CW Opinie - Hét christelijke opinieblad

CW Opinie houdt u betrokken bij kerkelijk en christelijk Nederland. Maar ook bij Nederlandse christenen die actief zijn in het buitenland. Iedere twee weken actuele verhalen, achtergronden, interviews, columns, boekbesprekingen en nog veel meer. Lezers van CW Opinie zijn meelevende christenen uit nagenoeg alle protestantse kerken.

content image

 

Speciale aanbieding
voor nieuwe lezers!

 

content image

Deze editie

‘Het ambt van predikant is aan herziening toe’, hoor je regelmatig. Waar gaat het dan precies mis? Klopt het dat predikant een eenzaam beroep is, en wat heeft dat voor invloed op de slagkracht van de kerk? CW onderzoekt de valkuilen en mogelijkheden voor de toekomst in een serie interviews over ‘de nieuwe dominee’. Vandaag deel 1: Alex Boshuizen.

Lees verder 

Eerdere verschenen artikelen

Gastvrijheid is ook spiritualiteit

07-09-2018

Iedereen is welkom in de kerk, de deur staat elke zondag open. Dat is als het goed is meer dan een trucje om mensen binnen te loodsen, het is een manier van kerkzijn die invloed heeft op alles wat er in de kerk gebeurt: zingen, spreken en bidden. En zelfs de manier waarop je collecteert, betoogt Stefan Paas in de aanloop naar de landelijke Kerkproeverij.

Het Evangelie naar Johannes begint met een aardig verhaaltje over een uitnodiging. Jezus is bezig met het uitkiezen van zijn leerlingen, degenen die hem de komende tijd zullen volgen. Een van die leerlingen is Filippus, uit Betsaïda. Er staat dat Jezus hem vond toen hij op weg was naar Galilea. Hij nodigde hem uit: ‘Volg mij.’ En dat deed Filippus. Maar dat niet alleen. Hij ging op zoek naar zijn goede vriend Natanaël, om die ook uit te nodigen.

Als het over ‘uitnodiging’ gaat, denk ik altijd aan dit verhaaltje over Filippus en Natanaël. Je kunt het allemaal heel moeilijk maken, maar dat is toch de kern: getuigenis. En een ‘getuigenis’ is wat anders dan een gelikt promopraatje, of voor één keer per jaar net doen alsof je heus een heel hippe kerk bent. Het is ook niet een antwoord hebben op alle vragen.

In het hart van de uitnodiging zit kwetsbaarheid, zeker in deze postchristelijke cultuur. Uitnodiging is altijd getuigen. Dat geldt volgens mij trouwens niet alleen bij de kerk, het geldt bij alles. Ook bij de muziekschool en de voetbalclub; het gaat uiteindelijk niet om de ledenlijst of om de begroting, het gaat om het verhaal dat verteld wordt, de bezieling die wordt overgedragen.

 

Zonder kromme tenen

Als ik hier weer met een Bijbelse observatie mag beginnen: het valt me op hoezeer de apostel Paulus verwacht, het vanzelfsprekend vindt, dat de gemeente gastvrij is.

Toen wij ruim tien jaar geleden begonnen met Via Nova in Amsterdam, wilden we een kerk waar je zonder kromme tenen je vrienden en collega’s mee naartoe kon nemen. We hebben de hele kerk, de liturgie, de cultuur in de gemeente, de organisatie, de manier van leidinggeven, de website en wat ook maar, doordacht en opgezet vanuit dit principe van gastvrijheid.

We wilden een uitnodigende kerk zijn. En ik heb gemerkt dat dit veel meer is dan een trucje, veel meer dan marketing. Gastvrijheid is als een zuurdesem; het doortrekt je hele manier van kerkzijn, het vormt je theologie en spiritualiteit, de taal die je spreekt, de liederen die je zingt, de manier waarop je collecteert en voorbede doet.

Een gastvrije kerk doet niet gastvrij, zo eens per jaar; een gastvrije kerk ís gastvrij. Het valt me op dat in vrijwel alle nieuwere kerken, zowel hier in Nederland als elders in Europa of in Amerika - en juist in de meer seculiere delen van de wereld - gastvrijheid de kernpraktijk is die alle andere praktijken van het gemeenteleven vormgeeft.

Misschien begint het wel in het hart van het gemeentezijn: de viering, de liturgie. De gastvrijheid van de liturgie begint daar waar die niet meer een eentweetje is tussen de professionele theoloog (dominee, priester) en de organist, maar echt een ‘werk van het volk’ wordt.

Vanaf het allereerste begin hebben wij de voorbereiding van de viering op zondag altijd met zoveel mogelijk mensen gedaan. We hebben mensen voor de muziek en de liederen, voor de verbeelding (dat wil zeggen: foto’s, filmfragmenten, kunst), voor de interactiemomenten, en ga zo maar door.

Mijn eigen rol als voorganger is eigenlijk beperkt tot het aandragen van een ruwe schets van m’n preek, een paar weken van tevoren. Ik heb gemerkt dat dit uit handen geven van je macht een enorme vreugde geeft.

 

Ruimte maken

Gastvrijheid begint misschien wel daar waar degenen die de macht in de gemeente hebben een stapje terug durven doen en ruimte maken voor de inbreng van anderen. Wij hebben bijvoorbeeld twee tot drie liturgische formats gemaakt - variërend op de ingrediënten van de klassieke liturgie en passend bij de tijd van het kerkelijk jaar.

Zo van buiten naar binnen denken - want dat is het eigenlijk als je gastvrijheid als DNA neemt - maakt natuurlijk ook dat je kijkt naar je website en je gebouw.

Websites van kerken zijn vaak of gortdroog en zeer informatiedicht, of ze staan vol foto’s van mensen met de ogen in aanbidding dicht, maar wat ze gemeen hebben: ze zijn gericht op kerkmensen, niet op mensen. Dus kijk nog eens naar je website samen met mensen die je als gast zou willen uitnodigen. Laat hen advies geven, eerlijk en direct.

Idem dito met het gebouw. Hoeveel kerkgebouwen zijn nu echt uitnodigend? Natuurlijk, je hebt prachtige oude gebouwen met veel glas in lood. Die verkopen zichzelf wel, zogezegd. Maar het gros van de kerkgebouwen is wanhopig specialistisch: stralen vooral uit dat dit voor mensen is die van de hoed en de rand (soms letterlijk) weten. Kantoorgebouwen voor Gods grondpersoneel.

Onduidelijk informatie, met afkortingen die alleen voor ingewijden te begrijpen zijn, parkeerplaatjes met bordjes ‘alleen voor de predikant’, of met ‘ophaaldienst’ (kun je daar chinees krijgen?). Kijk naar zo’n gebouw met de ogen van een buitenstaander: is het vooral een clubhuis of echt een gastvrij gebouw? Straalt het warmte uit?

 

Ongeïnteresseerd

Gastvrijheid is wat anders dan slimme manieren vinden om mensen te recruteren. In een cultuur als de onze is de meerderheid totaal niet geïnteresseerd in het bijwonen van een kerkdienst of lid worden van een kerk, en het maakt echt niet uit hoeveel marketing je erin investeert - dat blijft zo.

Gastvrijheid gaat veel dieper; het is echt een manier van zijn. Het is geen instrument om zo missionair effectiever te zijn; gastvrijheid is de missie.

Gastvrijheid kun je op zoveel manieren invullen. Het is meer een DNA dan een serie tips en tops. Het hangt er ook een beetje van af wat voor kerk je bent, hoe heilig je liturgie is, wat voor mensen je in huis hebt, uit welke traditie je komt.

In onze eigen kerk hebben we een liturgie die verzorgd is en gestructureerd, maar wel inclusief. Wij zijn kerk voor mensen, niet voor kerkmensen, zeggen we altijd.

Dus om protestants te beginnen: we preken alsof de hele stad meeluistert. Altijd, of er nu gasten zijn of niet. We doen het niet voor gasten; we doen het simpelweg omdat dit is wat we zijn. In taal van deze tijd, over alle teksten van de Bijbel, en vol in contact met de tijd.

We zeggen altijd: mensen hoeven heus niet alles te begrijpen, maar ze moeten wel het idee hebben dat ze gezien en gehoord zijn. We praten nooit over mensen alsof ze er niet bij zijn, dus ook niet over mensen uit andere kerken, ‘ongelovigen’, moslims, boeddhisten, PVV’ers, PvdA’ers, of wie dan ook.

 

Uitleggen

Het mooiste compliment dat ik kan krijgen als prediker is wanneer iemand uit de gemeente zegt: ‘Afgelopen woensdag hadden we een training op het werk, en toen heb ik wat dingen uit de preek van zondag genoemd. Dat sloot er geweldig op aan!’

En ga er maar van uit dat zo iemand de volgende keer een collega uitnodigt. Want met uitnodigen is het toch een beetje zo: zolang je mensen steeds moet vertellen dat ze toch vooral anderen moeten uitnodigen, dan ben je als kerk waarschijnlijk niet gastvrij genoeg. En dat doen we dus ook nooit.

We doen gewoon altijd alsof er gasten zijn, ook door bijvoorbeeld kort de onderdelen van de liturgie uit te leggen. Ook door telkens weer te zeggen: we gaan zingen, voel je vrij om mee te doen, maar prima als je liever kijkt en luistert. Door altijd te vertellen hoe lang de dienst gaat duren, want kerkmensen denken al veel te snel dat iedereen dat wel weet. En zo maar door: gastvrij zijn, niet doen. En als je dat doet, dan krijg je steeds meer samenkomsten waar mensen gaan denken, achteraf: Daar had m’n buurvrouw bij moeten zijn. En dan heb je bingo.

 

Broedplaats

Gastvrijheid gaat ook over ‘third places’: plekken om elkaar te ontmoeten, zonder dat ze meteen heel kerkelijk voelen. Bij ons en bij veel andere nieuwe kerken gebeurt dat haast vanzelf al, doordat je geen eigen gebouw hebt.

Wij zitten in een broedplaats, een voormalig pathologisch-anatomisch laboratorium, dat nu helemaal wordt gebruikt door filmmakers en een art-house bioscoop. Wij zitten beneden in de kelder, waar vroeger pathologisch-anatomische dingen gebeurden, waarover ik nu niet zal uitweiden, maar het punt is: in ons gebouw zijn wij zowel gast als gastheer.

Wij delen het met anderen die er wonen en werken en mooie dingen maken. Ik kan het iedere kerk aanbevelen, omdat het meteen al iets weghaalt van de rare spanning dat de kerk de gastheer is en de ander de ‘gast’, die ‘jouw’ gebouw mag binnenkomen.

Maar anders zijn er andere ‘third places’: een inloophuis misschien, een kroeg, een boekwinkel, een jeugdhonk, een bioscoop, huiskamerconcerten - ik heb allerlei voorbeelden gezien waar mensen elkaar spontaan kunnen ontmoeten en hun levens kunnen delen. Kerken kunnen daar veel meer mee doen, ook qua uitnodiging.

En mocht u denken: dat is allemaal ‘horizontaal gedoe’. Dat is het niet! Dat is voluit christelijk! Gastvrijheid is geen marketing, het is ook geen organisatiemodel, en het is ook niet ‘vrijzinnig’.

Tussen haakjes: onderzoek laat zien dat kerken die het meest verweven zijn met hun buurt het minste last hebben van allerlei spanningen tussen ‘evangelicaal’ en ‘vrijzinnig’. Hoe dieper het contact met Gods missie in de buurt, hoe meer zulke verschillen relatief blijken te zijn.

 

Relaties aangaan

Maar mijn punt is: gastvrijheid is ook spiritualiteit.

Als gastvrijheid je missie is, draait het niet allereerst om wat wij in bezit hebben dat we anderen kunnen aanbieden. Het draait erom dat we relaties aangaan en ons leven open maken, omdat we geloven dat daardoorheen God ons roept bij zijn zaak, ons verandert als mensen naar zijn beeld. Gastvrij kerkzijn heeft alles te maken met de Geest: met fijngevoeligheid ontwikkelen voor zijn aanwezigheid.

Als ik hier nog een Bijbelverhaal mag noemen: het verhaal van de verloren zoon. Wat me altijd zo enorm treft in dat verhaal is nog niet eens dat die jongen thuis mag komen en dat zijn vader hem omarmt - zie dat geweldige schilderij van Rembrandt.

Nee, wat me daarin raakt is de oudste zoon: als zijn broer thuiskomt, ontdekt hij voor het eerst hoe zijn relatie met zijn vader echt is. En dat blijkt niet zo best te zijn; hoe lang hij ook al bij zijn vader woont, en hoeveel tijd hij ook met hem doorbrengt, als de verloren zoon, zijn broer, thuiskomt, wordt hij ontmaskerd. En uit die ontmaskering volgt een nieuwe uitnodiging door zijn vader aan hem: ‘Zoon, je broer was dood en is levend; kom naar binnen en vier het feest.’

Gastvrijheid is hard nodig, omdat dit de belangrijkste manier is waarop God de gemeente vormt en uitdaagt en dicht bij hem brengt.

De kerk is een plek van gastvrijheid, een plek waar de aarde gastvrij is voor de hemel en waar de hemel een beetje open gaat voor de aarde.

Een plek waar mensen ruimte maken door lief te hebben, door zelf een stapje terug te doen zonder zelf te verdwijnen. Een plek, of een netwerk van plekken, waar echte ontmoeting kan gebeuren. ‘Kom en proef dat de Heer goed is.’

 

Prof. dr. Stefan Paas (Apeldoorn, 1969) is hoogleraar missiologie en interculturele theologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en hoogleraar missiologie aan de Theologische Universiteit Kampen.

Deze tekst is een bewerkte lezing op een voorbereidingsdag voor Kerkproeverij 2018: op 15 of 16 september nodigen kerkgangers vrienden, kennissen, buren, collega’s uit om eens mee te gaan naar een dienst in hun vaste godshuis.

Vorig jaar was dit voor het eerst. Honderden kerken uit 22 kerkgenootschapen deden mee.

Lees verder

Duurzaamheid wordt steeds meer mainstream, maar het kan nog beter

29-06-2018

Voor de beweging Groengelovig, onlangs bijeen in Ede, staat het als een paal boven water: als je christen bent, geef je om de schepping. Maar boeren, burgers en natuurbeschermers staan vaak tegenover elkaar, als het om duurzaamheid gaat. Dat moet anders.

Zo’n 130 mensen kwamen naar de Groengelovig-bijeenkomst op vrijdag 15 juni in het gebouw van de Christelijke Hogeschool Ede. Doel: de kloof tussen boeren, burgers en natuurbeschermers dichten, want die hebben elkaar nodig. En nu maar hopen op olievlekwerking.

In de hoge lichte aula was het glazen plafond al bedekt met witte zonneschermen, maar desondanks liep de temperatuur af en toe hoog op. Halverwege de dag kwamen er kannen water met citroen en munt langs. De deelnemers komen overal vandaan. Het zijn boswachters, boerenzonen en -dochters met zelf een ander beroep, mensen die actief zijn in de politiek en kerken.

Christenen in beweging voor de schepping, is het motto van Groengelovig. ‘Voedsel verbindt’ is het hoofdthema. Weet je wat er op je bord ligt? Wat koop je in de supermarkt, waar komt het vandaan? En ook belangrijk: hoe ga je verspilling tegen? Want verspild wordt er, door producenten, consumenten, restaurants en supermarkten.

 

Diepe kloof

Dagvoorzitter Elsbeth Gruteke introduceert Carla Dik-Faber, Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie en een van de drijvende krachten achter Groengelovig. De politiek is niet ver weg, en dat is geen wonder met zo veel wet- en regelgeving op voedsel- en duurzaamheidsgebied van zowel Europa als Nederland.

De grote uitdaging is zorgen voor verbinding tussen boer en burger, vertelt Dik-Faber. Want er is een diepe kloof ontstaan tussen beiden, waarbij de ger van alles van de boer verwacht, zoals goedkoop en veilig voedsel, maar tegelijkertijd wil dat de boer rekening houdt met broedende vogels en bloeiende bermen. De boer komt op zijn beurt de burger nauwelijks tegen, alles wat hij produceert bereikt de burger via de supermarkt.

Franciscaanse minderbroeder Rangel uit Stadsklooster San Damiano in ’s-Hertogenbosch verzorgt de opening van Groengelovig met onder meer - hoe kan het anders - een gebed van de heilige Franciscus. Hij was tot kort geleden kok in het klooster in Megen en kookte daar aan de hand van twee stelregels: niet meer nemen dan de aarde kan voortbrengen, en rekening houden met mensen elders op de wereld. Duurzaamheid gaat verder dan alleen zorgdragen voor het milieu, zegt Rangel. Duurzaam leven doe je door eerbied te hebben voor de hele schepping, voor iedereen en alles.

 

Natuur

Een middag is zo om en daarom gaat alles in hoog tempo. Er zijn drie speed-lectures, en daarna social hacketons waarbij 21 groepen van vijf of zes mensen in een twee uur een idee en de uitvoering daarvan moeten bedenken voor duurzaam leven.

De verbinding tussen natuur, boer en burger is af te lezen aan wie de speed-lectures verzorgen: directeur van Natuurmonumenten Mark van den Tweel, boer en ZLTO-er Hans Huijbers, en lector Ethiek en Technologie bij hogeschool Saxion Martine Vonk, die de rol van consument op zich neemt.

Van den Tweel is zich goed bewust van de nauwe band tussen boer en burger. “Natuur is in Nederland in feite gestold agrarisch verleden, het is erfgoedbeheer.” Echte oernatuur is er al lang niet meer in Nederland, maar er zijn wel gebieden voor wilde planten en dieren.

Natuur is ook wat burgers zelf kunnen doen in hun eigen tuin, en wat gemeentes kunnen doen aan beheer van de bermen. Op intensief beheerd grasland echter is geen plaats meer voor kruiden en vogels, die kunnen daar niet leven.

Van den Tweel wil weg blijven van de schuldvraag. Boeren zijn immers ook ondernemers die leveren wat de consument wil: goed en goedkoop voedsel voor een lage prijs. En dat krijgt hij. Want ons voedsel is nog nooit zo goedkoop en gevarieerd geweest. Slechts 11 procent van het gemiddelde inkomen gaat naar voedsel. We zijn samen verantwoordelijk voor een duurzame wereld: boer, consument, supermarkt en tussenhandel.

Wordt het allemaal niet wat elitair en duur, met dat biologische eten, vraagt Gruteke hem. Dat hoeft niet, antwoordt Van den Tweel. Je kunt ook weidemelk kopen, dat is maar een fractie duurder terwijl boeren die hun koeien buiten laten grazen meer geld voor hun melk krijgen.

 

Duizend dilemma's

Boer Hans Huijbers uit de Noord-Brabantse Kempen is dan ondernemer alleen, hij is ook verzorger. Het leven van een boer is complex geworden. “Wij staan voor duizend dilemma's.” Die Ecologische Hoofdstructuur (EHS), met al zijn beperkingen voor boeren, vindt Huijbers bijvoorbeeld een onding. Ook de banken spelen een kwalijke rol, ze jagen boeren op. “Als een boer alleen maar ondernemer is, neemt de economie het erf over.” Huijbers verlangt terug naar de brede economie van vroeger, naar contact tussen boer en burger.

Hoe kunnen burgers daarbij helpen, vraagt Gruteke. Neem de dilemma’s van de boer serieus, antwoordt Huijbers.

Vonk, die de consument vertegenwoordigt, is een wel heel bewuste consument. Twintig jaar geleden studeerde ze Milieukunde en jarenlang had ze haar eigen bedrijf op dat terrein. Maar de andere kant kent ze als boerendochter ook. De verbinding tussen boer en consument komt tot stand via voedsel, maar consumenten staan vaak ver af van de boer.

Maar er is hoop. Boeren staan steeds meer open voor duurzaamheid, en consumenten ook. De laatste cijfers laten zien dat bijna de helft van de consumenten op duurzaamheid let als ze iets kopen, en ook bereid zijn daarvoor te betalen. Vijf jaar geleden was dat nog maar 30 procent. Ongeveer evenveel mensen letten op dierenwelzijn.

Afhankelijk van de supermarkt bedraagt het aandeel duurzame producten 12 tot 22 procent. Meer plantaardige eiwitten, minder vlees, dat is de toekomst, zegt Vonk.

Mag ik straks geen biefstukje meer, vraagt Gruteke? Dat mag best, maar minder vaak, en biologisch. En moeten de kerken niet actiever worden? Dat is vanzelfsprekend, vindt Vonk. De schepping, dat is immers niet alleen de mens.

 

Paprikasoep

De social hackaton - een groep mensen die in een kort tijdsbestek een idee bedenken en uitwerken - is voor velen een nieuw concept, maar de deelnemers storten zich er met hart en ziel op. Er zijn 21 groepen van een man of vijf, zes en in een moordend tempo bedenken ze manieren om een leefbare wereld wat dichterbij te brengen.

Voedsel staat daarbij centraal: wat ligt er op je bord, voedsel van dichtbij, en voedselverspilling zijn de drie thema’s. Na twee uur peentjes zweten, presenteren de groepen hun ideeën, een jury beoordeelt de ideeën op basis van hoopvolheid en haalbaarheid. Een van de winnaars is een Climate Aware-label, dat bedacht is als vervanger van de talloze labels op verpakt voedsel in de winkel, die de meest doorgewinterde duurzaamheidsfreak nog in verwarring brengen.

Na afloop is er soep voor de deelnemers, gemaakt van paprika’s die de supermarkt niet hebben gehaald, oftewel ‘geredde groente’. De geur van de soep - geserveerd in bamboe bakjes maar wel weer met een plastic lepel - gaat met vlagen door de aula. Zo makkelijk en smakelijk kan duurzaam leven zijn.

 

Mantelpakje van petflessen

Dik-Faber is tevreden, zegt ze na afloop. Er is een beweging in gang gezet, duurzaamheid moet mainstream worden. “Wat vind je van mijn kleren?” Het satijnachtige mantelpakje in heldere kleuren ziet er chique uit. Het is gemaakt van petflessen die anders op de vuilnishoop waren verdwenen, vertelt ze.

Dik-Faber staat bekend om haar duurzame outfits op Prinsjesdag, gemaakt van bijzondere maar altijd duurzame materialen. En dat zal komende Prinsjesdag niet anders zijn, vertelt ze alvast.

 

Is duurzaam voedsel niet duur?

“Dat hoeft niet per se. Duurzaam eten is bijvoorbeeld ook groenten eten van het seizoen, in plaats van boontjes uit Marokko. In Nederland is voedsel ook nog eens relatief goedkoop. En als duurzaamheid mainstream wordt, wordt het ook beter betaalbaar.”

 

Boer Huijbers was niet erg te spreken over de EHS. Had hij een punt?

“Ik ben wel blij met de EHS, het is goed dat er robuuste natuurgebieden zijn en niet alleen maar wat versnipperde stukjes. Maar er wordt wel eens wat te veel van de tekentafel gekeken. Wat dat betreft is het goed dat de provincies daar nu de regie over hebben.”

 

Christenen staan niet altijd vooraan bij duurzaamheid, de voorganger van de ChristenUnie het GPV vond het aanvankelijk maar een linkse hobby.

“Ik ben opgegroeid in de jaren ’70 en toen was het Conciliair Proces in volle gang: Vrede, gerechtigheid en heelheid van de Schepping. Ik kende dat woord ‘conciliair’ niet, maar de boodschap was duidelijk en die is altijd blijven hangen. Eigenlijk is Goedgelovig een voortzetting van het Conciliair Proces."

 

Ineke Evink

Lees verder

De achterdeur van de kerk staat ook wijd open

17-05-2018

Nieuwe leden van de kerk worden vaak met gejuich onthaald. Maar wat als het geloof langzamerhand van je afglijdt en je steeds minder in de kerk komt? Wim Vermeulen besloot bij de achterdeur van de kerk te gaan staan. Dat leverde de gespreksgroep In Dubio op.

Utrecht, dinsdagavond. De zon strijkt over de terrassen in de binnenstad, en mensenstromen bewegen zich langs de warenhuizen om nog wat zomerkleding in te slaan.

Even verderop is het rustiger, op het plein bij de Jacobikerk. Er jakkeren wat fietsers langs, maar dat is het. Een jonge vrouw in een gele jas zet haar fiets rustig neer en glipt de oude houten deur onder de toren binnen.

In een typisch kerkzaaltje – opgestapelde stoelen in een hoek, een vergeeld schilderij van de kerk aan de wand en een witte kantoortafel in het midden – staat Wim Vermeulen, als missionair predikant verbonden aan deze gemeente – een raam open te wrikken. Zo komt er wat frisse lucht binnen. Op tafel witte kartonnen bekertjes waarop activiteiten van de Jacobikerk, beschreven staan: zo zijn er debatten, maaltijden en nog veel meer zaken in deze actieve binnenstadskerk mee te maken.

De aanwezigen – vier vrouwen en twee mannen van rond de dertig, en een oudere heer – druppelen langzaam binnen.

Dit is de kring ‘In Dubio’ die zo’n anderhalf jaar geleden door Vermeulen is opgericht. De Jacobikerk is volgens hem een kerk ‘met een oprecht missionair elan, maar er zijn ook vragen, twijfels en apathie. ‘Ik zag mensen door de voordeur binnenkomen en aanhaken, maar ik zag ook mensen via de achterdeur verdwijnen. En bij die achterdeur staat meestal niemand’, zo schreef hij hierover in een eerdere publicatie.

Daar wilde hij verandering in brengen, en daarom zette hij een berichtje in de weekbrief van de kerk.  ‘Stel, je bent keurig netjes kerkelijk opgevoed, je noemde jezelf altijd best wel of heel erg gelovig, maar de laatste tijd knaagt het. Je kunt er niet eens echt de vinger op leggen, maar de innerlijke afstand ten opzichte van kerk, geloof en God groeien en je hebt steeds vaker het gevoel dat je ‘het’ kwijt bent. Als je dat herkent en je wilt er iets mee, meld je dan middels een berichtje.’

Er meldden zich binnen een week veertien mensen.

In eerste instantie werden er drie avonden gepland. Vermeulen: ‘Ik nodigde iedereen uit om voorafgaand aan de eerste bijeenkomst een geestelijke levensreis te schrijven. Waar kom je vandaan, waar bevind je je nu en waar zou je naar toe willen? Ook vroeg ik hen om hun verwachtingen en vragen zo nauwkeurig mogelijk te noteren.’

In de avonden daarna bleek dat er vaak verschillende typen thema’s door elkaar speelden. ‘er waren inhoudelijke thema’s. Wie is God? Bestaat hij wel? Wat moet ik met de Bijbel aan?’

Daarnaast waren er gevoelsthema’s. “Hoe vind ik nieuw elan? Wat moet ik als christen eigenlijk hebben ervaren? Waarom maakt geloven me zo onrustig? Ik wil graag meer vertrouwen, maar hoe?”

Naast die twee thema’s waren er nog omgevingsthema’s, waar de deelnemers mee bleken te zitten: de vaak negatieve invloed van het leven in een stad op het geloof, de invloed van erfenissen uit het verleden.

 

Ervaren

Uiteindelijk werd er een top drie van vragen opgesteld die eigenlijk allemaal over de inhoud gingen: Wie is God, Hoe kan ik God kennen? Bestaat God? Vermeulen: “Tijdens onze gesprekken werden me een paar dingen steeds duidelijker. In de eerste plaats dat veel deelnemers leefden met een heel algemeen godsbegrip.  Bij God dachten ze in de eerste plaats aan een groot en almachtig iemand (is het eigenlijk wel Iemand?)  ver weg. De ervaring leert echter al langere tijd dat een algemeen godsbeeld snel vervaagt, of dat je ermee stuk loopt op de werkelijkheid van het leven.”

Ook op het gebied van het ervaren van God waren er verwachtingen die misschien niet reëel waren. “Bij God ervaren dachten ze vooral aan een fijn gevoel behelst van vertrouwen en geborgenheid, aangeraakt worden, vreugde, extase zelfs. Aan de hand van de psalmen ontdekten we dat het Bijbelse ervaringsbegrip veel breder en gelaagder is, en dat ervaring bovendien geen doel is, maar een uitgangspunt: de ervaringen die je in je leven opdoet probeer je in al hun verscheidenheid met God in verband te brengen.”

Na de eerste avonden in het voorjaar van 2017 werd besloten om nog een seizoen lang maandelijks bij elkaar te komen. De groep heette eerst “Help, ik ben het kwijt”, maar werd op suggestie van iemand tot ‘In dubio’ omgedoopt.

Vermeulen: “Er is geen vaste route. We lezen wel altijd iets dat past bij het thema waar we mee bezig zijn. Telkens zijn de vragen van de deelnemers leidend en op hun eigen verzoek ben ik met ‘voorbereidend huiswerk’ blijven werken. Dat blijkt een uitstekende manier om niet langs elkaar heen te praten.”

 

Zomergasten

Op deze zomeravond in de Jacobikerk ervaar ik hoe dat gaat en hoe gemakkelijk deze mensen met elkaar in gesprek gaan over grote onderwerpen. Op tafel ligt het boek Overvloed en overgave van Arjan Plaisier.

Plaisier schetst in dit boek verschillende seizoenen van het geloof. Na de herfst en de winter is het vandaag de beurt aan twee hoofdstukken over de lente en de zomer.

Iedere deelnemer heeft bij elk hoofdstuk minstens één streepje gezet bij een passage die op één of andere manier aan het denken zette.

Het gaat eerst een tijdlang over zogeheten ‘zomergasten’ ofwel gelovigen die door hun vrolijke inslag een voorbeeld zijn voor anderen. Maar dat voorbeeldige gedrag kan ook verlammend werken, zo blijkt al snel.

Femke: “Ik ging bij mezelf te rade of ik zulke zomergasten ken. Hebben jullie dat in jullie omgeving, een paar mensen die dat gegeven is?”

Menno: “Als je het religieuze weglaat, dan moet ik denken aan Thomas Erdbrink, die journalist in Iran. Hij heeft iets vrolijks, iets onaantastbaars. Maar religieus gezien moet ik denken aan een vriendin van mij. Zij kan met een heel klein woord iets cruciaals zeggen. Ze is ook duidelijk over wat God in haar leven betekent. Ik denk aan haar als een soort verlichte persoon.”

Elsbeth: “Het zit ‘m ook in de manier waarop ze omgaan met de strijdpunten in hun leven. Ik moet denken aan iemand op mijn bijbelkring. Zij kan als ons gesprek hapert ineens ‘pang’ zo’n vraag stellen waardoor je recht op je stoel gaat zitten. De manier waarop ze als arts omgaat met standpunten van anderen in haar werk, vind ik ook inspirerend. Ze respecteert de keuzes van anderen, maar ze durft ook te zeggen hoe ze als christen over bepaalde dingen denkt.”

Vermeulen: “Het is natuurlijk niet zo dat het een soort modelkinderen van God zijn.”

Elsbeth: “Nee. Ze is er ook eerlijk over dat ze moeilijk vindt en dat vind ik juist aansprekend.”

Femke: “Afgelopen week was ik bij mijn oma. Het gaat helemaal niet goed met haar, maar voor mij is zij een echte zomergast. Zij is constant aan het praten met God en neemt mij ook mee in dat gesprek. ‘Hoe lang nog, Heere’,  zegt ze weleens. Zij kijkt echt uit naar de volgende fase, naar het hiernamaals.”

Sara: “De manier waarop Plaisier die zomergelovigen beschrijft doet mij heel erg denken aan alle omschrijvingen van kinderen van God van vroeger. Je moet weer iemand zijn die je niet bent. Ik lees erin dat het gaat over het ‘begenadigde volkje van God’, een soort select gezelschap. Voor mijn gevoel word je dan heel erg in een bepaalde richting geduwd en daar heb ik een allergie voor.”

 

 

De poëtische inslag van het boek van Plaisier wordt stevig bekritiseerd in de loop van de avond, maar het roept ook ontegenzeglijk een open gesprek op.

Hans“Ik vond dit aanvankelijk een wijs boek. Vaderlijk en meeslepend geschreven. Maar ik ben het nu weer gaan lezen en ik ben weerbarstig geworden. Ik ben ‘In dubio’, ik begrijp niet zo veel van het geloof als ‘lentegave’ waar Plaisier over schrijft. Ik kan er niet bij. Daarom ben ik hier. Maar dat is mijn particuliere gevoel, en dat wil ik niemand opdringen.”

Derk: “Geloof je dus eigenlijk niet dat iemand verliefd kan zijn op God? Wat vind je dan van bijvoorbeeld een monnik of non?”

Hans: “Liefhebben is voor mij niet hetzelfde als een innig gevoel hebben. Die EO-zangeressen met hun smachtende stem, ze mogen er zijn, maar ik heb er niets mee. Voor mij is een monnik of non iemand die bidt voor de zonden van zichzelf en van anderen. Net als mijn moeder deed. Een paar maanden voor haar dood zat ik bij haar. ‘Voor mijn kinderen móet je wel de hele dag bidden’, zei ze. Die humor had ze behouden, ook al was ze blind geworden. Dat is voor mij een monnik, iemand die bidt voor anderen, net als mijn moeder deed.”

Hans is verreweg de oudste in het gezelschap. Hij spreekt met zelfspot over zijn twijfels, die niettemin bij hem diep gaan, ook door gesprekken met zijn kinderen, die zich afvragen of het geloof nu zo nodig is om een goed mens te zijn. Amnesty International doet toch ook goed werk? Hans: “Ik had gehoopt met het ouder worden wijs te worden, maar dat valt tegen.”

Zijn twijfels in het geloof heeft hij altijd voor zijn vrouw verborgen gehouden, toen zij nog leefde, vertelt hij, en daar sprak je ook niet over in die tijd in de gereformeerd-vrijgemaakte kerk waar ze lid van waren. “Ik heb mijn vrouw nooit geconfronteerd met mijn aarzelingen. Ik had negatieve ervaringen, maar die had zij niet.”

Het verhaal van Hans zorgt voor een interessante interactie met de anderen, die allemaal een generatie jonger zijn. Femke: “In mijn relatie vind ik het ook een lastig punt. Mijn vriend en ik hebben allebei onze strubbelingen. Hij is heel rationeel ingesteld, en hoeft niet zozeer te voelen dat hij gelooft. Bij mij zit dat wat anders.”

Gaandeweg het gesprek komt het punt naar boven dat gelovigen die een voorbeeld voor je zijn, ook een verlammend effect kunnen hebben. Het is juist op dit soort punten dat Vermeulen zelf als theoloog een extra aspect binnen het gesprek brengt.

Vermeulen: “Ik wilde graag die verlamming op tafel hebben. Al die mensen die wij noemen, zullen zichzelf niet als een voorbeeld zien, of zien dit in ieder geval niet als een verdienste. We kunnen wel proberen om hen als een voorbeeld naar ons toe te trekken, maar als dat verlammend werkt, trek je jezelf ook weer de sfeer van die verdienste in.”

Elsbeth: “Een van de dingen die mij het meest bijblijven van deze avonden is de terugkerende vraag: hoe hoog leg je de lat? Het kan inspirerend zijn om te verlangen naar groei en anderen te zien als een voorbeeld, maar het kan ook verlammend werken.”

Wim: ”Volgens mij is er ook nog een derde weg. Dat is die van Paulus. Hij heeft het over dankbaarheid, dat je God dankt voor die ander. Dus zonder in de concurrentiestand te staan. Dan wordt het gewoon een feest.”

 

Zomergevoel

Aan het eind vraag ik deelnemers –die allemaal een kerkelijke achtergrond hebben- nog eens rechtstreeks waarom het lijntje met de kerk op een gegeven moment dun werd, en wat deze kring daarin voor hen betekend heeft.

Elsbeth: “Het is iets meer dan een jaar geleden dat ik het oproepje van Wim las. Ik beschouwde mezelf steeds meer als een draaideurchristen: op het ene moment voelde ik me erbij horen, en op het andere moment had ik het gevoel dat ik erbuiten stond, ook al ben ik best actief in de kerk. Ik vond dat ik daarin een keuze moest maken. Door deze kring kreeg ik sowieso de ervaring dat je niet de enige bent die die gedachte heeft. Het zijn de vraagstukken van anderen die je aan het denken zetten: wat voor beelden heb ik zelf in mijn hoofd gehaald?”

Maria: “In dubio zijn: dat staat ook gewoon synoniem voor het geloofsleven.”

Femke: “Ik kom al ongeveer tien jaar in allerlei kerken, ik was ook sporadisch in de Jacobikerk. Het was dus vrij toevallig dat ik dit bericht las. Voor mij was het een opstapje om meer actief met deze vragen bezig te gaan. Het heeft me veel gebracht. Mijn geloof is een stuk levendiger geworden. Ik merk ook dat dit clubje vaak het begin is van mooie gesprekken.”

Menno: “Ik ging wel elke zondag naar de kerk, maar ik was het een beetje kwijt. Ik dacht, toen ik het berichtje las: baat het niet, dan schaadt het niet. Het is niet zo dat ik het geloof kwijt was, maar wat het dan wel was, weet ik nog steeds niet. Ik ben nu zo ver dat ik denk: ik geloof de kern wel, maar ik weet nog niet zo goed wat ik ermee aan moet. Ik werk in een omgeving waarin niemand religieus is. Moet je nu alweer om negen uur de koffie klaarzetten in de kerk, vragen ze dan. Daar snappen ze echt niets van. Hoe moet ik daarmee omgaan? Het is fijn om mensen te spreken die dezelfde soort twijfels hebben. Op een bijbelkring is iedereen vol vuur, maar hier merk je dat mensen in de kerk ook hun twijfels hebben. Dat gaf rust.”

Maria: “Je maakt kennis met nieuwe gezichtspunten, dat is waardevol”. 

Femke: “En er is iemand bij met kennis van zaken, die er een klap op kan geven.”

Derk: “Ik denk dat christenen elkaar graag het lente- of zomergevoel proberen over te brengen. Maar het is lastiger om te praten over de tijden dat het minder gaat. Dat je hond dood is gegaan, dat gaat nog. Maar een depressie of burnout, dat is lastiger om over te praten. Toen ik hoorde over deze kring vond ik het wel spannend: wie gaat daar zitten? Ik was van sommigen best verrast dat ik ze hier trof. Maar kennelijk ervaren wij hetzelfde, en het is mooi om dan de ervaring te hebben: hier komen we samen wel uit.”

Vermeulen: “In feite zijn we gewoon een volwassencatechesegroep geworden. We zijn gewoon bezig met de grote vragen die iedere generatie stelt. Ik denk bij deze kring steeds vaker: dit is het normale christelijke leven”.

 

Nels Fahner

 

Aan het begin van de avond was het onduidelijk hoe persoonlijk de gesprekken zouden worden. Daarom zijn de namen van de deelnemers gefingeerd.

Lees verder

Games in de godsdienstles: een goed idee

20-04-2018

Games bespreken in de lessen godsdienst: dat lijkt een droom voor middelbare scholieren, maar niet per se leerzaam. Toch worden games steeds beter, en bieden ze soms interessante aanknopingspunten voor het gesprek over levensbeschouwing en geloof, vindt docent, gamer en theoloog Liesbeth Last.

Theoloog en docent Liesbeth Last is een van de weinigen die zich bezighoudt met het verhalende aspect van games. Er wordt veel onderzoek gedaan naar het verslavende effect van games, maar dat ze ook interessant zijn vanuit levensbeschouwelijk perspectief, en dat ze discussies kunnen oproepen over religie en geloof, is minder bekend.

Op de website van de Katholieke Universiteit Leuven heeft Last hier lesmateriaal voor ontwikkeld dat voor docenten godsdienst beschikbaar is.

 

Wanneer had u voor het eerst het idee: games zijn eigenlijk een heel goed uitgangspunt voor godsdienstlessen?

“Ik ben zelf al heel lang gamer, en zo’n vijf jaar geleden viel het me voor het eerst op dat games eigenlijk veel meer waren geworden dan entertainment.  Games worden steeds beter qua verhaal en vormgeving, omdat er ook steeds meer geld in wordt gestopt. De afgelopen jaren zijn gameontwikkelaars bovendien de verhaallijn van hun spellen steeds belangrijker gaan vinden, en ook de vormgeving. Decorelementen hebben in veel games een levensbeschouwelijke achtergrond. Dat komt ook doordat die games in de VS of Europa worden gemaakt, door mensen die vaak godsdienstonderwijs hebben gehad, zelf niet meer gelovig zijn, maar wel putten uit de christelijke traditie.”

 

Een van de games die u beschrijft is Rise of the Tomb Raider met Lara Croft. De hoofdpersoon van die game is archeologe en vindt op een gegeven moment een afbeelding van Christus Pantocrator.

“In Rise of the Tomb Raider worden veel christelijke afbeeldingen en details gebruikt, die overigens op zich niet echt nodig zijn om verder te komen in het spel. Maar je kunt dan wel de vraag aan de leerlingen stellen: wat heb je nog meer ontdekt wat een link kan hebben met levensbeschouwing? In dit geval heb ik die afbeelding van Christus Pantokrator gebruiken voor een les over het gelaat van Christus. Hoe komt het dat katholieken dat wel afbeelden, terwijl protestanten dat niet doen? Zo kom je tot een inhoudelijk goed onderbouwde les op basis van een game.”

 

Kun je uit de games concluderen dat religie tegenwoordig jongeren op een heel andere manier bereikt?

“Zeker. Natuurlijk hangt het ervan af hoe je religie definieert. In spellen als World of Warcraft wordt veel gewerkt met een bepaalde vorm van transcendentie, met een kracht die de spelers stimuleert. In Rise of the Tomb Raider een sekte die Trinity heet, een verwijzing naar de drie-eenheid. Mijn taak als leraar is om duidelijk te maken dat dit termen zijn die uit het religieuze erfgoed komen. En het gesprek op gang te brengen over de betekenis van dat alles. Want zelf spelen leerlingen vooral voor hun plezier, en zullen ze niet gauw die link leggen.”

 

U had het net al over een sekte met de naam Trinity. In games lijken net als in de populaire cultuur vooral de extremen van religie aan bod te komen. Werkt dat niet juist vervreemdend?

“Ik denk dat dat wel meevalt, want de religieuze elementen vallen doorgaans niet zo op. Mensen spelen games vanwege het entertainment. Maar als je ze aan het denken zet over wat ze zien, kan dat wel leiden tot verdieping, tot de vraag wat religie kan betekenen. De grote kaskrakers als het oorlogsspel Call of Duty en Rise of the Tomb Raider hebben inhoudelijk niet echt een rechtstreekse link met religie. Maar er zijn ook games die een meer mediterend karakter hebben. Bijvoorbeeld de game Journey. Dat wordt gemaakt door een interessant gamebedrijf dat zich richt op games die de innerlijkheid proberen te raken, in tegenstelling tot doorsnee games, die vaak gericht zijn op actie, geweld, de strijd tussen goed en kwaad.”

 

Wat is de verhaallijn van zo’n game als Journey?

“Het is heel meditatief,  er is eigenlijk nauwelijks een verhaallijn. Je loopt door de woestijn, en je ziet een berg waar licht uit komt. Die moet je zien te bereiken. Het bevreemdende is dat je andere spelers tegenkomt, maar dat je niet met ze kunt communiceren. Je kunt elkaar alleen wel wat helpen om samen die berg te bereiken. Dat geeft een bepaalde vorm van vertrouwen. Iedere speler heeft bijvoorbeeld een sjaal om die je de kracht geeft om te vliegen. Maar dat werkt slechts tijdelijk, en dan beland je weer op de grond. Maar als je met z’n tweeën bent, kun je elkaar kracht geven en zo blijven vliegen. Je geeft dus eigenlijk steun aan elkaar.”

 

Er worden dus eigenlijk geloofservaringen gevisualiseerd, als ik het goed begrijp.

“Ja, inderdaad. Je loopt door een prachtig landschap en je houdt je blik gericht op de berg die licht uitstraalt. Natuurlijk zijn er wat hindernissen waar je over moet. Je kunt niet sterven in dat spel, en  er wordt ook niet geschoten. Sommige leerlingen vinden het saai om te spelen, anderen vonden het juist heel indrukwekkend. Het duurt twee of drie uur en dan ben je bij die berg. Daarbij wordt ook klassieke muziek ingezet, wat een extra dimensie geeft aan het spel. Dit spel wordt in Groot-Brittannië, in Exeter overigens ook gebruikt bij bepaalde vieringen. Het wordt blijkbaar niet als storend gezien als het dan als decor op de achtergrond functioneert.”

 

In hoeverre kunnen jongeren een onderscheid maken tussen de  wereld van de game en de echte wereld van hout en steen en echte mensen daarbuiten?

“Ik ben ervan overtuigd dat ze dat kunnen. Dat heb ik gemerkt toen ik het spel “Life is Strange” gebruikte in verschillende klassen. In de game wordt aan spelers de vraag voorgesteld: stel, een meisje is het slachtoffer van cyberpesten. Wat zou jij doen? Ga je naar de politie of ga je zelf op onderzoek uit?  In het spel gaan jongeren dan op onderzoek uit, terwijl ze in het echte leven bij dezelfde vraag aangeven dat ze naar de politie zouden gaan. In het spel gaan jongeren voor de uitdagende keuzes. Ze willen experimenteren om te zien wat de resultaten zijn, terwijl ze in het echte leven eerder naar de politie of naar een vertrouwenspersoon zouden gaan.

Het is ook niet zo dat je als je een gewelddadige game speelt, je daardoor ook gewelddadig wordt. Het is met name een vorm van escapisme. Net als liefhebbers van horror niet zozeer moorddadig zijn, maar eerder een soort ontlading zoeken. Als iemand gestorven is, is soms de neiging er ook om te lachen om de verhalen om die persoon. Dat zijn mechanismes die de stress uit de maatschappij halen.”

 

Games worden vaak gediaboliseerd, schrijft u ergens. Ze kunnen natuurlijk ook verslavend zijn. Wat brengt u ertoe om ze juist in de godsdienstles te betrekken?

“Het is belangrijk dat er ook over wordt gepraat met jongeren. Veel collega-docenten bespreken geen games, omdat ze er een afkeer van hebben of omdat het medium hen onbekend is, maar op die manier blijven ze in de taboesfeer. Het is belangrijk om die juist te doorbreken. Ik heb ook leerlingen die wel heel veel gamen. Doordat het over games gaat, komen ze ook naar me toe en dan heb ik daar als volwassene weet van. Dat is beter dan wanneer ze dat probleem alleen in hun eigen kamer laten. Dat demoniseren leidt tot extra gebruik, want mensen zijn gevoelig voor taboes, dat leert het verhaal van de zondeval al.

Ik denk dat het voor ouders ook belangrijk is om te weten wat voor games hun kinderen spelen. Toon er daarom interesse in. Dan kun je er gesprekken over hebben. Laatst zag ik hoe een kind van een jaar of negen een best wel gewelddadig spel kreeg van zijn ouders. Ik denk dan: besef dat het belangrijk is om met je kind in gesprek te gaan over videogames. Als ouder laat je je negenjarig kind toch ook niet vrij rondlopen op de Grote Markt in Brussel? Volwassenen zijn vaak bang voor games, omdat ze die met geweld associëren, maar dat is geen reden om je er maar niet in te verdiepen.”

 

U bespreekt naar aanleiding van een oorlogsgame als Call of Duty ook verschillende visies op oorlog, ook meer pacifistische visies en de visie van de paus over actieve geweldloosheid. Hoe reageren leerlingen daarop?

“Als ik met Call of Duty in de klas kom, dan likkebaarden ze, dan wrijven de leerlingen zich in hun handen. Maar als je dat dan vervolgens gaat bespreken gaat er een wereld voor ze open. Wat voor visies op oorlog zijn er? Wat voor visie heeft het spel zelf? Zo worden leerlingen gemotiveerd om verder te kijken dan het pure geweld. Het laatste game van Call of Duty gaat overigens ook over dat personages mensen kunnen gaan helpen op het slagveld.”

 

U klinkt eigenlijk best wel positief over de visie van het spel zelf op geweld.

“Je hebt een variant van Call of Duty met zogeheten Nazi-zombies en daarbij gaat het echt alleen om het schieten om het schieten. Maar bij de singleplayer (de variant met gewone spelers, red) zijn soldaten geen moordmachines maar mensen van vlees en bloed. Zij vinden bijvoorbeeld mensen die zich hebben verstopt voor het nazisme en discussiëren dan met elkaar: moeten we deze mensen achterlaten? We hebben immers ook een functie als humanitaire hulpverlener. Behalve dat het een schietspel is kun je er dus ook vragen over stellen als: wat is geweld? Hoe ver moeten we gaan om de vrijheid te verdedigen? Wat is vrijheid eigenlijk?

Maar er worden ook heel andere oorlogsspellen gemaakt dan Call of Duty. Het spel This War of Mine is bijvoorbeeld een spel vanuit het perspectief van oorlogsslachtoffers. Er is dan geen richting, de speler moet in chaos overleven. Want er is geen draaiboek voor iemand die in oorlog leeft. Dat spel is confronterend om te spelen, ook als je daarbij het contrast met Call of Duty bedenkt. Daarbij ben je de held, en sta je aan de veilige kant van het wapen. Dat besef komt als je die spellen met elkaar vergelijkt.”

 

Een andere game die u bespreekt is de science fictiongame Mass Effect Andromeda. Wat maakt dit met het oog op religie zo’n interessante game?

“Science fiction is interessant om dat alles objectief gemaakt wordt. Bepaalde kwesties worden van deze wereld weggetrokken, en dat kan verhelderend zijn. Zoiets gebeurt ook in een filmserie als Star Trek, waarbij allerlei rassen en volkeren voorkomen. Dan gaat het niet om Marokkanen of Belgen of Algerijnen, Duitsers of Nederlanders, maar om abstractere rassen. Hoe gaan zij met elkaar om en hoe doen wij dat? Het abstract maken van racisme kan een opening bieden om objectief naar iets te proberen te kijken. Op die manier kun je de emotie weghalen  en blijft de essentie over.”

 

 

https://www.kuleuven.be/thomas/page/videogames-overzicht/

Lees verder

'Pionieren is vallen en opstaan'

05-04-2018

Urban Expression: dat is de naam van een moderne ‘orde’ van buurtkerken en hun leiders, die dit jaar tien jaar bestaat. Overgewaaid uit Engeland is de beweging nu in zo’n 10 Nederlandse steden actief, in creatieve christelijke gemeenschappen die in toenemende mate samenwerken met lokale kerken, én gedragen worden door de buurtbewoners zelf. Oeds Blok blikt terug op 10 jaar pionierswerk, in zijn eigen stad Amersfoort en op de ervaringen in andere plaatsen.

Van Zaanstad tot Rotterdam tot Arnhem: de afgelopen jaren zijn er op verschillende plekken in Nederland wijkkerken en -initiatieven ontstaan door teams van Urban Expression. In Rotterdam zijn er zelfs twee plekken, in Den Haag is poppenspeler en verhalenverteller Matthijs Vlaardingerbroek al vanaf 2000 gestart met een buurtkerk in de Spoorwijk. Een bekend gezicht uit Rotterdam is Daniël de Wolf, bekend van De Torrie van Mattie (het evangelie van Matteüs in de taal van de straat). Blok: “Urban Expression is eigenlijk een soort orde van pioniers, en ons hart ligt bij de mensen in zogeheten ‘krachtwijken’, wijken die schoonheid, maar vooral ook een rauwe rand hebben. We zijn ervan overtuigd dat daar iets van God te vinden is wat je elders niet vindt. Het zijn vaak plekken waar bijna niets meer van de kerken te zien is. Op die plekken zijn we actief.”

Creativiteit is bij Urban Expression een sleutelwoord; vertelt Oeds Blok in zijn woning aan een doorgaande weg in het Soesterkwartier in Amersfoort, waar hij zes jaar geleden in zijn vrije tijd zelf begon met buurtkerk.

Het is geen kerk met een toren, waar hij het over heeft: het is een groep mensen die samenkomt in en rond een speeltuin.

Hoe ziet een zondagochtend in de kerk in het Soesterkwartier eruit? Blok: “Op zaterdagavond hielden we al een spelletjesavond, en daar kwamen veel mensen. Maar we zaten lang met de zondag. Wat doe je dan, en voor wie? De stap om iets op zondag te doen was voor veel van hen te groot. De zondagochtend was voor de mensen uit de buurt geen goed tijdstip, dan ben je vrij, is dan het idee, dus dat werkte niet. Toen hebben we besloten om op zondagmiddag in de speeltuin een tafel neer te zetten. Dat was best een grote stap, want dan ben je kerk midden tussen de mensen in de speeltuin. We hadden taart op tafel staan. Het was dus een feestje, dat was de gedachte. Voor iedereen. We hebben daarna iets met een bijbelverhaal gedaan, want dat doen we altijd op de zondag. Dat hebben we afgestemd met de beheerder. Daar moet je transparant over zijn. Het leuke van een buurtkerk is dat ik kinderen en volwassen weer tegenkom op straat, in de winkel of bij voetbal of ergens op de koffie ga. Veel relaties spelen zich af in het dagelijks leven.”

 

Tentje

De manier waarop een bijbelverhaal wordt verteld of uitgebeeld is heel divers, vertelt Blok. “Laatst ging het over angst. Toen hebben we met een tobbe met water het verhaal van Jezus op het meer uitgebeeld. We hebben er ook een wedstrijd voor de kinderen aan vastgeplakt. Blazen en dan zien welk bootje het snelst naar de overkant komt. Als volwassene kon je op een papiertje schrijven waar je het meest bang voor bent. Mocht wel, hoeft niet. Het is dus heel rechttoe-rechtaan.”

Er kan dan een moment komen dat het gepast aanvoelt om te bidden met elkaar, al is bidden niet altijd aan de orde. “Normaal doen we dat niet, in het koffiehuis – waar we ’s winters kerk houden in plaats van buiten in de speeltuin - want het is geen viering. Maar dit keer hebben we wel gebeden, gewoon met iedereen, staand rond dat badje. Omdat God erbij is, als we angstig zijn.”

De vorm die wordt gekozen heeft dus altijd iets met beleving te maken, met je zintuigen. “Het zijn eigenlijk gewoon moderne leerprincipes die we toepassen, zoals dat ook in het reguliere onderwijs gebeurt. Met Pasen hebben we vijf plekken gemaakt in de speeltuin waar mensen iets konden proeven. Ik stond op een speeltoestel en mocht geurolie uitdelen. Het was eigenlijk best bijzonder dat een paar moslimvrouwen ook toelieten dat ze olie op hun hand kregen. Ik vertelde erbij: ‘Toen Jezus in het graf lag, waren de vrouwen om hem heen verdrietig. Toen hebben ze hem verzorgd met olie.’ Punt. Daar laat ik het dan bij. Op een andere plek was er brood met mierikswortel. De kinderen mochten dat proeven. Bah natuurlijk. Daar werd bij gezegd dat het lijden bitter was voor Jezus. En dat hij het uit liefde deed.”

Soms kun je ook enorm lachen met elkaar, vertelt Blok. “Er was bijvoorbeeld ook een onderdeel ‘raad dit geluid’. Dat was dus het geluid van een grote rollende steen. En dan vertelden we van de engel die de steen wegrolde. Een graf is moeilijk uit te beelden in een speeltuin. We kozen uiteindelijk voor een engel die in een tentje zat. Als laatste onderdeelkwamen alle volwassenen en kinderen in dat tentje. Degene die de engel speelde moest zeggen: Jezus was wel dood, maar op een gegeven  moment was hij er niet meer. Weg. Hij was sterker dan de dood.

Daar waren ook twee tieners bij gekropen, zoals wel vaker gebeurt natuurlijk in een speeltuin, dat er plotseling mensen meedoen die je eerder niet verwachtte. Die begonnen te lachen. Dat kan toch niet, zo’n raar verhaal. Er werd dus om gelachen. Dat kan. Maar het is ook wel een raar verhaal natuurlijk.”

De buurtkerk heeft een zomerkerk en een winterkerk, legt Blok uit. “’s Winters is het buiten te koud en dan komen we samen in een zijgebouwtje van de speeltuin. Daar is dan een koffiehuis. Er komt een vaste groep mensen, en een wisselende groep. In het koffiehuis is binnen een tafel waar een kruisje op staat. Je kunt er ook een kaarsje opsteken. Er zijn onder andere een paar Marokkaanse families die blijven komen. Dat vind ik bijzonder, blijkbaar schrikt dat kruisje niet af. We leggen ook aan de kinderen uit waar een kaarsje voor is. Dat als je iets wenst, dat God dat ook weet.”

 

Unplugged

Terugkijkend op zes jaar buurtkerk, constateert Blok dat er gaandeweg steeds meer activiteiten bij kwamen, verschillende vormen van kerk, zoals hij het noemt. “We misten op een gegeven moment body, een kerngemeenschap. Dus zijn we ook elke eerste en derde zondag van de maand met een viering bij iemand thuis gestart. Het begint met koffie. We lezen iets uit de bijbel en we zingen met elkaar. We vieren dan avondmaal, rondom Jezus. We zetten dat niet in de krant, maar nodigen mensen persoonlijk uit. We hoeven aan die vieringen niet veel voor te bereiden. Er is geen dominee die alles doet. We kunnen met meerdere mensen om de beurt het avondmaal voorbereiden. Ik wil ook graag dat het een meerstemmige gemeenschap is. Verder houden we het eenvoudig. Er wordt piano gespeeld of gitaar. We zingen een paar nummers. Er is altijd eten of koffie, voor de sociale contacten. Naast die vieringen en de bijeenkomsten op zondagmiddag zijn er ook twee groepjes ‘Bakkie & bidden’, een bij een Arubaanse mevrouw thuis. Bidden is een mooie manier om iets van God te ervaren. En er zijn twee bijbelstudiegroepjes ‘De weg’. Zo zijn er verschillende vormen van kerk, en deelnemers kiezen waar ze bij willen horen. Twee mannen hadden bijvoorbeeld weinig met Jezus, maar ze stonden wel open voor geloof, en ze waren ervan overtuigd dat er een God bestond. Toen zijn ze de verhalen over Jezus gaan lezen. Er is bij de bijbelstudie veel ruimte voor dialoog. Uiteindelijk heeft dat hun leven beïnvloed en hebben ze een soort basisrust gekregen. We lezen dus een stukje en praten erover. We lezen de bijbelverhalen over Jezus unplugged, zeg ik weleens, we slaan niets over. Ook de passages die schuren, lezen we. Het is de kunst om met de flow mee te gaan – dus het gesprek te volgen zonder te veel een bepaalde kant op te willen. Wat wel helpt om structuur aan te brengen, is het telkens weer invoegen bij de vraag wat Jezus met ons doet, wie hij is, of wat we zelf voor betekenis aan hem geven. We lazen pas een verhaal over een bezeten man. Dat is best een ruig verhaal. Maar sommige van onze mensen hadden daar helemaal geen moeite mee. Zij kenden dat. Wat blijft Jezus rustig. Dat viel hen op.”

 

 

Jezus-factor

Hoe zorg je ervoor dat je niet alleen maar bezig bent met een sociaal initiatief? Wat is, anders gezegd, de relevantie van de Jezus-factor, zoals Blok het zelf eens noemde in een interview met Andries Knevel?

“In het begin was dat voor mij wel een vraag. Ik verdiepte me toen ook in mensen die niets met Jezus hadden maar zich toch inzetten voor de buurt. Ik ging God meer in mensen zien. Maar later ben ik anders naar onze eigen initiatieven gaan kijken. Alleen al het feit dat in ons koffiehuis iedereen welkom is. Wie doet dat? Niemand. Dat is, denk ik, de Jezus-factor. Een kind dat op straat de dag doorbrengt en pas ’s avonds weer thuis mag komen, krijgt bij ons aandacht. Meer hoeft het niet te zijn, en meer kan ik er ook niet van maken.”

Er is natuurlijk een grote godsdienstige diversiteit. “Ik werk samen met moslims en ook met autochtone Nederlandse vrouwen die heel spiritueel zijn. Met deze vrouwen zit ik in een werkgroep voor buurtuitvaarten, voor mensen met een smalle beurs. Zij putten uit een andere bron, maar ik probeer nieuwsgierig te zijn. Ik leer ook van mensen om me heen van hun leven en bezieling die het verdient om gezien te worden. Bij moslims zie ik dat zij zelfbewust zijn in hun geloof. Dat vind ik mooi. Een houding van vrijmoedigheid en nederigheid, dat hebben we nodig.”

 

Tussenruimte

Pioniersplekken zijn nieuw en lijken daardoor automatisch succesvol en fris. Maar de werkelijkheid is er een van vallen en opstaan. Er is de afgelopen jaren ook weleens een buurtkerk weer gestopt. En vermoeidheid is een terugkerend fenomeen.

“Hier in het Soesterkwartier zijn we 6 jaar geleden met een groep van ongeveer 14 volwassenen gestart. Onder hen een groep van 4 mensen die de bijbelschool De Wittenberg hadden gevolgd. Dat was een geschenk. Maar uiteindelijk hielden de meeste mensen die mee gingen uit de Baptistengemeente, waar ik predikant was, het niet uit. Twee echtparen zijn gebleven, vier zijn er gestopt. Het lukte hen uiteindelijk niet goed genoeg om dit als hun kerk te zien, hun geloofsgemeenschap. Dat is natuurlijk voor henzelf, en ook voor de rest van het team wel moeilijk. Maar je moet ook de vrijheid houden om te doen wat bij je past. En zij hebben dit wel mede mogelijk gemaakt. Na een jaar of vier zijn er ook steeds meer buurtbewoners mee gaan doen”.

Een trend is dat er steeds meer wordt samengewerkt met lokale kerken. “Dat zien we bijvoorbeeld in het Oude Noorden in Rotterdam, dat mensen die meedoen met wijkgemeenschap Bless ook lid zijn van andere kerken. Dat past bij de trend van multiple religious belonging: mensen komen uit de Protestantse Kerk in Nederland, uit de Baptistengemeente, of uit de gereformeerde kerken vrijgemaakt, en ze willen tegelijkertijd betrokken zijn bij een buurtkerk.”

Uiteindelijk gaat het er bij Urban Expression om, dat er een soort tussenruimte ontstaat, zegt Blok ten slotte. “Een viering, dat is een christelijke ruimte. Daar is op zich niets mis mee, we houden ook zelf vieringen. Maar we zijn ook het liefst aanwezig op het terrein van de ander, want dat biedt kansen voor ontmoeting. Dat past ook bij het koninkrijk van God. In de creativiteit tussen mensen komen verschillende werelden bij elkaar. In die ontmoeting gebeurt Gods koninkrijk.”

 

Info: www.urbanexpression.nl.

Lees verder