieuwe dominee’. Vandaag deel 3.

‘Het huidige protestantisme zit in de gevarenzone’, schreef Arjan Plaisier, oud-scriba van de PKN, tegenwoordig missionair predikant in Apeldoorn, in het blad Wapenveld.
‘De eeuwen van de interpretatie en de hermeneutische theologie zijn aan het voorbijgaan’. Maar een Sombermans is Plaisier allerminst. “Het orthodoxe protestantisme heeft alles in huis voor een doorstart.”

U pleit voor een ‘nieuwe directheid’ in de verkondiging. Betekent dat meer evangelicale radicaliteit en minder nuance en zorgvuldigheid?
“Als kerkgangers aangeven dat ze het evangelie in ronde woorden willen horen dan zijn predikanten er als de kippen bij om te zeggen dat ze ervoor zijn opgeleid het Woord genuanceerd te brengen. Terecht. Maar laten we ook niet te gauw concluderen dat de gemeente louter bestaat uit simplisten, die hapklare brokken willen.
Kan het zijn dat er een culturele kloof ontstaat? Predikanten maken deel uit van de lees- en reflectiecultuur. Wij zijn gepokt en gemazeld in de republiek van de letteren. Die republiek heeft het zwaar, met simplisme, populisme, met de ideologisering van het leven.
Voor veel kerkgangers is die republiek passé, door de social media en de beeldcultuur. Het levensgevoel maakt het niet makkelijk contact te houden met de boodschap van de kerk. Dan loop je als predikant de kans dat je afzwaait in een ‘evangelische’ richting of naar een soort ‘praktisch christendom’.”
U zegt eigenlijk: wen er maar aan. Het hangt van het aanpassingsvermogen van de prediker af, om de diepgang en complexiteit van het christelijk geloof te vertalen naar de eenvoud.
“We hoeven niet onze huid af te stropen. Maar we kunnen er niet omheen dat de gemeente van karakter en samenstelling is veranderd. Niet overal even ingrijpend, maar het is wel de trend. Je kunt vandaag niet hele verhandelingen gaan houden over de tekst, de achtergrond en de verbanden.
Waarmee niet gezegd is dat je dan maar moet kiezen voor een aanpak van ‘grote stappen, gauw thuis’. De spanningsboog van de hoorder is korter, het lontje ook. Als predikant kan ik niet klakkeloos meegaan met de beweging in de cultuur, maar ik heb wel mijn hoorders serieus te nemen. Dat betekent niet: simplisme, maar wel: dit is het Woord van de Heer dat ons vandaag wordt opgelegd. Daarvan ben ik de dienaar.”

Nu bent uzelf goed in staat een meeslepend verhaal te houden voor mensen met een kort lontje en korte aandachtsspanne. Waarom kiest u daar niet voor?
“Als het goed is, is een preek altijd een meeslepend verhaal. Het is geen mitrailleursalvo, dat je de kerk in knalt. Het is een vertoog, een discours; een verhaal dat raakt. Maar je moet je realiseren dat het verhaal landt in een heel andere kring van hoorders dan pakweg 30 jaar geleden.”

Maar we betreden in de kerk een andere wereld. Een wereld waarin God Zelf het woord neemt, is toch een andere, vreemde wereld?
“Natuurlijk gaat het om God. Hij is cultureel gezien passé, ook voor de kerkmens. Maar in de kerk gaat het erom dat we binnenkomen in de wereld van God, in God zelf. De hamvraag is: hebben we nog een thema? Of zeggen we: hier heb je de Schrift en daar het alledaagse leven en daartussen moet de predikant bemiddelen; maar wat de Schrift dan precies zegt, wisselt nogal.
De hermeneut probeert die twee werelden met elkaar te verbinden. De hoorder moet binnenkomen in de wereld van de Bijbeltekst. Omgekeerd probeer je de wereld van de Bijbel te laten raken aan het leven van nu. Dat is allemaal niet fout. Maar waar gaat het allemaal over? Gaat het uiteindelijk over God, over Jezus Christus, over het eeuwige leven… of kunnen we dat niet meer zeggen?
Augustinus stelt allereerst die vraag: waar gaat het christelijk geloof over? Je kunt zeggen: lees je dan niet door de ‘bril’ van een voorgegeven samenvatting? Dat gevaar is reëel. Maar het omgekeerde is ook een groot gevaar: de Schrift uitleggen zonder heldere visie op de kern van het christelijk geloof. Dan kunnen preken nog zulke leuke, interessante en herkenbare betogen zijn, maar dan zijn ze niet meer dan dat.
We moeten ons in de kerk realiseren dat we onderdeel zijn van de openbaring van God in deze wereld, die zijn summum heeft gevonden in Jezus Christus. Daarmee staat of valt alles. Als dat niet meer aan de orde komt, dan verdampt de substantie van het geloof. Je kunt wel Bijbelverhalen vertellen - die zijn inderdaad goed - maar er moet ook een gedeeld besef zijn van het geloof van de kerk van alle tijden en plaatsen. En daarin gaat het over God, de Schepper, de Verlosser, de Voltooier.”

Je kunt in elke tekst wel iets vinden dat interesse kan wekken of hoorders kan raken. U zegt: het gaat om de beleving van de werkelijkheid van God. Hoe belemmeren we nu die werkelijkheid?
“Dat heeft te maken met diepe verschuivingen in de cultuur. Luther maakte nog deel uit van een objectieve cultuur. Maar de manier waarop God werkt, kwam niet meer tot uitdrukking in de vastgekoekte rituelen van toenmalige Rooms-Katholieke Kerk. Luther breekt met die praktijken, maar niet met de objectiviteit van God. Hij zei: God werkt nu via het gesproken woord, in gewone taal. De predikant legt de woorden van God op de ziel van de mens. Het gaat er om dat je je als hoorder daaraan toevertrouwt.
Wij zitten vandaag in een totaal andere situatie, wij beschouwen de werkelijkheid vanuit onze subjectiviteit. Dat is het gevolg van de salto mortale die in onze cultuur heeft plaatsgevonden. Daar kun je allerlei verklaringen voor vinden. Waarschijnlijk is één daarvan dat de objectiviteit werd gespleten in diversiteit en pluriformiteit. Wat was nu de goede kerk? De Rooms-katholieke of de protestantse, de gereformeerden of de lutheranen? Dat heeft tot confessionalisme en godsdienstoorlogen geleid.
De Verlichting bracht de ‘oplossing’ door primair uit te gaan van de ratio. En dan vinden we het wel oké dat we zo nu en dan nog wat meekrijgen van christendom, Bijbel, normen en waarden. Die positie is ons lot, zou ik bijna zeggen. Maar met die subject-houding zitten we tegelijkertijd zó fout. Want niet wij doen aan God, maar God doet aan ons. Wij zijn niet bezig met een stukje zingeving, God werkt aan ons, Hij is bezig om ons ‘om te turnen’, tot onderdeel van zijn werkelijkheid.
We zitten allemaal gebakken aan die subject-positie en dat gaat ons niet in de kouwe kleren zitten. In dit verband kan het sacrament veel directere taal spreken. Je wordt gedoopt. Je gaat onder in het water. Daarin dien je te sterven en op te staan. In brood en wijn ontvang je Christus zelf en word je ingelijfd in Zijn lichaam.
Woorden hebben veel meer rek- en speelruimte dan de sacramenten. Woorden zijn nodig, maar ze kunnen ook vervliegen in overwegingen, gezichtspunten. Is er nog iets voelbaar van urgentie? Staat er iets op het spel?”

Waar is de dragende werkelijkheid van God? Is die er wel?
“Er leeft wel een verlangen naar God. Men wil geen gepalaver, het moet wel persoonlijk zijn. Het moet ook wel over Christus gaan. Het is bijna als in de tijd van de Reformatie. Het hele kerkelijke bedrijf kraakt in zijn voegen en daar sta je dan, om onder een open hemel vertolker te zijn.
Na de Reformatie is wel snel weer een nieuwe kerkelijke cultuur gecreëerd, en dat was maar goed ook. Alleen de retorica van Luther had het ook niet uitgehouden. Er ontstond daarom heel snel een resocialisatie. De verkondiging van het woord functioneert binnen de liturgie, met de sacramenten, een kerkenraad, een kerkcultuur.
Vandaag lijken we weer een stap verder te gaan. Alsof er weer een kerkelijke cultuur afbrokkelt en verdwijnt. Dan blijft de eenzame verkondiger over. Of kerkgangers zoeken het in de muziek. Bij die eenzame voorganger denk ik aan uitzendingen van Family7. Een man op een podium, met een grote bijbel in de hand. Er moet een ‘gemeente’ bediend worden, zonder enige liturgische context. Alles hangt af van de kwaliteit van die prediker.
Een andere mogelijkheid is dat kerkgangers kiezen voor het event, de conferentiecultuur van There is more, Opwekking, enzovoorts. Grote bijeenkomsten met een quasi-liturgische context. Het is zoeken naar iets nieuws, omdat de kerkelijke liturgische context te doods of afgebladderd is. Dan moet het event een belevingskick gegeven.”

We moeten dus terugkeren, maar waarnaartoe?
“Back to basics. Na alle naoorlogse golfbewegingen - maatschappijkritische theologie, missionaire theologie - is het tijd terug te keren. Het mooie is dat wij niet steeds alles opnieuw hoeven uit te vinden. We kunnen terugvallen op het credo, de sacramenten. We kunnen leentjebuur spelen in het grote huis van het christendom. Bij katholieken met hun eerbied voor de hostie, bij Oosters-orthodoxen met hun hemelse liturgie, bij pentecostalen met hun ervaring van de Geest.
Wij protestanten, met onze lange traditie van Schriftuitleg, hebben het in deze tijd moeilijk. Maar een terugkeer naar het bijbels abc kan loei-spannend zijn. De kosmische Christus die tegelijkertijd innerlijker is dan je meest innerlijke gedachte. Hoe boeiend is dat? Het gaat om het oude en altijd weer fascinerende: de openbaring van God. Het is groots, overweldigend, hartverscheurend, je gaat er aan kapot en je staat erin op. Dat verzin ik niet - het is het bijbels abc.”

Hier wilt u naar toe, deze verfrissende herontdekking…
“Ja, voorbij de problematisering. Problematiseren is eigenlijk pogen om nog te redden wat er te redden valt. Het is een ervaring die God zelf geeft, want wij problematiseren ons suf. Tot het bevrijdende doorbreekt, dat groter is dan ons hart en ons denken.”

Kun je dat bijbels abc inoefenen?
“Ja, het is een inoefenen. Niet voor niets is leerling-zijn vandaag weer ‘in’. Dat betekent ook: we houden nu eens even onze mond, we gaan het weer leren. Het is te groot voor ons om het te benoemen. Het omvat ons, want Gód wil wat met ons. We worden weer ingewijd in dit leven met God.
Je merkt het ook aan de belangstelling voor het monastieke, en het devotionele: laten we eens ophouden met praten. Ik vind Hem voorbij woorden. Ik liep buiten - zoals Augustinus zegt - en U was al binnen. We hoeven niet iets af te dwingen of te bezweren. Het is ook niet hopeloos: God blijft de Schepper, Hij is diep verbonden met ons leven, Hij heeft ons al omarmd in Christus, dat is een breed-katholieke gedachte.”

Kun je nog wel met frisse ogen de Schrift lezen? Daar zitten toch interpretaties en tradities tussen?
“Dat is ook zo. Het heeft ook soms te maken met bijziendheid. En met de doorbraak van het echte zicht: maar wacht eens, achter die tekst zit de levende God die wat met ons, met deze wereld aan het doen is.”

En dan gaat het erom dat de predikant zijn/haar rol als bemiddelaar serieus neemt.
“Je doet je naam eer aan: Verbi Divini Minister, dienaar van het Woord.”

Daar zit wel een spanning in: Je wilt jezelf uit het centrum hebben, tegelijkertijd heb je als predikant een belangrijke functie.
“We leven in een expressieve cultuur. Daar kun je niet omheen. Maar het begint en eindigt niet met onze expressiviteit, of onze interpretatie. Ik wil niet met een grote armzwaai alles van tafel vegen. Laat me er nog iets relativerends aan toevoegen: de preek is ook niet alles, hè. Het is de grandeur en misère van het protestantisme.
Je ontmoet weleens mensen die meer dan duizend preken hebben gehoord en daar niet heel veel splendids van terug weten te geven. Duizend preken! Wat is er dan niet over je uitgestort? En het lijkt van hen te zijn afgegleden als water van een eend. Sla de preek dus niet te hoog aan.”

Je voert een pleidooi voor nieuwe verhoudingen: Gods werkelijkheid is stabiel, groter dan we denken. Wij zijn afhankelijk van die werkelijkheid. Als wij denken het in de vingers te hebben, glipt het er doorheen.
“Heil geschiedt alleen als het van de andere kant komt. Goede theologie begint met het grote verhaal, het visioen, het zien van de dansende sterren. Theologie komt voort uit sterke bindingen. Aan Christus en aan het geloof van de kerk.”

U kunt dat zeggen, vanwege uw kennis van de grote traditie: Augustinus, Newman, en zo meer. U hangt aan de rekstok en u zwaait soepel van de ene theologische reus naar de andere. Anderen moeten dat leren. Want zijn we dat niet aan het kwijtraken?
“Ja, daar moeten we alert op zijn. Want in en door al die grote namen uit de traditie heeft Christus gewerkt. In de grote spirituele, liturgische en homiletische traditie van de kerk. In de grote intellectuelen en de stille devoten. We hebben schreeuwend behoefte aan de schatten die zij hebben nagelaten.”


Arjan Plaisier was een van de sprekers op de IZB-studiedag ‘Verlossende woorden spreken’.

tekst Kees van Ekris en Koos van Noppen, beeld Koos van Noppen

Lees verder

‘Er is een andere vorm van leiderschap nodig’

19-10-2018

‘Ook bij praktische zaken is vaak geestelijke leiding nodig’

‘Het ambt van predikant is aan herziening toe’, hoor je regelmatig. Gaat het mis, en waar precies? Je bent nu eenmaal leider als predikant, zei Alex Boshuizen in CW 18. Maar leiderschap is een besmet begrip geworden. CW onderzoekt de valkuilen en mogelijkheden voor de toekomst in een serie interviews over ‘de nieuwe dominee’. Vandaag deel 2: Hanneke Ouwerkerk.

Hanneke Ouwerkerk (35), predikant in Schoonhoven, vertelt over de voetangels en klemmen maar ook over het mooie van leidinggeven in de kerk. En over de kerkenraad en hoe het anders kan met die vergaderingen.

“Eigenlijk gebruik ik het woord ‘leider’ nooit, ik noem mezelf liever voorganger, en dat ben ik natuurlijk ook als predikant. Maar ik merk wel dat ik toch leider ben, ik neem die leidende rol op me. Eigenlijk is het fascinerend dat ik dat woord leider zoveel mogelijk vermijd. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de leiders op het politieke toneel van nu. Ik heb het liever over dienstbaarheid.
Maar leiderschap hoort ook bij het ambt, dat wil zeggen, dienend leiderschap. Het ambt als dienst aan de Heer en de gemeente is een mooie bescherming tegen een verkeerd soort leiderschap.
Het predikantschap situeer ik midden in de gemeente, maar als dienaar van het Woord ben ik het toch die op de kansel klimt. Het leiderschap zit hem voor een groot deel in de verkondiging. Daar begin ik op maandag mee en dat gaat de hele week door mee tot aan de ochtenddienst op zondag. De preek ontstaat dus door de week, ook weer in het midden van de gemeente.
Overigens geeft niet alleen de predikant leiding, ook de ouderlingen en diakenen doen dat. In het pastoraat bijvoorbeeld wordt van hen verwacht dat ze bidden en Bijbellezen. Wij hebben nu een paar jongere ouderlingen die daar duidelijk minder moeite mee hebben. Het leiderschap houdt je wel vrij, dat heb ik scherper leren zien.
Over triviale dingen is soms onvrede in de gemeente. Ik merk dat onze gemeente wel die leidende rol vraagt, zeker ten aanzien van liturgie, de verkondiging en het kringwerk dat ik doe. De mensen luisteren en leren graag.
Ik heb de indruk dat er veel behoefte is aan duiding, aan waarheid en wijsheid, en aan iemand die een tijdje met je oploopt. In die zin ervaar ik dat het ambt veel gewicht heeft, mensen hopen en verwachten een waar en goed woord/Woord.”


Praktische zaken
“We hebben bij ons in Schoonhoven een grote kerkenraad, de gemeente is van oorsprong mede gereformeerd (er zit ook een hervormd-confessionele stroom in onze gemeente) en er is dus veel van onderop georganiseerd. Er is bijvoorbeeld een grote diaconie, en er is ook nooit gebrek aan mensen die diaken willen worden. De kerkenraad vergadert ook regelmatig zonder mij.
Dat leek eerst een goed idee, zij kunnen zich dan buigen over de praktische zaken. Maar praktische zaken kunnen zomaar belangrijke vragen met zich meebrengen. Heb je een of twee diensten op een zondag? En wat als er nog maar weinig mensen komen? Er is dus vaak meer aan de hand dan alleen een praktische beslissing.
Dan ben ik blij dat ik er toch bij ben. Ik moet dan helpen: waar gaat het hier eigenlijk over? Dat is geestelijk leiderschap. Maar als ik er niet ben tijdens zo’n vergadering, dan wordt het alleen een praktische kwestie. Daar wil ik dus graag alert op blijven.”


Jongeren
“Ik richt me in mijn gemeente vooral op de jongeren, zeg maar de mensen van onder de 45 jaar. Er is veel verwarring en onzekerheid bij hen, er wordt erg getrokken aan mijn generatie, het is druk, er zijn relatieproblemen.
Ik heb wel de indruk dat ik iets voor hen kan betekenen, ik kan richting en vorming geven, goede woorden zeggen. Ik probeer hen te helpen door hen onderscheid te leren zien, tussen mindfulness en bidden bijvoorbeeld. ik maak me er zorgen over dat voor veel mensen het leven een last is.
Als ik op een vrije zondagmorgen zelf naar een preek luister, denk ik wel eens: ‘Heb je enig idee in wat voor wereld ik leef?’


Prediker
“Op de kring voor dertigers en veertigers heb ik laatst Prediker besproken. ‘Dit is me uit het hart gegrepen’, zei een van de deelnemers, en toen durfden anderen dat ook te bekennen: het leven is soms onuitsprekelijk vermoeiend.
Iemand die vaak met me meedenkt over de thema’s was eerst bang dat het te zwaar zou zijn. Maar Prediker bleek juist een goede keus, als Prediker al niet meer kan in de kerk, houd dan maar op. We willen zo graag hoop en vreugde maar zo is het leven nu eenmaal niet altijd. Ik ben blij dat ik de ruimte krijg voor dat kringwerk. Er is zo veel behoefte aan! Het loopt hier storm…
Er wordt vaak met de Bijbel omgegaan alsof het een fossiel is dat je voorzichtig op moet pakken, alsof het een oud erfstuk is dat zomaar vergeelt of verbrokkelt, en er weinig meer overblijft dan de herinnering. Maar het Woord klinkt vandaag, het is de stem van de Heer die vandaag tot ons spreekt. Zo lees en hoor ik het Woord, en zo leg ik het ook open in de gemeente.
Je moet leren hoe je de Bijbel in het nu leest. O ja, en dan zonder al die boekjes waarmee je wordt doodgegooid. Daar heb je vaak niks aan. Het zegt mij in ieder geval niets, al die makkelijke en oppervlakkige kreten. We moeten gewoon weer zelf de Bijbel gaan lezen.


Wederkerigheid
Vergis je overigens niet, de vragen van dertigers en veertigers leven veel breder. De ouderen zijn immers ook vader en moeder, opa en oma. Dat is nu een van die situaties waarin ik leiding moet geven, ik maak duidelijke keuzes.
Ouderenpastoraat doe ik alleen als er een crisis is. Daar wordt wel eens over geklaagd en dat is heel begrijpelijk, het gaat ook bij ouderen om heel belangrijke vragen. En misschien gaat het nu ook wel te veel naar één kant. Maar ik moet kiezen.
Maar ondanks dat zoek ik zeker ook naar de eenheid en de verbondenheid als gemeenschap. Die is er ook wel, maar ik hoop dat er nog meer wederkerigheid en verbondenheid komt, dat oudere mensen hun wijsheid en opgedane genade delen met struikelende jongeren. En dat diepgelovige jonge mensen hun hoop delen met gedesillusioneerde ouderen.
In de verkondiging probeer ik daar iets zichtbaar van te maken, vanuit het Evangelie. Dan is dat onderscheid er niet, tussen jong en oud.”
“De gemeente moet zelf ook dingen gaan doen, onderling pastoraat bijvoorbeeld. Als iemand tegen mij zegt dat die-en-die al een tijd niet meer in de kerk is geweest, zeg ik dan ook: ‘Dat is jouw buurman, of jouw kennis’. Ga er naartoe!’


Andere vorm
De kerkenraadstructuur functioneert over het algemeen wel maar ik zou liever een andere vorm van leiderschap hebben. Daar wordt ook aan gewerkt.
We hebben bijvoorbeeld een omslag gemaakt in het pastoraat. Dat was hier helemaal geïnstitutionaliseerd, en er waren niet genoeg mensen meer voor te krijgen. Nu heeft iedereen een paar mensen naar wie hij of zij omkijkt, terwijl er minder ouderlingen zijn. Ik merk dat dat goed werkt: we delen waar we alert op moeten zijn.  Maar de kerkenraadsvergaderingen zouden er eigenlijk heel anders moeten uitzien, met meer ruimte voor een andere vorm van leiderschap. In plaats van vergaderingen een avond van bezinning, verootmoediging, gebed, en Bijbellezen. Het zou veel meer in het teken van bezinning moeten staan, bij leven bij het Woord.
In mijn vorige gemeente heb ik dat wel geprobeerd maar het is niet gelukt. Ik weet niet waaraan dat lag: het kwam misschien op het verkeerde moment.
Maar de structuur van de kerkenraad zoals die nu is, past de meeste mensen niet meer. Ik heb dat ook wel eens gezegd in de kerkenraad: ‘mijn generatie gaat dat echt niet meer doen op deze manier…’.”

 

Hanneke Ouwerkerk (35) is predikant van de protestantse gemeente De Hoeksteen te Schoonhoven en Willige Langerak.
Het kringwerk dat zij doet bestaat uit catechese voor kinderen vanaf 12 en vanaf 15 jaar, een verdiepingscursus voor 18 tot 35 jaar, en een kring voor dertigers en veertigers.

 

tekst Ineke Evink , beeld IZB

Lees verder

'Dominee verdient menselijke maat'

11-10-2018

‘Het ambt van predikant is aan herziening toe’, hoor je regelmatig. Waar gaat het dan precies mis? Klopt het dat predikant een eenzaam beroep is, en wat heeft dat voor invloed op de slagkracht van de kerk? CW onderzoekt de valkuilen en mogelijkheden voor de toekomst in een serie interviews over ‘de nieuwe dominee’. Vandaag deel 1: Alex Boshuizen.

Dominee Gert Hutten was er duidelijk over, onlangs in het blad OnderWeg (www.onderwegonline.nl): ‘Eigenlijk geloof ik er niet meer in, in dominee-zijn op die manier. Het is gewoon niet te doen. Op een gegeven moment had ik zes begrafenissen achter elkaar, waaronder kinderen. En dan moet ik gewoon doorknallen ofzo? Net doen of het geen pijn doet? Wat een onzin! Toen ik bij de huisarts kwam, zei hij: ‘Dit is belachelijk. Als ik een kind begeleid bij het sterven, staat er een team collega’s voor me klaar, hebben we intervisie en alles.”

Het blad OnderWeg interviewde Hutten, parttime dominee in een Gereformeerde Kerk vrijgemaakt in Arnhem, en daarnaast directeur van de christelijke organisatie Tot Heil Des Volks.

Hij heeft het met zijn twee banen minder druk dan toen hij nog fulltime predikant was, zegt hij in hetzelfde interview. En minder eenzaam vooral. ‘Ik merk, wanneer ik open ben naar collega’s, dat bijna iedereen die eenzaamheid herkent.’

Hoog tijd eens te onderzoeken waar de knelpunten zitten en wat de gevolgen zijn voor de kerken van eenzaamheid bij predikanten. Is dat misschien waarom de ambten in de kerk zo impopulair zijn?

Alex Boshuizen is coach en parttime predikant in de Nederlands Gereformeerde kerk van Heemstede.

Boshuizen coacht onder meer beginnende predikanten. Wat vinden zij het moeilijkst aan het vak?

“De drukte. Je wordt van het ene op het andere moment ondergedompeld in de drukte en de verantwoordelijkheid. In de opleiding die ik ken, de Nederlands Gereformeerde predikantenopleiding, is wel een verbeterslag gemaakt. Studenten doen nu al tijdens hun studie ervaring op in pastoraat. In mijn tijd kon je in theorie afstuderen zonder ooit één pastoraal gesprek te hebben gevoerd. Dat vind ik nog steeds belachelijk.  Nu worden studenten veel beter voorbereid op de praktijk. Ook is er meer aandacht voor persoonlijke vorming. Vooraf moet je wat over jezelf weten: wie ben ik? Wat vind ik belangrijk? Wat zijn de valkuilen van mijn persoonlijkheid?

Je moet in ieder geval zorgen dat je je tijd afbakent. Ik merk dat beginnende predikanten een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Ik zag pas dat een collega zijn mail had uitgezet, omdat hij ziek was. Maar hij mailde wel: kan iemand dan en dan voorgaan? Ze zeggen niet: ik ben ziek dus nu kan ik even helemaal niets meer.”

 

In een interview in Onderweg zegt Hutten over het predikantschap: 'Het is een functie die eenzaam maakt'.

“Die eenzaamheid hangt ermee samen dat alle verbanden door elkaar lopen. Vriendschappen, je sociale leven, maar ook je professionele leven: alles loopt doorelkaar in de kerk. Daarbij komt dat het vak vraagt dat je je als geestelijk leider profileert. En tegelijkertijd werk je met mensen die mogen rekenen op absolute vertrouwelijkheid. Ik denk weleens: dat is eigenlijk bezopen.

Vroeger zeiden predikanten: ‘Je moet in de kerk absoluut geen vrienden hebben. Dat gaat altijd mis’. En dat terwijl een belangrijke reden om je aan te sluiten bij een gemeente is, dat je daar vrienden hebt. Wij hebben wèl het risico genomen vriendschappen aan te knopen in de kerk, je werkt er 60 uur en je hebt geen tijd voor andere vrienden. De klassieke manier waarop predikanten werken is heel veeleisend en druk. Maar ik heb het al lang geleden zo georganiseerd dat die druk ervan af is.”

 

Vakantie

Hoe is dat zo gekomen? In zijn eerste gemeente werd hij ondergedompeld in het werk, vertelt hij. “Na een jaar zei ik: twee preken per week, dat ga ik niet redden. Ik heb dat toen onderhandeld naar anderhalve preek per week, de rest van de diensten ruilde ik. Ik herinner me uit die tijd dat ik een keer op vrijdagmiddag al klaar was met mijn preken. Dat voelde als vakantie. Ik werkte toen zes dagen, en doordeweeks altijd drie dagdelen. Het was belachelijk maar ik deed het wel.”

Hij werd dan ook zo moe dat hij niet meer kon. “Daar heb ik veel van geleerd. Ik heb geleerd te kijken naar wat ik - met wie ik ben - nodig heb om gezond te blijven. Dat is natuurlijk een minimum.

Ik herinner me dat ik last had van mijn nek. De fysiotherapeut vroeg hoe lang ik dat al had. Een half jaar, zei ik. ‘Het zit een beetje vast.’ Een beetje?’ zei de fysiotherapeut. En ook toen ik haar na de vakantie sprak: ‘je hebt nu een week aan je herstel gewerkt. Nu heb je een week vakantie nodig’. Pas later zag ik in dat ze gelijk had.”

 

Taakopdracht

Boshuizen: “In Oegstgeest, mijn tweede gemeente had ik het geluk dat ik een voorzitter van de kerkenraad trof, die mij vroeg waar ik van oplaadde. Af en toe een paar dagen stilte, zei ik. ‘Dan zetten we dat in je taakopdracht’, zei hij. Ik denk dat weinig gemeentes dat zeggen: wij willen dat je eens in de zes weken een halve week stilte neemt.”

Toen de gemeente groeide, nam ook het werk toe. “Ik ben toen strakker aan vakanties gaan vasthouden. Bij vakanties regelde ik, ook als ik thuis was, vervanging voor het geval van een begrafenis.”

Een aantal jaren geleden ging hij een stap verder door een coachpraktijk te beginnen. Daarmee creëert hij nu zelf de nodige ruimte. “Nu werk ik nog voor 60% als gemeentepredikant en voor 40% in de coachingspraktijk, samen met mijn vrouw. Dat heeft als voordeel dat ik in de zomermaanden maar voor 60% hoef te werken. Voor de rest loop ik dan wat omzet mis, maar dat is dan jammer. Ik kan nu ook zeggen: woensdag ben ik klaar met de preek, en ik ben donderdag, vrijdag en zaterdag weg. Wat ik ook weleens doe.”

Boshuizen: “Wat mijn weekschema betreft ben ik ook  laconieker geworden. Bij een begrafenis is het nu zo dat ik mijn agenda leegmaak. Dat doen weinig collega’s, die hebben het dan gewoon even heel veel drukker. Maar ik merk dat iedereen het begrijpt als ik het uitleg dat ik een uitvaart heb. Dus dan ben ik die week even niet bij die commissievergadering.”

In het interview in Onderweg geeft Gert Hutten het voorbeeld van een moment dat hij zes begrafenissen achter elkaar had, waaronder kinderen. En dat er achteraf geen intervisie was.

Boshuizen: “Dat is er inderdaad niet als je het niet zelf regelt. Dat is een belangrijke les. Dat je heel bewust keuzes moet maken om je eigen ruimte te scheppen.”

 

Stress

Kun je een burn-out aan zien komen?  “Je kunt het aan zien komen als je weet waar je op moet letten. Maar meestal is het te laat. Ik had een keer een collega aan de telefoon, hoorde zijn verhaal en ried hem aan om meteen zijn huisarts te bellen. Hij vond het niet zo nodig. ‘Je moet het nu doen!’ zei ik. Hij belde me later terug en zei: ‘Moet je horen! Hij wil dat ik onmiddellijk stop!’ Hij was daar heel verbaasd over. Je kunt het voor jezelf heel lang niet zien.”

Boshuizen ziet overigens stress niet alleen negatief. Het kan ook bijdragen aan goede prestaties. “Dat is ook het mooie van de manier waarop we geschapen zijn. Een mens kan veel stress aan. Er zijn daardoor periodes waarin we veel kunnen presteren. God heeft ons wonderbaarlijk gemaakt. Maar de kick van de prestatie kan ervoor zorgen dat je te lang doorgaat en dat je dan niet anders meer kan dan stoppen.”

Er zijn veel dingen bij een predikant die, in de termen van de managementgoeroe Stephen Covey,  belangrijk zijn én dringend. “Het je kunt bijvoorbeeld wel één keer zeggen ‘het is niet gelukt met de preek’ maar dat kun je niet drie keer achter elkaar doen. En als iemand belt in een crisis, moet je optreden. Als je dat niet wilt, moet je geen dominee worden.”

Dat is een nadeel van het vak, dat er het gevaar is dat je snel veel energie verbruikt. Bij Covey is er ook een categorie zaken waarvan je oplaadt, die belangrijk zijn maar niet dringend. Een goed boek lezen, sporten, zorgen dat je fit blijft. Als je je daarin verdiept hebt, kun je zien aankomen dat het niet goed zit.

“Ik moest zelf door een periode heen van echt niet meer kunnen. Bij mijn eerste gemeente ging het mis, maar ben ik toch weer opgekrabbeld. Toen kreeg ik aan het begin van de tweede gemeente een boost van alles wat nieuw was. Maar na anderhalf jaar kwam de klap alsnog. Toen heb ik bijna een seizoen lang op een heel laag tempo gewerkt. Minder gepreekt, alle avonden vrij gehad. En ondertussen heb ik me bezonnen op de vraag waar dit vandaan kwam.”

 

Stress wordt wel uitgelegd als een onbalans in draaglast en draagkracht. Op welke punten zou de draaglast van een predikant moeten verminderen?

“Dat verschilt per predikant. Volgens mij is dat de grote bottleneck. Na een academische studie is het gewoonlijk zo dat ieder zijn eigen pad volgt: de één duikt bij wijze van spreken in de bibliotheek, en de ander wordt ceo van Shell. Zo zie je dat ieder eigen gaven heeft en een eigen ontwikkeling doormaakt. En de één kan veel meer stress aan dan de ander.

Maar als predikant gaan we allemaal hetzelfde doen. Ik zie collega’s die heel hard werken en bij wie ik denk: je zou niet zo hard moeten werken. Maar bij hen is er misschien niets op tegen is. Dat maakt dat het lastig is het predikantschap helemaal op je persoonlijke maat in te vullen.”

 

Op uw website zegt u wel dat bezinning en verdieping ‘opzienbarende resultaten’ hebben opgeleverd.

“Ja. Ik werk veel met de categorieën van Stephen Covey, die al eerder langskwam in dit gesprek. Veel predikanten besteden een hoop tijd aan dingen die in Stephen Covey’s derde categorie zitten: dringend, maar niet belangrijk. Algemene mailtjes, sociale media. Of je iets daarin wilt veranderen hangt af van hoe je leeft, of wat je belangrijk vindt.

En dan heb je nog de  categorie ‘niet belangrijk, niet dringend’. Daar moet je natuurlijk bij wegblijven. Het kan zijn dat googlet op een bepaalde bijbeltekst en dan twee uur bij een youtubefilmpje blijft hangen. Het is goed om te onderkennen welk probleem daar dan achter zit.

Maar opzienbarend is wat er kan gebeuren als je aandacht besteedt aan dingen die ‘belangrijk, maar niet dringend’ zijn. Voor mij zijn dat de retraites waarmee ik in Oegstgeest kon beginnen. Een collega beschreef eens iets wat hij heel mooi vond om te doen. We zeiden tegen hem: probeer ’t eens. Elke dag een uur. Drie maanden later kwam hij terug en zei: je weet niet wat er gebeurd is. Ik merk dat de voorbereiding van mijn preek sneller gaat, dat ik beter preek, en dat mijn preken beter landen.

Dat kan  van alles zijn - schilderen, muziek maken - als het maar iets is wat je heel erg oplaadt. Maar soms zegt iemand ‘ik ga toch niet midden op de dag schilderen?’.

 

Hangt de stress bij predikanten ook samen met bredere maatschappelijke ontwikkelingen? Jan Martijn Abrahamse promoveerde op een proefschrift met als titel ‘de ontmanteling van de dominee’ Hij pleit  ervoor om terug te gaan naar de kern, woord en sacrament.

“Dat is inderdaad de kern, maar daar hoort wel de dimensie van het pastoraat bij. Anders preek je in de leegte. Als je lekker relaxed in je studeerkamer je preken maakt, loop je het risico dat je het contact verliest. Met mijn parttime aanstelling ben ik niet eindverantwoordelijk voor het pastoraat, maar ik weet niet hoe ik predikant moet zijn zonder pastoraat. En het hoort ook bij mijn rol om aan te schuiven bij bepaalde commissies. Dus in de praktijk komt er veel werk bij. Daar ontkom je niet aan en dat is ook prima.”

 

‘De ontmanteling van de dominee’ klinkt een beetje alsof we af moeten van het traditionele gezag van de dominee.

“Een dominee die uitstraalt dat dat hij of zij alles weet heeft, terecht, geen best leven. Maar het is verwarrend. Op dat gebied zijn allerlei  paradigma’s aan het schuiven. Enerzijds past het in onze tijd dat een predikant net als iedereen aanschuift in de gemeente. Ik vind het bijvoorbeeld ook leuk dat de kinderen in de kerk - terwijl ik toch geen jonge dominee meer ben - me gewoon met Alex aanspreken. Soms is het ‘dominee Alex’ - daar zit al wat meer afstand in.

Dat laagdrempelige past bij onze cultuur. Maar wat daarbij ingewikkeld is, is dat je als je preekt, automatisch de plek inneemt van een geestelijk leider. Dat kun je wel niet willen, maar je bent het gewoon. Als je je geroepen voelt Gods woord uit te leggen, zet je jezelf neer als leider. Onherroepelijk. En als je dan ook nog in de kerkenraad functioneert, ben je medeverantwoordelijk voor beleid. Het venijnige in onze tijd is dat dus je niet per se geestelijk leider bent, maar het wel moet waarmaken.

Dat was 40 jaar geleden anders. Als de dominee even niet zo vaak op pastoraal bezoek kon komen, dan was dat gewoon de predikant. Dat moest hij weten. Dat is nu anders. En dat vraagt andere dingen van een predikant. Ik denk daarom - en dan preek ik natuurlijk voor eigen parochie - dat iedere predikant elke drie jaar door een sessie van supervisie heen moet. Dat je over een langere periode iemand met je mee laat kijken in je werk en in je drijfveren. Zo kun je je motivaties onderzoeken en reflecteren op je onzekerheden en angsten. Reflectie blijkt vaak een krachtig middel; dan kan het zijn dat je dingen opschrijft die je eigenlijk daar helemaal niet wilt hebben staan.

Dus ik zou zeggen: geef iedere predikant de ruimte om goed naar zichzelf te kijken, dit regelmatig te doen, en op tijd te ontdekken waar het eventueel mis gaat. Wat wil je bereiken en wie betaalt daarvoor de prijs?’

 

In hoeverre kunnen predikanten in teamverband werken, op locatie, naar het voorbeeld van een huisartsenpost?

“In principe denk ik dat dat heel goed kan als je bij elkaar in de buurt werkt. Ik weet van collega’s die dat doen met hun preekbespreking. Die zitten één of twee dagdelen samen te studeren. Hoe pak jij die tekst aan? En sowieso doen veel predikanten aan intervisie, dat je op een of andere manier je werkwijze spiegelt aan die van anderen. Dat gebeurt steeds vaker.”

 

Bij intervisie denk ik aan een paar keer per jaar bij een kop koffie een casus bespreken. Wanneer is intervisie genoeg?

“Het is genoeg als je veel discipline hebt, een goede structuur, en je in vrijheid dingen kunt leren. En als de veiligheid absoluut gewaarborgd is.”

 

Nels Fahner

Lees verder

Gastvrijheid is ook spiritualiteit

07-09-2018

Iedereen is welkom in de kerk, de deur staat elke zondag open. Dat is als het goed is meer dan een trucje om mensen binnen te loodsen, het is een manier van kerkzijn die invloed heeft op alles wat er in de kerk gebeurt: zingen, spreken en bidden. En zelfs de manier waarop je collecteert, betoogt Stefan Paas in de aanloop naar de landelijke Kerkproeverij.

Het Evangelie naar Johannes begint met een aardig verhaaltje over een uitnodiging. Jezus is bezig met het uitkiezen van zijn leerlingen, degenen die hem de komende tijd zullen volgen. Een van die leerlingen is Filippus, uit Betsaïda. Er staat dat Jezus hem vond toen hij op weg was naar Galilea. Hij nodigde hem uit: ‘Volg mij.’ En dat deed Filippus. Maar dat niet alleen. Hij ging op zoek naar zijn goede vriend Natanaël, om die ook uit te nodigen.

Als het over ‘uitnodiging’ gaat, denk ik altijd aan dit verhaaltje over Filippus en Natanaël. Je kunt het allemaal heel moeilijk maken, maar dat is toch de kern: getuigenis. En een ‘getuigenis’ is wat anders dan een gelikt promopraatje, of voor één keer per jaar net doen alsof je heus een heel hippe kerk bent. Het is ook niet een antwoord hebben op alle vragen.

In het hart van de uitnodiging zit kwetsbaarheid, zeker in deze postchristelijke cultuur. Uitnodiging is altijd getuigen. Dat geldt volgens mij trouwens niet alleen bij de kerk, het geldt bij alles. Ook bij de muziekschool en de voetbalclub; het gaat uiteindelijk niet om de ledenlijst of om de begroting, het gaat om het verhaal dat verteld wordt, de bezieling die wordt overgedragen.

 

Zonder kromme tenen

Als ik hier weer met een Bijbelse observatie mag beginnen: het valt me op hoezeer de apostel Paulus verwacht, het vanzelfsprekend vindt, dat de gemeente gastvrij is.

Toen wij ruim tien jaar geleden begonnen met Via Nova in Amsterdam, wilden we een kerk waar je zonder kromme tenen je vrienden en collega’s mee naartoe kon nemen. We hebben de hele kerk, de liturgie, de cultuur in de gemeente, de organisatie, de manier van leidinggeven, de website en wat ook maar, doordacht en opgezet vanuit dit principe van gastvrijheid.

We wilden een uitnodigende kerk zijn. En ik heb gemerkt dat dit veel meer is dan een trucje, veel meer dan marketing. Gastvrijheid is als een zuurdesem; het doortrekt je hele manier van kerkzijn, het vormt je theologie en spiritualiteit, de taal die je spreekt, de liederen die je zingt, de manier waarop je collecteert en voorbede doet.

Een gastvrije kerk doet niet gastvrij, zo eens per jaar; een gastvrije kerk ís gastvrij. Het valt me op dat in vrijwel alle nieuwere kerken, zowel hier in Nederland als elders in Europa of in Amerika - en juist in de meer seculiere delen van de wereld - gastvrijheid de kernpraktijk is die alle andere praktijken van het gemeenteleven vormgeeft.

Misschien begint het wel in het hart van het gemeentezijn: de viering, de liturgie. De gastvrijheid van de liturgie begint daar waar die niet meer een eentweetje is tussen de professionele theoloog (dominee, priester) en de organist, maar echt een ‘werk van het volk’ wordt.

Vanaf het allereerste begin hebben wij de voorbereiding van de viering op zondag altijd met zoveel mogelijk mensen gedaan. We hebben mensen voor de muziek en de liederen, voor de verbeelding (dat wil zeggen: foto’s, filmfragmenten, kunst), voor de interactiemomenten, en ga zo maar door.

Mijn eigen rol als voorganger is eigenlijk beperkt tot het aandragen van een ruwe schets van m’n preek, een paar weken van tevoren. Ik heb gemerkt dat dit uit handen geven van je macht een enorme vreugde geeft.

 

Ruimte maken

Gastvrijheid begint misschien wel daar waar degenen die de macht in de gemeente hebben een stapje terug durven doen en ruimte maken voor de inbreng van anderen. Wij hebben bijvoorbeeld twee tot drie liturgische formats gemaakt - variërend op de ingrediënten van de klassieke liturgie en passend bij de tijd van het kerkelijk jaar.

Zo van buiten naar binnen denken - want dat is het eigenlijk als je gastvrijheid als DNA neemt - maakt natuurlijk ook dat je kijkt naar je website en je gebouw.

Websites van kerken zijn vaak of gortdroog en zeer informatiedicht, of ze staan vol foto’s van mensen met de ogen in aanbidding dicht, maar wat ze gemeen hebben: ze zijn gericht op kerkmensen, niet op mensen. Dus kijk nog eens naar je website samen met mensen die je als gast zou willen uitnodigen. Laat hen advies geven, eerlijk en direct.

Idem dito met het gebouw. Hoeveel kerkgebouwen zijn nu echt uitnodigend? Natuurlijk, je hebt prachtige oude gebouwen met veel glas in lood. Die verkopen zichzelf wel, zogezegd. Maar het gros van de kerkgebouwen is wanhopig specialistisch: stralen vooral uit dat dit voor mensen is die van de hoed en de rand (soms letterlijk) weten. Kantoorgebouwen voor Gods grondpersoneel.

Onduidelijk informatie, met afkortingen die alleen voor ingewijden te begrijpen zijn, parkeerplaatjes met bordjes ‘alleen voor de predikant’, of met ‘ophaaldienst’ (kun je daar chinees krijgen?). Kijk naar zo’n gebouw met de ogen van een buitenstaander: is het vooral een clubhuis of echt een gastvrij gebouw? Straalt het warmte uit?

 

Ongeïnteresseerd

Gastvrijheid is wat anders dan slimme manieren vinden om mensen te recruteren. In een cultuur als de onze is de meerderheid totaal niet geïnteresseerd in het bijwonen van een kerkdienst of lid worden van een kerk, en het maakt echt niet uit hoeveel marketing je erin investeert - dat blijft zo.

Gastvrijheid gaat veel dieper; het is echt een manier van zijn. Het is geen instrument om zo missionair effectiever te zijn; gastvrijheid is de missie.

Gastvrijheid kun je op zoveel manieren invullen. Het is meer een DNA dan een serie tips en tops. Het hangt er ook een beetje van af wat voor kerk je bent, hoe heilig je liturgie is, wat voor mensen je in huis hebt, uit welke traditie je komt.

In onze eigen kerk hebben we een liturgie die verzorgd is en gestructureerd, maar wel inclusief. Wij zijn kerk voor mensen, niet voor kerkmensen, zeggen we altijd.

Dus om protestants te beginnen: we preken alsof de hele stad meeluistert. Altijd, of er nu gasten zijn of niet. We doen het niet voor gasten; we doen het simpelweg omdat dit is wat we zijn. In taal van deze tijd, over alle teksten van de Bijbel, en vol in contact met de tijd.

We zeggen altijd: mensen hoeven heus niet alles te begrijpen, maar ze moeten wel het idee hebben dat ze gezien en gehoord zijn. We praten nooit over mensen alsof ze er niet bij zijn, dus ook niet over mensen uit andere kerken, ‘ongelovigen’, moslims, boeddhisten, PVV’ers, PvdA’ers, of wie dan ook.

 

Uitleggen

Het mooiste compliment dat ik kan krijgen als prediker is wanneer iemand uit de gemeente zegt: ‘Afgelopen woensdag hadden we een training op het werk, en toen heb ik wat dingen uit de preek van zondag genoemd. Dat sloot er geweldig op aan!’

En ga er maar van uit dat zo iemand de volgende keer een collega uitnodigt. Want met uitnodigen is het toch een beetje zo: zolang je mensen steeds moet vertellen dat ze toch vooral anderen moeten uitnodigen, dan ben je als kerk waarschijnlijk niet gastvrij genoeg. En dat doen we dus ook nooit.

We doen gewoon altijd alsof er gasten zijn, ook door bijvoorbeeld kort de onderdelen van de liturgie uit te leggen. Ook door telkens weer te zeggen: we gaan zingen, voel je vrij om mee te doen, maar prima als je liever kijkt en luistert. Door altijd te vertellen hoe lang de dienst gaat duren, want kerkmensen denken al veel te snel dat iedereen dat wel weet. En zo maar door: gastvrij zijn, niet doen. En als je dat doet, dan krijg je steeds meer samenkomsten waar mensen gaan denken, achteraf: Daar had m’n buurvrouw bij moeten zijn. En dan heb je bingo.

 

Broedplaats

Gastvrijheid gaat ook over ‘third places’: plekken om elkaar te ontmoeten, zonder dat ze meteen heel kerkelijk voelen. Bij ons en bij veel andere nieuwe kerken gebeurt dat haast vanzelf al, doordat je geen eigen gebouw hebt.

Wij zitten in een broedplaats, een voormalig pathologisch-anatomisch laboratorium, dat nu helemaal wordt gebruikt door filmmakers en een art-house bioscoop. Wij zitten beneden in de kelder, waar vroeger pathologisch-anatomische dingen gebeurden, waarover ik nu niet zal uitweiden, maar het punt is: in ons gebouw zijn wij zowel gast als gastheer.

Wij delen het met anderen die er wonen en werken en mooie dingen maken. Ik kan het iedere kerk aanbevelen, omdat het meteen al iets weghaalt van de rare spanning dat de kerk de gastheer is en de ander de ‘gast’, die ‘jouw’ gebouw mag binnenkomen.

Maar anders zijn er andere ‘third places’: een inloophuis misschien, een kroeg, een boekwinkel, een jeugdhonk, een bioscoop, huiskamerconcerten - ik heb allerlei voorbeelden gezien waar mensen elkaar spontaan kunnen ontmoeten en hun levens kunnen delen. Kerken kunnen daar veel meer mee doen, ook qua uitnodiging.

En mocht u denken: dat is allemaal ‘horizontaal gedoe’. Dat is het niet! Dat is voluit christelijk! Gastvrijheid is geen marketing, het is ook geen organisatiemodel, en het is ook niet ‘vrijzinnig’.

Tussen haakjes: onderzoek laat zien dat kerken die het meest verweven zijn met hun buurt het minste last hebben van allerlei spanningen tussen ‘evangelicaal’ en ‘vrijzinnig’. Hoe dieper het contact met Gods missie in de buurt, hoe meer zulke verschillen relatief blijken te zijn.

 

Relaties aangaan

Maar mijn punt is: gastvrijheid is ook spiritualiteit.

Als gastvrijheid je missie is, draait het niet allereerst om wat wij in bezit hebben dat we anderen kunnen aanbieden. Het draait erom dat we relaties aangaan en ons leven open maken, omdat we geloven dat daardoorheen God ons roept bij zijn zaak, ons verandert als mensen naar zijn beeld. Gastvrij kerkzijn heeft alles te maken met de Geest: met fijngevoeligheid ontwikkelen voor zijn aanwezigheid.

Als ik hier nog een Bijbelverhaal mag noemen: het verhaal van de verloren zoon. Wat me altijd zo enorm treft in dat verhaal is nog niet eens dat die jongen thuis mag komen en dat zijn vader hem omarmt - zie dat geweldige schilderij van Rembrandt.

Nee, wat me daarin raakt is de oudste zoon: als zijn broer thuiskomt, ontdekt hij voor het eerst hoe zijn relatie met zijn vader echt is. En dat blijkt niet zo best te zijn; hoe lang hij ook al bij zijn vader woont, en hoeveel tijd hij ook met hem doorbrengt, als de verloren zoon, zijn broer, thuiskomt, wordt hij ontmaskerd. En uit die ontmaskering volgt een nieuwe uitnodiging door zijn vader aan hem: ‘Zoon, je broer was dood en is levend; kom naar binnen en vier het feest.’

Gastvrijheid is hard nodig, omdat dit de belangrijkste manier is waarop God de gemeente vormt en uitdaagt en dicht bij hem brengt.

De kerk is een plek van gastvrijheid, een plek waar de aarde gastvrij is voor de hemel en waar de hemel een beetje open gaat voor de aarde.

Een plek waar mensen ruimte maken door lief te hebben, door zelf een stapje terug te doen zonder zelf te verdwijnen. Een plek, of een netwerk van plekken, waar echte ontmoeting kan gebeuren. ‘Kom en proef dat de Heer goed is.’

 

Prof. dr. Stefan Paas (Apeldoorn, 1969) is hoogleraar missiologie en interculturele theologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en hoogleraar missiologie aan de Theologische Universiteit Kampen.

Deze tekst is een bewerkte lezing op een voorbereidingsdag voor Kerkproeverij 2018: op 15 of 16 september nodigen kerkgangers vrienden, kennissen, buren, collega’s uit om eens mee te gaan naar een dienst in hun vaste godshuis.

Vorig jaar was dit voor het eerst. Honderden kerken uit 22 kerkgenootschapen deden mee.

Lees verder